Maandag 06/04/2020

Een bovenste beste vent

Filip Rogiers / Foto's Filip ClausNelly Maes van Vlaanderen naar Europa

Ze mocht alles van haar vader, behalve in de politiek gaan. Vroeg zich als tiener al af waarom vrouwen niet over politiek mochten praten. Spoelde per vergissing op de tweede feministische golf aan in het parlement als mevrouw Nelly Van der Eecken. Ging door de woestijn en kwam weer. Met haar overstap deze week naar het Europees Parlement betreedt ze haar vierde politieke huis. 'Ik ben sowieso niet geschikt voor luiheid, maar zelfs als ik merk dat ik in het straatje van de gewoonte sukkel, moet ik weg.' Uren met Nelly Maes tussen Brussel en Straatsburg, maar het Land van Waas is nooit ver weg.

Al een week op voorhand zat ze zich in Brussel op te winden over de spreektijd die ze zou krijgen in Straatsburg: twee minuten. Twee! En er moest zoveel verontwaardiging in, alweer. Over het kwetsbare gebied Vlaanderen en de mestplaag. Zoveel om je over te ergeren, altijd weer, al jaren.

Maandag is het rennen en vliegen, onderweg in de auto van Brussel naar Straatsburg neemt ze het McKenna-rapport door. Vlaanderen wordt voor de zoveelste keer op de vingers getikt. Te veel varkens, te veel mest, te vuil water. Ze doorploegt de suggesties die haar medewerker Bart Staes voor haar tussenkomst op papier heeft gezet. Staes heeft vijftien jaar voor Jaak Vandemeulebroucke gewerkt. Terwijl hij angstvallig de ogen op de weg houdt, bestookt de VU-politica hem met vragen over nitraten en ander gif. "En hoe zit het dan met... Nee, wacht, ik zal het eerst volledig lezen." Of nee, geen tijd voor: "Twee minuten?! Krijg ik echt niets meer? Ik heb stof voor een uur." Staes laat zich bijna van de baan rijden door een vrachtwagen vol varkens. Maes heeft altijd stof voor vele uren.

In Straatsburg is het rennen om de plenaire zitting te halen. Voor het debat over het McKenna-rapport is de immense aula bijna leeg. Alleen de ingeschreven sprekers en Karel Dillen, altijd op zijn stoel gebeiteld, zijn er. Vijf sprekers gaan Maes voor. Ze blijven binnen hun tijd. De een heeft aan 1 minuut en 4 seconden genoeg, de ander klopt af op 1 minuut en 58 seconden. En dan krijgt de Vlaamse nieuwkomer het woord. De tijd tikt en blijft tikken. Ze doet het, ze doet het. Twee minuten en 59 seconden. De voorzitter berispt haar minzaam. "Mevrouw, ik weet dat twee minuten weinig is, dus ik zie het door de vingers. Het is uw maidenspeech. U leert het wel." Iets later maakt Europees commissaris Neil Kinnock haar naam: "Ik wil mevrouw Maes feliciteren met haar maidenspeech. Dit is haar eerste dag. Ze is nog geen twee uur lid van dit parlement en ze slaagt er al in om het woord te krijgen. En ze neemt drie minuten in plaats van de twee minuten die haar waren toegemeten. Haar fractiegenoten mogen tevreden zijn: in plaats van één hebben ze er anderhalf parlementslid bij."

's Avonds vieren we in een Straatsburgs restaurant haar eerste overwinning, die op de genadeloze tijdklok. "U hebt mij verschalkt", horen we plots aan een belendend tafeltje. Het is de man die in het Europees Parlement de chronometer hanteert. "U bent de opvolger van smelly Jaak, niet?" Maes verslikt zich bijna in de pinot noir. Staes moet voor de zoveelste keer tijdens Maes' eerste dag in Straatsburg duiding geven. Toen de Europese douchecellen van een half miljoen de internationale pers haalden, zei Vandemeulebroucke voor de microfoon van de BBC: "Why do we need those showers anyway? I haven't used them in fifteen years."

