Maandag 25/01/2021

Een cirkel vol onmogelijkheden

Rudi Rotthier Nell Stroud over de fantasieën van het circus

Als telg uit een Engels bourgeoismilieu reisde Nell Stroud gedurende drie jaar met circussen mee. Eerst als stalknecht, later als spreekstalmeesteres en als paardenkunstenares. Binnenkort wil ze in haar eigen circus paardenballet en Ierse muziek combineren, maar voor ze zover is, publiceert ze een boek over de bewogen eerste zesentwintig jaar van haar leven, Circusmeisje.

Ze lijkt helemaal niet op de foto's die van haar zijn verspreid. Ze is groot, benig en gespierd. Ze rekt haar armen hoog boven haar hoofd en laat haar biceps uit een mouwloos hemdje rollen. Ze tuit haar lippen zoals Mick Jagger, en deelt ook zijn accent en zijn timbre. Ze knipoogt onophoudelijk naar me, wat, zoals ze snel duidelijk maakt, met contactlenzen te maken heeft. "Ik trouw immers volgende week." Ze stottert lichtjes. "Voor een deel ben ik bij het circus gegaan om mijn zelfvertrouwen op te krikken."

Hoewel er geen rechte lijn te spannen valt van haar privé-geschiedenis naar haar circusavontuur, denkt ze zelf dat ze waarschijnlijk zonder privé-tragedie een veel traditioneler leven zou hebben geleid. Ze werd opgevoed in een vrij traditioneel gezin, met een vader die tv-films regisseerde en een moeder die voor de kinderen zorgde en, zoals haar twee dochters, dol was op paarden.

Nell was achttien. Haar moeder ging een ritje maken. Ze was een paar uur weg toen een buur kwam melden dat het paard op beton was uitgegleden, dat haar moeder was gevallen, onder het paard terecht was gekomen en naar het ziekenhuis werd afgevoerd. Haar moeder overleefde het ongeval, leefde een tijdje voort 'als een plant', won heel traag en heel gedeeltelijk een deel van haar vermogens terug. Ze leeft nu zonder dat ze kan praten, zonder dat ze voor zichzelf kan zorgen, zonder dat ze beseft wat er in de buitenwereld gebeurt, en wie wie is.

Enkele weken voor het ongeval was Nell haar studies in Oxford begonnen. Engels. Dickens onder anderen, die over circussen schreef. "Ik was mijn moeder kwijt, en mijn jeugd was voorbij."Ze kon het dubbel verlies niet aan en besloot dat haar enige verweer erin bestond haar leven drastisch te wijzigen.

Was ze tot dan door circussen gefascineerd? "Niet echt. Voorzover ik mij herinner wou ik apen dresseren. Dat was mijn grote kinderobsessie. En ik hield van paarden. Omdat mijn vader regisseerde, liep ik vaak op een set rond en wist ik wel wat van film en theater af. Ik leerde dat er buiten de echte, stevige wereld, een showwereld bestaat, een fantasiewereld. Dat als je tegen een lantaarnpaal leunt, hij waarschijnlijk omver zal vallen. En dat die fantasiewereld met omvervallende lantaarnpalen mij beter beviel dan de echte. Dat fantasie-element vond ik terug bij het circus.

"Ik zocht aliënatie, desoriëntering, irrealiteit, ik wilde nergens bij horen, nergens thuis zijn, geen identiteit hebben." Dat alles vond ze, samen met paarden, bij het circus terug. Ze werd wat in Britse circussen een josser wordt genoemd, een buitenstaander (Josser is ook de Engelse titel van haar boek). Een bewonderende buitenstaander eerst. "Wat me bij circusartiesten fascineerde, is dat ze het vermogen schijnen te hebben zichzelf te blijven. Wat er ook gebeurt. Je kunt ze alles ontnemen, ze zijn weerbaar. Waar ik opgroeide, was dat wel even anders: als je daar de mensen iets ontneemt, liggen ze zo in de goot."

