Vrijdag 14/05/2021

Een dag in Manhattan: rennen voor je leven, shoppen tegen de terreur

'Second degree of separation, heet dat hier met een mooi woord. De komende dagen, weken, maanden zullen nog veel New Yorkers ontdekken dat mensen die ze kenden in de ramp zijn gebleven'

Gert Van Langendonck

Foto's James Nachtwey / VII

Ze zijn in een paar dagen tijd een vertrouwd gegeven geworden in Manhattan. De door politieagenten, New Yorkers, out-of-towners van verafgelegen plaatsen als Miami of soldaten bemande checkpoints. De eerste is aan 14th Street, het begin van wat we de 'frozen zone' noemen, het gebied waar het hectische New Yorkse leven voor nog onbepaalde tijd 'bevroren' is. De barrière van 14th Street is een makkie. Je lult je er zo doorheen, waarna je in een gebied komt dat nog het meeste weg heeft van een autoloze zondag. Een veelgehoorde opmerking is dat ze het verkeer misschien beter nooit meer doorlaten onder de veertiende straat.

De volgende barrière, aan Houston Street, is iets moeilijker. Alleen mensen die hier wonen, mogen erin. Maar de politie laat meestal wel toe dat bewoners vrienden komen ophalen bij de barrière. Ik sta op de hoek van Houston Street en Mott Street en bel met de gsm naar Patrick Sellito, een fotograaf die in het eerste blok van de 'frozen zone' woont. Minuten later zitten we in Buffa's, een beroemde delicatessenzaak. "Sorry dat er niet veel koffie in de melk zit", zegt de serveerster. "We zitten bijna door onze voorraad heen." Bevoorrading wordt stilaan een probleem in de 'frozen zone', waar geen voertuigen worden toegelaten. De supermarkt op de hoek zit bijna zonder levensmiddelen, kranten zijn hier niet verkrijgbaar. Je voelt je in oorlogsgebied, midden in het meest trendy stukje Manhattan.

We gaan de hoek om, Lafayette Street op. Voor de lokale brandweerpost staan tientallen bloemenruikers opgesteld van de buurtbewoners, op het berichtenbord heeft iemand geschreven: "You can't put out a collapse" (Een instorting kun je niet blussen). Nog maar een paar weken geleden liep ik hier nog voorbij met een vriendin uit België. Ze stond erop om een foto te laten nemen van zichzelf tussen de brandweermannen. Ze hebben dat met plezier gedaan. De foto ligt op mijn appartement, de mannen die erop staan zijn nu heel waarschijnlijk dood. Ik heb het nagekeken: het waren de mannen van 'ladder 20', brandweerwagen 20.

"Van mijn ladder, nummer twintig, zijn er zeven mannen vermist. Dat wil zeggen: iedereen die dienst had op dinsdagochtend", zegt luitenant David Simms (39, "fourteen years on the job"). "De ladder zelf ligt onder het puin van de tweede toren. In het hele huis hier zijn er elf mannen vermist." Een vriendin van Simms komt goeiedag zeggen. Terwijl ze mekaar 'huggen', komen er tranen in de ogen van de stoere brandweerman.

"Elke brandweerman in New York kent iemand die vermist is", zegt Simms, "mijn beste vriend ligt daar ergens onder het puin. Het is niet dat we in shock zijn, we beseffen het gewoon nog niet. Het werk is nog niet afgelopen. We opereren nu in twee shifts van telkens vierentwintig uur. Dat wil zeggen dat op elk moment de helft van alle brandweermannen van New York aan het werk is. Dat zijn zo'n vijfduizend man. De moraal is enorm hoog."

"Weet je", zegt Patrick, "de brandweermannen van Lafayette Street kwamen na hun shift meestal naar 288 en Milano's", twee bars waar we vaak uithangen. Wanneer later Aoife Cox, een vriendin, opbelt, registreert ook zij met een schok dat ze een aantal van de brandweermannen gekend moet hebben. "Ik heb er vaak mee aan de toog gehangen. Weet je nog dat we een oude dakloze man hadden geadopteerd, die onlangs gestorven is. Die brandweermannen van Lafayette Street hebben ook altijd veel voor hem gedaan." Second degree of separation, heet dat hier met een mooi woord. De komende dagen, weken, maanden zullen nog veel New Yorkers ontdekken dat mensen die ze kenden in de ramp zijn gebleven. Een vrouw passeert op de fiets. "Hoeveel vermisten zijn er hier?", vraagt ze. "Elf", zeg ik. "Shit, ik kende sommige van die jongens."