Straatsburg is een kluit groot, één week per maand zitten de honderden parlementsleden en hun gevolg er op elkaars lip. Een ommetje maken zit er niet in. Een half uur na haar aankomst staat Karel Dillen al op haar pad. Sinds het vertrek uit Brussel maandagochtend ziet Maes flitsen uit haar eigen geschiedenis voorbijtrekken. Brokken ook, in het geval van Dillen. Herinneringen aan bitsige ruzies, vitriool in 't Pallieterke, gestook op besloten partijvergaderingen. "Dillen is een zeer belezen man, een product van de rationele rechtse school uit Frankrijk, zeer voorkomend, zeer beleefd. Waste zijn handen in onschuld toen het VMO mij uit betogingen kwam kloppen. Wat ze overigens niet lukte, ze hadden te lang op café gezeten en waren ladderzat. Ze kregen alleen een mankende Volksunie-jongere te pakken. Dillen is een echte heer, maar ik heb het altijd een azijnpisser gevonden."

Enkele uren eerder liep ze iemand tegen het lijf uit het andere politieke uiterste van haar leven. Op het parkeerterrein van een wegrestaurant in Luxemburg. Een wat sjofele man, met twee sandwiches in een plastic zakje en een volgepakte oude auto, groet haar joviaal. Het is een oud-communist, een compagnon de route met wie ze menig keer opstapte van Noord naar Zuid in Brussel, tegen de oorlog in Vietnam, tegen de raketten. Hij houdt het voor bekeken in België, puft nu over de Autoroute du soleil zuidwaarts, naar Spanje, waar hij een huisje heeft gekocht.

De tijden veranderen, maar Maes bleef in de politiek. "Klappen zijn er genoeg geweest. Na Zwarte Zondag in 1991 zonk de moed mij ook in de schoenen, maar ik recupereer snel. Ik heb er echt ernstig over nagedacht om te stoppen met de nationale politiek in die rottige periode voor en na Jaak Gabriëls' overstap naar de VLD. De partij was een slangenkuil geworden. Iedereen keek naar iedereen: wie blijft, wie vertrekt. Dodelijk was dat voor het enthousiasme. Ik wilde terug naar de lokale politiek, keerde weer naar mijn geboortedorp Sinaai. Maar de partij wilde mij dan toch weer naar het Vlaams Parlement. En nu zit ik hier, in Europa, nog verder van huis. Maar ik blijf in Sinaai wonen, op een stukje van de grond waar mijn betovergrootouders boerden. Ik neem de Vlaamse mest mee naar Europa."

Maandag, 18.37 uur. Nelly Maes begint haar maidenspeech: "Voorzitter, ik kom uit een streek waar geen enkele waterput nog drinkbaar water levert."

José Happart, fruitboer, komt haar begroeten. "Ik keer vanavond nog terug naar Voeren. Ik neem vandaag ontslag als eerste schepen." Alweer het einde van een periode. Waalse vrienden heeft Maes genoeg. Het heeft maar een haar gescheeld of ze was in het Waalse dorpje Paliseul geboren. Haar vader wilde er een boerderij kopen, maar moeder was er tegen. In 1941 werd kleine Nelly geboren, een meisje uit Sinaai. Een dorp met de geur van mest en warme koeienflanken. Een dorp met een Boerenstraat waar ze de verboden vrucht die politiek heette, als een snoepje naar binnen werkte.

"Er gebeurden rare dingen in het dorp. Eind jaren veertig kwam ik op weg naar tante Lisa met een kannetje melk elke dag voorbij een verwoest huis. Er woonden twee juffrouwen in het achterhuis. Ze hebben de schade aan hun huis nooit hersteld, uit protest. Niemand heeft ooit geweten wat ze met de Duitsers te maken konden hebben. Ook een oom van mij ontsnapte aan de dood toen de schuur van mijn moeders ouderlijke huis in brand werd gestoken. Anti-Duits, en toch gepakt door de witten. Maar thuis werd daar met geen woord over gerept. Er werd alleen gefluisterd. Ik vergeet het nooit. Ik zie mijn moeder voor het raam staan, zon op haar gezicht, tranen. Het maakte me verschrikkelijk nieuwsgierig naar politiek."

In de jaren vijftig sukkelden de boeren van Sinaai in een crisis. De markt stortte in elkaar door de massale import van soja. Iets later kwamen de hormonen, waar Maes' voorganger in het Europees Parlement decennia later zijn politieke strijdros van zou maken. "Ik herinner mij de discussies thuis. Deden we mee met de hormonen of niet? Zonder kon je bijna niet overleven. Mijn vader is dan maar met pensioen gegaan. Er was veel verdoken werkloosheid op de boerenhoven. De socialisten hadden er geen oog voor in het Land van Waas. De boerderijen waren te klein, er was een ontstellend gebrek aan kostwinners. Ik was de oudste van zes kinderen en ik moest zo snel mogelijk gaan werken om de familie mee te onderhouden. Op mijn negentiende stond ik voor de klas. De eerste jaren heb ik uitsluitend voor thuis gewerkt."