Waarom lieten de circussen haar toe? "Ze hadden behoefte aan werkkrachten. Een circus is enorm arbeidsintensief. De dierenwagens moeten uitgemest worden, er is secretariaatswerk te doen, de paarden moeten eten en schoongemaakt worden, er moet reclame worden gemaakt, er moeten kaartjes worden verkocht, kinderen moeten worden rondgeleid. En ik was dan weliswaar een buitenstaander, ik was geen leek. Ik was opgegroeid tussen paarden, ik wist hoe ermee om te gaan. Ik was dus bruikbaar. En ik was ook uitbuitbaar. Ik was die eerste maanden zo gek bijna dag en nacht te werken, voor een hongerloon.

"Ze vertrouwden me natuurlijk niet. Ze dachten dat ik spioneerde voor het Animal Liberation Front. Ze hielden me op een afstand, al heb ik later geleerd dat ze elke josser op een afstand houden."

De eerste circussen waarin Nell Stroud terechtkon, waren van de berooide soort. De eigenaars waren slavendrijvers, brullers, er werd geslagen en bedrogen. Maar zelfs in de algehele sfeer van vergane of nog vaker ongeboren glorie vond Stroud af en toe een moment van inzicht, een lief, een ontmoeting die de ellende draaglijk maakten.

Ze had wel de hardheid van het leven onderweg onderschat. "Je denkt: o, elke zondag reizen, wat leuk. Maar dan blijkt dat circussen niet zomaar rondreizen. Een circusreis is eerder een militair manoeuvre. Afbreken, inpassen, inrukken, in colonne rijden, bij voorkeur 's nachts als er niets te zien is, aankomen op een verloederde plek, opbouwen. Onderweg blijkt de mayonaisepot uit het rek van je caravan aan stukken gevallen te zijn, zodat je bed onder de troep zit. Je kunt nergens slapen, je hebt geen reservedekens, je hebt geen water en geen douche, en als er al water uit een pijp sijpelt, gaan de dieren voor. In die eerste periode heb ik ongelofelijk veel energie besteed aan het zoeken naar een wasmogelijkheid. Gaandeweg kreeg ik het idee dat mijn uitgangspunt - los te komen van mijn eigen context - fout was. Ik wou wel degelijk ergens thuishoren."

Ze vond een tijdlang troost en medeleven in de armen van een Hongaar ("ik heb gisteren nog naar zijn foto zitten kijken"), maar toen het circusseizoen eindigde werd ze geconfronteerd met een eigenaardigheid van het circusbestaan die ze maar moeilijk kon verkroppen: circusartiesten hebben geen geheugen voor menselijke relaties. "Iemand heeft een boek geschreven met als titel: Ik hou van jou, schat, maar het seizoen is voorbij. Dat is het helemaal. Als circusartiesten niet bij elkaar zijn, spreken ze over elkaar als over doden. Iedereen kent iedereen in het wereldje, velen zijn verwant, maar niemand praat. Mijn vriend ging naar een ander circus, wat betekende dat ik uit zijn hoofd verdween. Totaal.

"In den beginne was ik altijd enthousiast als ik een gemeenschappelijke kennis met iemand had. Ik wilde dan onmiddellijk vermeende breuken herstellen. Zo van: hier heb je zijn telefoonnummer, hij zal het zeker prettig vinden als je hem belt. Daar werd op gereageerd alsof ik in de kerk vloekte en boerde tegelijk. Zo zijn deze mensen niet. Alle contacten buiten het eigen circus verzwakken de groep. Wie de groep verlaten heeft, hoort elders bij. Als je met die persoon contact houdt, verklap je willens nillens je geheimen, je reisroute, je nieuwe attractie, die altijd makkelijker te imiteren en te verbeteren valt dan uit te vinden. Over standplaatsen wordt tussen circussen gevochten."

Kort na de breuk met de Hongaar knakte de veer, Nell liet haar mayonaisekleurige caravan achter en vluchtte tijdens een sneeuwstorm halsoverkop naar een tante. Na enig respijt besloot ze de zaken professioneler aan te pakken. Ze overwoog les te volgen om in plaats van stalknecht zelf circusartieste te kunnen worden. Circusouders en circusdocenten beoordelen kinderen op hun fysieke en psychische capaciteiten. Wie niet de vereiste beenderen en spieren heeft, komt niet aan de trapeze. Nog voor Stroud had uitgemaakt voor welke branche zij geschikt zou zijn, kwam een voorstel uit de hemel neergedaald. Het Franse familiecircus Santus bood haar de rol van ring mistress aan, spreekstalmeesteres, een functie die geen zware opleiding vereiste.