Twee huizen verder botsen we op John Lurie, bekend van zijn band The Lounge Lizards en als acteur in de films van Jim Jarmush (Down by Law, Stranger than Paradise) en Wim Wenders (Paris, Texas). Lurie vertolkt niet meteen het overheersende sentiment in het Amerika van deze week. "Eerst heb ik gehuild, toen ben ik beginnen lachen, nu ben ik gewoon morbide. Ik bedoel, als je Bush op de televisie ziet, dan kun je toch alleen maar lachen?" Hij vraagt waar dit verhaal gepubliceerd wordt. "België? Oké. Zolang het maar niet in Amerika is. Ik ben mijn leven niet moe." En dan: "Amerika had hier een dosis van nodig. Want dit is precies wat wij voortdurend andere mensen overal ter wereld aandoen."

"Ja maar, die brandweermannen hiernaast, dat is toch vreselijk?", werpt Patrick op.

"Het is verschrikkelijk, dat spreekt voor zich", zegt Lurie. "Maar tegelijk, ik hou wel van extremen, van chaos. Ik bedoel: dit is gewoon een slechte film. Alles hangt er nu vanaf wat de Verenigde Staten gaan doen. Wat ze ook doen, het zal de wereld voor altijd veranderen. En de publieke opinie in Amerika wil niet liever dan dat Bush zo snel mogelijk iets heel stoms doet."

Lurie's vrienden maken zich klaar om te gaan surfen op Jones Beach. "Tussen de oorlogsschepen. Cool, man." Het zijn opwindende tijden in New York.

David Bowie woont ook in dit huizenblok, met zijn Iman. Hem krijgen we niet te zien.

Een eindje verder, aan Spring Street in Soho, is een poepchique schoenenwinkel reeds "open for business". Vreemd, want je moet hier wonen om er te kunnen komen. "Tja, een mens moet zijn geld verdienen. Het leven gaat door", begint de twintigjarige blonde verkoopster, Maytal Ohayon. Maar dan: "Persoonlijk vind ik dat we niet hadden mogen openen. Wie gaat er op een dag als vandaag nu schoenen kopen? Maar mijn baas belde mij vanochtend op in Queens, waar ik woon, en zei dat ik de winkel moest opendoen. Ik moet ook de huur betalen. Life is tough in New York. Je kunt het je niet permitteren om dagenlang niet te werken."

Blijkt dat Maytal een nichtje heeft die zich in het World Trade Center bevond. "Ze werkte op de vijfde verdieping. We hebben nog niks van haar gehoord. Mijn moeder loopt in Manhattan rond met haar foto, zoals de mensen die je op de tv ziet. Nee, we hadden niet mogen openen."

Maytal weet niet goed of ze de winkelopening nu moet betreuren of verdedigen. Want ze heeft ook de boodschap van burgemeester Rudolph Giuliani gehoord op woensdag dat de New Yorkers zo snel mogelijk weer moeten gaan shoppen, uit eten gaan, een showtje meepikken op Broadway (de musicals herbeginnen vanavond). "Ja", zegt ze plots beslist, "dit is precies wat de terroristen wilden, to slow down our economy. Wat er gebeurd is, was verschrikkelijk, maar New Yorkers zijn constant in beweging. Nothing is gonna slow us down."

Maar Maytal is niet alleen New Yorkse, ze is ook Israëlische. "Toen ik als kind in Israël woonde, leefde ik elke dag met die angst als ik met de bus naar school ging. Het werd tijd dat de mensen hier eens zouden beseffen wat dat is. In die zin is het een goeie zaak geweest."

Dat soort uitspraken hebben we deze week vaak tot vervelens toe mogen horen. Dat we nu tenminste weten wat de Israeli's elke dag meemaken. Dat Amerika nu misschien eindelijk eens partij zal kiezen voor Israël. Excuseer? Alsof de New York Times tot maandag niet volstond met pro-Israël-advertenties, van de Israëlische regering die de Amerikanen bedankte omdat ze weggelopen waren van de racismeconferentie in Durban, van pro-Israëlische bewegingen die de 'waarheid' over het conflict uiteenzetten, van Israël dat de Amerikanen oproept om in weerwil van het negatieve reisadvies van hun regering op vakantie te gaan naar het beloofde land. Deze week had in New York een massale pro-Israël-betoging moeten plaatsvinden, aangevoerd door senator Hilary Clinton.