Kleine, nieuwsgierige Nelly. Ze was tien jaar toen ze haar oor tegen de radio drukte om de verkiezingsuitslagen te volgen. "Ik stond op mijn tenen op een stoel om bij die immens grote radio te komen. Op een dag ging er een schok door Sinaai. Het dorp was ontsnapt aan een ramp. Bij de gemeenteraadsverkiezingen was er bijna een socialist verkozen. Stel je voor! Het goddeloze ongeluk was alleen vermeden doordat de seizoenarbeiders uit Frankrijk nog niet terug waren. Ik vertelde dat op school aan juffrouw Irma. Ze was in alle staten en ze ging het in het Frans doorvertellen aan haar collega's." Maes snuift. "Die schooljuffen kenden niets van politiek."

Er was niemand die Nelly naar de politiek joeg, en daardoor holde ze er des te sneller zelf naartoe, eigenwijs als ze was. "Ik spelde de krant vanaf het eerste studiejaar. Als kind supporterde ik kort na de oorlog voor de ondertussen lang vergeten UDB, Union des Belges. Het was mijn partij alleen maar omdat ze zo klein was en omdat ze zo'n mooie naam had. 'Dudebisten' verstond ik altijd. Het was een samengaan van christen-democraten en communisten, leerde ik later. Mijn vader zei dat ik alles mocht doen, behalve in de politiek gaan. Hij vreesde voor stenen in de ruiten. We hebben ons snel verzoend, hij is later mijn grootste fan geworden. Het is mijn man geweest die mij heeft aangepord om in de politiek te gaan. Ik kwam in de VU zonder Vlaams-nationalistische geloofsbrieven, ik kwam uit de vredes- en vrouwenbeweging."

"Wat?! Die beestenkopersdochter naar het parlement? Dat meiske uit Sinaai? Niet, nooit met ons."

"Dit hier is toch geen echt parlement", vertrouwt Karel Dillen haar in Straatsburg toe. "Toch wel", insisteert Maes. Ze hoopt dat iemand haar komt verlossen van de hoffelijke, hoogbejaarde man - de man die haar ooit het bloed onder de nagels vandaan haalde. Met hun tweetjes verpersoonlijken ze een dramatische brok politieke geschiedenis. Een microkosmos van links en rechts in Vlaanderen tijdens de Koude Oorlog, een verhaal van rooie ratten en zwartzakken.

In 1971 kwam Maes voor het eerst in het Belgisch parlement. Per abuis. Dillen en zijn medestanders in de VU konden haar er niet snel genoeg weer weg krijgen. "De VU was euforisch. Ze waren met glans over de verkiezingsdrempel gesprongen, en wat meer was, ze hadden een vrouw als verkozene. Dat dachten ze tenminste. De fout bleef drie dagen onopgemerkt. Ik bleek namelijk helemaal niet verkozen te zijn als tweede na Maurits Coppieters. Coppieters is dan maar naar de Senaat gegaan, zodat ik in de Kamer kon blijven als opvolger. In 1974 zou ik de kop van de lijst trekken. Maar tegen die tijd had ik al zoveel carrièreplannen van anderen doorkruist dat het genoeg was geweest. Ik was de hond in het kegelspel, een hond zonder stamboom bovendien. Ze zetten alles op alles om mij van de eerste plaats te houden. Ik werd aangepakt op mijn progressiviteit en mijn vrouw-zijn. Het was de tijd van de debatten over abortus, van de betogingen tegen de oorlog in Vietnam en de apartheid. Maar ik haalde het toch. Tot ze in 1978 de totale oorlog tegen mij begonnen. Door het Egmontpact verloor de VU een derde van haar stemmen. Op de nacht van de verkiezingen zat ik in de televisiestudio van de BRT. Het was alsof ik mijn stoel van onder mij weggetrokken voelde worden."

"Toen ben ik drie jaar door de woestijn gegaan: geen werk, een beginnend gezin en pas gebouwd. Het zag er aanvankelijk naar uit dat het nog langer zou duren. Mijn tegenstrevers hadden gezworen: ze is nu weg, ze blijft weg. Er was een echt kolonelsregime in het Land van Waas. Er werden dossiers tegen mij bijgehouden, in 't Pallieterke schreven ze over 'rooie Nelly' en deden ze een oproep tot de socialisten om mij alstublieft over te pakken, ik kreeg schrijf- en spreekverbod. Dat had natuurlijk een averechts effect. Mijn engagement heeft het niet geschaad, maar het genas mij wel van enkele illusies over het politieke bedrijf. Je mag nooit te veel opgaan in je parlementaire mandaat.