Ze leidde de attracties in en uit. Eerst te voet, later te paard. Ze doste zich uit in netkousen, glitter en klatergoud, laarzen, een showpakje en een hoge hoed, en voelde zich "ergens tussen een revuemeisje en zo'n vrouw die de bordjes omkeert tijdens een tv-quiz".

"Ik was dol op die baan. Ik ben altijd pathologisch schuchter geweest. Op school slaagde ik er fysiek niet in aan het schooltoneel deel te nemen. De spanning maakte me misselijk. In het openbaar spreken durfde ik al evenmin. En ineens werd ik geacht in mijn bijna blote kont een publiek te vermaken. Ik kan niet zeggen dat ik een ander mens werd, verre van, maar iets dat in mij opgesloten had gezeten, kwam eindelijk naar buiten. Ik heb me nooit zo vrij gevoeld als toen."

Dat moet je uiteindelijk kunnen, zegt ze, als je in een circus wilt overleven. "Immens genieten van je ogenblikje in de schijnwerper, en dan de rest erbij nemen, de verveling, de routine, de ongemakken."

Stroud ontwikkelt zich in haar boek bij momenten tot een circusfilosofe. "Het circus", poneert ze, "is de oervorm van spektakel. Alle andere vormen van theater en spektakel zitten erin vervat. Het trekt kinderen aan maar het is tegelijk ook erotisch, het ene doet geen afbreuk aan het andere.

"De cirkelvorm van het circus intrigeert me. Een paar dagen geleden ging ik wandelen. Ik moet verkeerd gelopen zijn, want ineens stond ik in een wei te midden van koeien. Die koeien vormden spontaan een cirkel, ik was omringd door een perfecte cirkel van nieuwsgierige koeien. Die beesten zullen nooit of te nimmer spontaan in rijen gaan staan, de circuscirkel ligt dus minder ver van ze af dan de theaterrijen. En toch is het rondreizend circus met een tent en zo een vrij recente uitvinding, nog maar een paar honderd jaar oud.

"Het circus is onpretentieus spektakel in die zin dat het niet didactisch is, het vertelt geen verhaal, het verkondigt geen boodschap, het wil niets bewijzen. Het is er gewoon. Maar die pretentieloosheid maakt het nogal universeel, het circus negeert grenzen van leeftijd, taal, cultuur. Ieders fantasieën komen in het circus aan bod. Kinderen proberen de paarden aan te raken, volgens mij om zich ervan te vergewissen dat de dieren wel degelijk bestaan.

"Dat is het altijd. Het lijkt onmogelijk, je gelooft het niet en toch zie je het. Het circus biedt echte, onmogelijke fantasieën. Mijn vriend, mijn toekomstige, kwam voor het eerst naar het circus omdat hij van vrouwen in netkousen houdt. Dat kan dus ook.

"In het Duitse circus waar ik het laatst voor werkte, was er een verbluffend acrobatenspektakel. De man balanceerde een vier meter lange paal op zijn voorhoofd. Op die paal hurkte een vrouw. Met vrouw en paal op zijn hoofd klom hij op een andere paal, tot de vrouw een ballon in de nok van de tent kon grijpen. Je gelooft je ogen niet wanneer je dat ziet. Dat is halsbrekend - en toch gebeurt het. De man vertilt zich elke avond. Ook dat hoort erbij. Hij zal binnenkort aan zijn nek geopereerd moeten worden. Misschien wordt die attractie zijn dood."

Circuslui zijn de gelukkigste mensen ter wereld. Stroud neemt het citaat ergens in haar boek op, om het meteen te verdrinken in verhalen van alledaagse ellende. "Het circus is tegelijk heel romantisch en pittoresk, en hard, gevaarlijk, wreed. Lelijk en mooi. Het circus is een vreemde plek. Het leven is er niet normaal. Het circus trekt vreemde gozers aan. Er zijn altijd wel opstootjes rond het circus. Iemand kocht een kaartje en begon ineens te roepen: 'Ik gehoorzaam de wetten van mensen niet.' Steeds opnieuw: 'Ik gehoorzaam de wetten van mensen niet.' Uiteindelijk droop hij af, nog altijd roepend. Af en toe worden er lijken in de buurt van een circus aangetroffen. Niet dat circuslui moorden plegen, maar circussen trekken dat op de een of andere manier aan.