De schoenenwinkel is nog een uitzondering. Op Broadway, tussen Houston Street en Canal Street, is slechts één winkel open: een hardware store, die slechts één artikel verkoopt: maskers tegen de rookwolk gaan vlot over de toonbank, sommige mensen kopen ook beschermende brillen. Niemand gelooft helemaal de geruststellende woorden van burgemeester Giuliani dat de bijtende rook, die de ogen en de keel irriteert, echt niet gevaarlijk is.

De volgende zone begint aan Canal Street. De kans om hier nog doorgelaten te worden, is wel heel erg klein, zelfs voor wie de juiste persaccreditaties heeft, wat niet het geval is. Ik probeer het toch maar, en tot mijn verbazing zegt de politieagent: "Oké, je mag doorlopen." Ik kan het amper geloven: zelfs de Amerikaanse pers wordt sinds woensdag, toen de initiële chaos voorbij was, beperkt tot een plek langs de West Side Highway vanwaaruit ze met een zoomlens hooguit een glimp kunnen opvangen van de reddingswerken. Slechts af en toe worden tv-ploegen toegelaten om wat shots te maken van wat 'ground zero' is gaan heten.

Ten zuiden van Canal Street kom je alleen nog politie, reddingswerkers en soldaten tegen. Een groepje agenten in burger stapt uit de wagen en trekt FBI-jasjes aan. "Nee, we kunnen niet zeggen wat we hier doen. Van waar ben je? België? Mag ik uw land uit naam van de FBI bedanken voor de hulp die op komst is?" Ik vermoed dat het sarcastisch bedoeld is.

Op een stoep zitten twee soldaten van de Nationale Garde. Ik spreek ze aan. "Sorry", zegt een van hen, "ik ben een medic, ik ben deze man aan het behandelen." Hij gaat verder: "Op een schaal van tien, hoeveel pijn zou je zeggen dat je nu voelt..."

Op Broadway, ter hoogte van City Hall, wordt de weg versperd door zwaarbewapende soldaten. Ze zijn resoluut: toegang verboden. Maar vreemd genoeg staat er op West Broadway, dat recht naar het World Trade Center voert, geen checkpoint. Ik loop door zonder dat iemand mij tegenhoudt tot ik plots op 'ground zero' ben.

Honderden brandweermannen, politieagenten, soldaten en andere reddingswerkers staan rond de plaats waar nog maar drie dagen geleden de twee torens van honderdentien verdiepingen stonden. Op het puin zelf zijn tientallen mensen aan het werk: ze hebben een lijn gevormd van de top naar beneden waarlangs het met de hand geruimde puin wordt doorgegeven. Maar de meeste reddingswerkers staan gewoon te kijken. In stilte. Bijna iedereen heeft een fototoestel, vaak een in alle haast gekocht wegwerpapparaat, of een videorecorder mee. Zelfs de soldaten van de Nationale Garde leggen de scène vast voor het thuisfront. Ik herken de Amerikaanse vlag boven op het puin van de foto die in alle kranten ter wereld is verschenen. Bijna alle reddingswerkers hebben één, soms twee, minivlaggetjes op hun helmen aangebracht. Er is geen chaos meer, geen paniek, de organisatie lijkt perfect te werken. Al is er soms wel verwarring. "You guys are MTA, right?", vraagt een brandweerman aan iemand van de metromaatschappij. "Weet jij waar toren één juist stond? Niemand lijkt dat te weten."

Wat vooral verbaast, is hoe weinig puin er is. Het is volstrekt onbegrijpelijk dat er van tweemaal honderdentien verdiepingen beton en staal zo weinig over is. Het stemt meteen heel triest. Een vriendin van ons, Jo Anne Cregan, werkte op de honderdeneerste verdieping van toren één. Het is volstrekt onvoorstelbaar dat ze het overleefd zou hebben als ze inderdaad zo hoog zat op het moment dat de vliegtuigen insloegen. Ik neem mij voor om dit vooral niet te zeggen straks.