"In 1981 moest ik genoegen nemen met de tweede plaats op de lijst, een compromis tussen de partijraad die mij steunde en het partijbestuur dat de lijsten moest samenstellen. In dat bestuur werd er op tafel geklopt: Maes moest en zou in quarantaine blijven. Maar ik sprong over de lijsttrekker heen. De VU behaalde in 1981 een overwinning die niemand verwacht had. Ik kwam in de Senaat, waar ik samen met François-Xavier de Donnea de jongste senator was. Ik zat er eenzaam te wezen. Mijn standpunt in de rakettenkwestie botste op heel wat tegenstand: er zaten fervente Navo-aanhangers in de VU. In 1985 ben ik dan weer naar de Kamer gegaan en daar ging het allemaal gemakkelijker. Ik kon mijn pacifistische standpunten verdedigen, vond een stek voor mijn strijd tegen de wapenhandel, kon mij vastbijten in de mensenhandel - al die zaken die ik nu wil meenemen naar Europa.

"De storm was gaan liggen in de VU. Het ergste getouwtrek tussen links en rechts was voorbij. Jarenlang zijn heel wat VU'ers blijven hopen op een hereniging met het Vlaams Blok. Dat speelde mee in mijn verkettering. Maar men begon in te zien dat een hereniging met Dillen en consorten niet meer haalbaar en ook niet wenselijk was. Het was voor mij al heel lang duidelijk waar dat clubje naartoe wilde. Ze waren rechts zonder meer. Dillen was al enkele jaren voor Egmont uit de partij gestapt. Coppieters was voor hem al erg, maar mijn komst deed de deur dicht. Egmont was maar een alibi, een communautaire reden die Dillen en de zijnen een electoraal draagvlak kon opleveren. Ze hebben gewacht tot op dat moment om het Vlaams Blok op te richten. Ze hebben mij nooit aangevallen omdat ik een te slappe Vlaams-nationalist zou zijn, wel omdat ik een linkse hond was. Een nuttige idioot, vonden ze. Ze namen het mij kwalijk dat ik betoogde aan de zijde van de communisten. 'Hebben de VU-jongeren de moed om in die betogingen een portret van August Borms mee te dragen? Natuurlijk niet', sneerde 't Pallieterke. Wel, de VU-jongeren van Leuven hebben het gedaan, met een portret van Borms meegelopen in de betoging tegen de oorlog in Vietnam. Toen schreef datzelfde blaadje natuurlijk dat we de nagedachtenis van Borms besmeurd hadden. De onnozelaars."

"Wijven moeten geen complimenten maken." Hoe mevrouw Nelly Van der Eecken Nelly Maes werd.

Na twee jaar voelde ze zich zo sterk in het parlementaire gezelschap van heren en haantjes dat ze op een dag de strijd aanbond met Achiel Van Acker en Louis Major. Maes handelde met voorbedachten rade. Kamervoorzitter Van Acker had de namen van de volksvertegenwoordigers voorgelezen die moesten stemmen. Op de vraag of iedereen op het knopje had gedrukt, antwoordde het jonge wicht van de VU: "Nee, meneer de voorzitter, want u hebt mijn naam niet afgeroepen." De griffier werd ontboden, keek zijn lijst na en zei dat Van der Eecken er wel degelijk op stond. "Dat klopt, maar die kan niet komen stemmen want hij is op dit moment aan het werk bij Sidmar." Van Acker snauwde: "Maakt u alstublieft geen complimenten, mevrouw." Louis Major gaf haar nog een trap achterna: onderweg naar het spreekgestoelte siste hij in haar oor dat "wijven niet zoveel complimenten moeten maken". "Ik liet prompt een Belga-bericht opstellen. Het was de tijd van de tweede feministische golf, en het gevolg was dat Major vragen kreeg over het incident. Zelfs mevrouw Major, die nergens van af wist, kreeg een microfoon onder de neus geduwd. Iets later pakte een feministisch tijdschrift uit met een rubriek onder de titel: 'Wijven moeten geen complimenten maken', en zo is die frase een eigen leven gaan leiden.