"En alles wat gebeurt, wordt met de tijd erger. Iedereen in het wereldje liegt of overdrijft, maar alles kan waar zijn. Je gelooft dus alles en niets. Er kwamen eens twee meisjes naar de voorstelling van Santus kijken. Graatmager, niet ouder dan twaalf, elk met een kinderwagen en een baby. Ze beweerden bij hoog en bij laag dat zij de moeders van de baby's waren. Dat kon niet, maar misschien toch ook wel. Hoe weet je zoiets? Circusartiesten geloven dat eigen bloed minder liegt dan buitenstaanders. Een reden te meer om jossers te wantrouwen.

"Bij zo'n circus besef je ook hoe waarzeggers kunnen ontstaan. Eva, de vrouw van de baas van Santus, zat vele jaren, avond na avond, aan de kassa. Daar leer je mensen met een oogopslag in te schatten. Zij kan mensen in een seconde doorgronden, aan de hand van de manier waarop ze lopen, van de manier waarop ze hun autodeur dichtslaan. Wat ze vertelde over hun leven en hun beroep, bleek doorgaans te kloppen."

Het relatieve enthousiasme van het publiek voor het circus wordt door de overheid zelden gedeeld. "Ik kan me moeilijk uitspreken over andere landen maar in Groot-Brittannië zijn circusartiesten steeds minder welkom. Zelfs al hebben ze alle vergunningen, dan nog worden mensen uitgewezen. Bij Santus heeft de BTW-dienst een raid georganiseerd en op één na alle vrachtwagens in beslag genomen. Vreemd toch dat men probeert achterstallige belastingen te innen door het circus arbeidsongeschikt te maken.

"Als we ergens een affiche ophingen, werden we beboet. We werden beboet omdat de waterleidingen niet reglementair waren. Onze vergunning werd afgepakt omdat er paarden voor het circus werkten. We werden fysiek aangevallen door dierenvrienden, hoewel de dieren in het circus doorgaans beter behandeld worden dan de mensen - niemand die zich zorgen maakt over de rechten van de mensen. Ik weet eigenlijk niet waarom het circus al die agressie opwekt. Misschien staat de behuisde mens nog altijd wantrouwig tegenover de reiziger. Ik heb ook de indruk dat er een nieuwe epidemie door de wereld waart, een besmettelijke vorm van vreugdeloosheid, die alle vertier en spektakel bemoeilijkt of onmogelijk maakt."

Is het circus eigenlijk nog leefbaar?

"Als het goed aangepakt wordt wel. Je zou zelfs kunnen spreken van een heropleving van het circus, met originele groepen als Cirque du Soleil. Santus is een klein familiecircus, dat wantrouwig staat tegenover de moderne tijd. Daar gelooft men de tent te kunnen vullen door twee affiches te verspreiden. Wat natuurlijk nog zelden lukt. Maar het laatste circus waar ik werkte, was heel rendabel."

Stroud wil nu met een eigen circus de baan op. Ze wil een haute école-spektakel (een paardenballet) vermengen met live gebrachte Ierse folk. Ze wil de afwijzende reacties van gemeentebesturen en actiegroepen ontzenuwen met een programma dat gehandicapte kinderen met de paarden in contact brengt. Ze wil logistieke problemen verminderen door op landbouwbeurzen aan te treden. Ze wil circusromans schrijven om haar project te financieren.

Ze willen schrijven over de gloriedagen van het circus, in de vorige eeuw, toen paardendressuur een hoofdattractie vormde, toen het circus avant-garde was en geschilderd werd door Toulouse-Lautrec.

"Er werd beschreven hoe een ruiter zich met niets anders kleedde dan met een bijenzwerm. Hoe hij dat klaarspeelde wordt er niet bij vermeld, maar dat lijkt me wel wat: gekleed in een bijenzwerm. Dat is de fantasie die het circus nodig heeft."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234