Rondom mij kijkend, zie ik het gebouw van Century 21. Een warenhuis dat tot ver buiten New York bekend was omdat er designkleren worden verkocht tegen spotprijzen. Op een andere hoek - de gebouwen rondom het WTC-terrein zijn merkwaardig goed overeind gebleven - heeft de New Yorkse politie haar hoofdkwartier gevestigd in een Burger King. "NYPD Temp. HQ" (tijdelijk hoofdkwartier) staat er in rode graffiti opgeklad. Indrukwekkend zijn de restanten van de nepgotische structuur die de mastodonten op de lagere verdiepingen een menselijke dimensie moesten geven. Ze doen denken aan middeleeuwse kathedralen, na een bombardement tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een zwarte katholieke pastoor staat stilzwijgend te bidden, de bijbel in de hand, de blik gericht op het puin. Dan draait hij zich om naar een zwarte soldaat, en vraagt of hij een foto wil maken van hemzelf met het puin op de achtergrond. Er zit een ramptoerist in ieder van ons.

"Eigenlijk kunnen we hier niet meer doen dan wachten", zegt Michael Edye, een Australische chirurg verbonden aan het New York Downtown Hospital. Hij hielp dinsdag mee met het opvangen van de allereerste golf van slachtoffers. "Maar het was een hele korte golf met vooral lichte gewonden", zegt hij. "Er waren een paar ernstige gevallen. Ik heb net nog bijkomende chirurgie verricht op een vrouw die ze dinsdag bij ons hadden binnengebracht. Blijkbaar was zij geraakt door het landingsgestel van een van de vliegtuigen. Een groot deel van haar huid is van haar lichaam gescheurd. Afschuwelijk, maar ze zal het overleven."

Het grote probleem, zegt Edye, is dat er te weinig gewonden zijn om te behandelen. "Ik schat dat er tien keer meer dokters en verplegend personeel zijn dan patiënten. De respons is enorm geweest. Er is wel een gebrek aan communicatiemiddelen. In ons ziekenhuis is er slechts één werkende telefoonlijn."

"Excuse me!" Er wordt plaats geruimd voor een brancard die wordt weggedragen. De oranje zak is dicht. Heel waarschijnlijk is het weer een gesneuvelde brandweerman, een van de meer dan driehonderd vermiste. Er is een ongeschreven regel onder de reddingswerkers hier dat telkens als een lijk van een brandweerman wordt gevonden, de vrijwilligers en brandweerlui die uit andere steden zijn gekomen, een stap opzijzetten om de FDNY hun collega zelf te laten uitgraven en wegdragen.

Plots komt er geschreeuw. Vanop de top gebaren reddingswerkers dat iedereen moet zwijgen. Het wordt stil terwijl de reddingswerkers luisteren naar verdere tekenen van leven.

"We hebben het laatste uur vier à vijf tekenen van leven gehad. Er zijn nog mensen in leven daaronder", zegt Eddy Lebon, een New Yorkse politieman die uitrust op een brokstuk van het World Trade Center. "Maar ik heb ook al drie bodybags naar beneden zien komen. Het is een nachtmerrie. En er zijn mirakels. De mirakels houden de hoop levend, maar ze geven ook veel valse hoop." Het mirakel van de dag is dat er een voertuig onder het puin is gevonden, geheel intact, met naargelang de bron twee, vijf of zes ongedeerde mensen erin. Ze zouden op eigen kracht weggewandeld zijn.

Opnieuw klinkt er geschreeuw maar deze keer is het van een heel andere orde. "Run, run, run!", klinkt het. Van om de hoek komen tientallen brandweerlui aangerend. Er staat paniek op hun gezichten. "Run, run!", roepen ze tegen iedereen die ze tegenkomen. Niemand weet wat er aan de hand is. Maar iedereen rent. Washington Street naar beneden. Telkens iemand vertraagt, schreeuwen degenen die achterop komen: "Run for your life! It's coming down!"

Zo moet het ongeveer geweest zijn, dinsdagochtend. Volslagen paniek die elk rationeel denken uitsluit. En onverwachte hindernissen. Een auto staat midden in de smalle straat tussen de langs twee kanten geparkeerde voertuigen. Plots kan er aan beide zijden van de auto maar één persoon tegelijk meer door. Ik val op de grond. Geduwd, gestruikeld, ik weet het niet. De volgende seconden vallen en lopen brandweerlui over mij heen. Ze proberen mij niet te vertrappelen maar ze willen ook door, weg van het gevaar waarvan niemand weet wat het precies is. Ik rol onder een geparkeerde auto, kruip verder, loop hinkend verder. Ik denk: ik had moeten stoppen met roken. En: wat doe ik hier eigenlijk? Zolang er mensen in leven zijn onder het puin, heeft niemand hier iets te zoeken behalve de reddingswerkers.