"Ik liet het die dag niet bij een symbolenstrijd. 'Kijk eens hoe de vrouwen hier aangeduid worden', daagde ik uit. 'Weduwe X, mejuffrouw Y, mevrouw Van der Eecken-Maes.' Je kon aan alle namen van de vrouwen hun burgerlijke stand aflezen. Ik vroeg wat ze zouden doen als er vijftig procent vrouwen in het parlement zat. 'God beware me', zei de griffier. De verschrikking stond op zijn gezicht te lezen. Ik raasde maar door. 'Hoe zit het met de mannen hier? Ik zou wel eens willen weten welk wild hier rondloopt, waar de weduwnaren en de jongelingen zitten.' Er was op dat moment een Franstalige politica die gescheiden was maar die voor de rechtbank had bedongen dat ze de naam van haar echtgenoot verder mocht gebruiken om haar politieke carrière niet te schaden."

Een 'bovenste beste vent', zo werd Maes onlangs in Humo getypeerd. "'Een partij die in het Land van Waas een vrouw op kop zet, pleegt zelfmoord', had een CVP-senator mij al in 1974 gezegd. Maar het is er dan toch van gekomen. Nadien volgden CVP en SP dat voorbeeld met Miet Smet en Magda De Meyer. Uiteindelijk waren drie van de vier verkozenen uit het Land van Waas vrouwen. De vierde was Freddy Willockx.

"Ik was veertien jaar toen ik een spreekbeurt hield over de prangende vraag: 'Past het dat vrouwen praten over politiek?' Alleen maar praten, hé! Ik leerde in Sinaai ook het feminisme kennen. De katholieke schrijfster Maria Rosseels kwam er een lezing houden voor het Davidsfonds. Ze had een boekje geschreven onder de ironische titel: 'Het woord te voeren past de man'. Bijna een halve eeuw later is de Kerk nog altijd een mannenbastion, verboden voor vrouwen. Ach, de Kerk. Daar heb ik zoals Gerard Walschap salut en merci tegen gezegd. Ik ben de laatste keer naar de zondagsmis geweest toen de bisschoppen in een herderlijk schrijven peroreerden dat de Universiteit van Leuven één moest blijven. Daarop is Leuven-Vlaams losgebarsten."

Norbert De Batselier in zijn afscheidswoord: "Net een jaar geleden hebt u mij nog eens gekapitteld met de voltreffer: 'Een parlementsvoorzitter moet waken over de intellectuele kwaliteit van het debat, niet alleen over de goede manieren en de beleefdheid'."

Als Maes kwaad is, schuwt ze geen krachttermen. Oude cynici en jonge tafelspringers in de Wetstraat vervullen haar met afschuw. Met triestigheid ook, omdat zovelen met een houding van 'na ons de zondvloed' hun best blijven doen om de afkeer van de politiek te voeden. "Parlementsleden zijn dat", bijt ze. "Geen volksvertegenwoordigers. Ik ben opgevoed met een grote vrees voor de straat, voor het populisme en de dictaturen die uit de rechtstreekse democratie kunnen voortkomen. Ik blijf op mijn hoede, maar sinds het referendum in Sint-Niklaas heb ik mijn mening herzien. Ik was er tegen onder de huidige omstandigheden, maar ik was blij verrast toen ik zag hoeveel betrokkenheid je ermee losweekt. En hoe er los van de uitslag van het referendum op z'n minst weer werd gediscussieerd. Dat is goed. Ik ben niet voor de totale rechtstreekse democratie, maar er is nog ruimte over. Laat het dus maar verder groeien, en als het de kant van te veel populisme en te weinig deskundigheid opgaat, zullen we wel weer een nieuw evenwicht moeten zoeken. Maar dat is het waard.

"De laatste twintig jaar hebben we in ons land een formele democratie gehad, wat ze in het Vlaams de politique politicienne noemen. Dat heeft de res publica verdrongen, de band tussen de verkozenen en de kiezers. Nu en dan stuurt de politiek iets bij, toegeven heet dat dan. We veranderen dan de woorden van de wet, maar niet de geest. Dat is dodelijk voor de geloofwaardigheid en dus het vertrouwen. Dat heeft mij ontgoocheld in het Vlaams Parlement. Heb je dan nieuwe instellingen, worden ze weer verwaterd. Of neem de wapencrisis van 1991. Potverdorie, dat was zo'n mooie kans. Er was die nieuwe wapenwet die een ethische code invoerde. Maar wat doen ze? Ze omzeilen het door de beslissing over de wapenhandel te regionaliseren. Zo hoefde de een niet te zien wat de ander deed en bleef de wapenwet een dode letter.