Washington Street mondt uit in de Battery Park-tunnel. Opnieuw is er paniek wanneer mensen beseffen dat het geen goed idee is om de tunnel in te rennen. Maar we zijn al te ver gelopen, moeten over de muurtjes van de toegangsweg en een hek heen klauteren. Gewonden worden erover getild. Hijgend komen we tot stilstand in Battery Park. Verder kan sowieso niet meer, dit is de zuidelijke tip van Manhattan. Achteromkijkend is er een nieuwe stofwolk te zien boven 'ground zero'. Delen van de gevel van Liberty Plaza One zijn naar beneden gekomen, zo wordt gezegd. Brandweerlui hebben de bovenste tien verdiepingen van het vierenvijftig verdiepingen hoge gebouw zien wankelen. De eigenaars van het gebouw zullen dat later ontkennen, ze zeggen dat de structuur van het gebouw gezond is.

Dan komt het bericht dat de geredde brandweermannen geen slachtoffers van de eerste dag waren, maar eerder op de dag waren bedolven onder het puin. Vervolgens wordt ontkend dat er überhaupt iemand gered is vandaag. Het is onbegrijpelijk: waar komt het verhaal dan vandaan dat die mensen gewoon weggewandeld zijn?

Maar zo gebeuren er wel meer dingen de laatste dagen. Een familie las op een website dat hun vermiste familielid in een van de ziekenhuizen lag, gewond maar in leven. Hun vreugde was al door de tv-camera's vastgelegd toen het nieuws kwam dat de website in kwestie volstrekt onbetrouwbaar is en dat de man nog altijd vermist is. Burgemeester Giuliani heeft op een persconferentie gewaarschuwd tegen de website. De stad New York heeft nu een eigen, officiële website.

Boven 14th Street is het leven opnieuw op gang gekomen. Het verkeer is er haast zo druk als voorheen, zelfs de toeristische paardenkoetsen zijn terug. De cameraploegen en de families van de vermisten bij het opvangcentrum in de Armory bij Lexington Avenue en 26th Street lijken tot een andere wereld te behoren. De New Yorkers hebben de raad van Giuliani ter harte genomen. Nog geen drie dagen heeft het geduurd voor New York opnieuw is opgestaan. Slechts twee nachten is het stil geweest in de 'city that never sleeps'.

's Avonds, in cafe 288 op de hoek van Houston Street en Elisabeth Street, kunnen we erom lachen. "We gaan terugslaan door allemaal tegelijk te gaan shoppen", zegt iemand, "dat zal ze leren, die terroristen." "Nog een geluk dat ze de Chrysler Building of de Empire State Building niet hebben gekozen", zegt Osvaldo Valdes, een architect, "dat zou pas een ramp zijn geweest." Iemand anders heeft op straat gezien hoe mensen brokstukken van het World Trade Center verkochten tegen tien dollar per stuk, alsof het de Berlijnse muur was. De eerste T-shirts met afbeeldingen van de Twin Towers op het moment van de impact circuleren al. Vrijdagochtend waarschuwde burgemeester Giuliani tegen zogenaamde telemarketingfirma's die senioren opbellen en schenkingen vragen voor de slachtoffers. "Bel de politie en zeg ons wie u gebeld heeft. Dan kunnen wij deze mensen in de gevangenis stoppen." Ook dat New York is terug van even weggeweest.

Drie dagen geleden was het nog maar. Het lijken weken. Er wordt gezegd dat nieuwe inwijkelingen zich na verloop van dertien maanden een New Yorker mogen noemen. Maar de voorbije drie dagen zijn een spoedcursus geweest. Durf ik het te zeggen, of doet Dubya het straks wanneer hij in New York aankomt? Ich bin ein New Yorker.

'Ik denk: wat doe ik hier eigenlijk? Zolang er mensen in leven zijn onder het puin, heeft niemand hier iets te zoeken behalve de reddingswerkers'

'Boven 14th Street is het leven opnieuw op gang gekomen. De New Yorkers hebben de raad van Giuliani ter harte genomen. Nog geen drie dagen heeft het geduurd voor New York opnieuw is opgestaan'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234