"We zijn meesters in window dressing. Daar ligt volgens mij de kern van de afkeer van de politiek. De terminologie van de verandering wordt overgenomen, maar de wetten die we maken dienen gewoon om de ergste wind uit de zeilen te nemen en voort te varen. Of kijk naar de vrijemarkteconomie: je brengt schijnbaar sociale correcties aan, maar ondertussen handhaaf je mondiaal de uitbuitingsmechanismen. Dat bedrog houd je niet vol. Er komen calamiteiten en stommiteiten van. Dan sturen de Italianen La Cicciolina naar het parlement en de Vlamingen Jean-Pierre Van Rossem. Dat is het winstpunt van de Witte Mars, hoop ik, dat de mensen beseffen dat je niet alleen andere, maar ook ernstige politici nodig hebt. Wat doet het ertoe hoeveel mensen er op de herdenkingsmars waren? Wat telt is dat er mensen zijn die niet willen blijven foeteren, maar er zich zelf mee gaan bemoeien. Het is nogal wiedes dat je het grote publiek niet elke dag op de straat krijgt. Het zal voortduren tot er overal weer wat meer respect voor de res publica komt."

Een afscheidsbriefje van Jaak Vandemeulebroucke in het lege bureau met de ongebruikte douche. "Beste Nelly, ik weet dat je het straks uitstekend zal doen. In de onderste schuif vind je een fles Elzasser-wijn, om je hier aan te passen."

"Als jonge politica wou ik vooral mijn kwebbel laten horen. Hou ouder ik word, hoe belangrijker ik het vind dat ik ook iets concreets kan veranderen. Met de jaren ben ik ook alsmaar meer belang gaan hechten aan vrienden in de politiek. Ik verlaat een knusse assemblee waar ik iedereen kende, waar ik vrienden over de partijgrenzen heen had. In Europa moet ik die weer gaan zoeken. Ik ben al lang volksvertegenwoordiger, maar nooit lang in hetzelfde huis. Het houdt mij alert, dat is het voordeel van zo'n wisselvallige carrière. Ik ben sowieso niet geschikt voor luiheid, maar zelfs als ik merk dat ik in het straatje van de gewoonte sukkel, moet ik weg."

In die dertig jaar politiek is ze haar eigen straat vaak voorbijgelopen. Haar huwelijk liep op de klippen, en ooit hoorde ze haar drie kinderen op de radio scanderen dat ze tegen politiek waren. "Dat vond ik zo'n mooie politieke uitspraak. Het was in de jaren zeventig, in een tijd dat de politici vonden dat een wet niet goed kon zijn als die niet 's nachts tot stand was gekomen. Dat was een kwestie van status. Larie natuurlijk. Je kunt perfect een land besturen zonder nachtelijke vergaderingen. 'Toen ons moeder voor de klas stond, hadden we anderhalve moeder', hoorde ik mijn kinderen zeggen op de radio. 'Nu hebben we maar een halve meer.' Ach, ze zijn alle drie politiek bewust, maar geen van hen wou in de politiek stappen. Een van mijn dochters overweegt het nu toch nog. Mijn tweede jeugd is begonnen toen mijn kinderen afstudeerden. Toen ze het huis uit waren, had ik meer en meer het gevoel dat de politiek mijn leven had vervuld. Ik hou nog altijd geen tijd over voor mezelf. Mijn twee dochters zijn naar Afrika getrokken, ontwikkelingssamenwerking. Mijn zoon is bezig met film. Mijn kinderen hebben alles gedaan wat ik ook wou doen."

"Toneel, ach ja. Thuis hadden we een aardappelzolder en die bouwde ik 's zomers als kind om tot een toneelruimte. Alle kinderen uit de buurt kwamen ernaar kijken. Ik plaatste schermen en vroeg 3 frank toegang. En ze kregen allemaal een boterham van mijn moeder. Dat creatieve is door de politiek een beetje verdrongen. Maar ik deed het graag. Als schepen van Cultuur in Sint-Niklaas vond ik het heerlijk om dingen in beweging te brengen. Ik zou héél graag minister van Cultuur worden. De kapelletjesgeest in Vlaanderen genadeloos neersabelen. En bruggen slaan tussen volksontwikkeling en onderwijs om mensen écht tweede en derde kansen te geven."

De tweede fles pinot noir moet eraan geloven. We klinken. "Nee, geen kapelletjes in mijn leven, geen berusting, nooit. We zullen pas rusten als het goed is. Op de verandering", zegt ze.

"Ja, dat vooral", zeg ik.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234