Dinsdag 21/01/2020

Een blik die alles doorziet Lieve Blancquaert is een kwarteeuw aan het werk als fotografe. Schrijver Erwin Mortier kent haar al veel langer: ze woonden ooit in dezelfde straat. ‘Als ik haar beelden zie, lees ik de tijd’, schrijft hij. Beelden die vanaf vandaag te zien zijn op een overzichtstentoonstelling in Gent.

ls ik je boeken lees”, zegt ze geregeld, “zie ik altijd beelden.” Als ik haar beelden zie, lees ik de tijd. Fotografie is het medium van de rouw. Uit de vloed van de tijd snijdt de sluiter één kort moment weg, vaak nog korter dan een seconde, een flinterdun membraan van licht en schaduw. Ze hangen als vleermuizen aan onze wanden, die flitsen van stilstand. Ze trekken in onze albums, opgestapeld in onze kasten, lichtvoetige necropolen op. Foto’s zijn trouwe soldaten, altijd strak in het gelid trekken ze de wacht op naast de tijd, rouwrobotten die het herinneren van ons overnemen zodat we af en toe kunnen vergeten dat alles eindig is en altijd alweer voorbij.

Over de geboorte van haar dochter zei Lieve me ooit: “Je bent een beest als je baart. Een beest. Tegelijk is het een immens sensuele ervaring. Een roes.” En ze zei ook: “Je weet, zodra dat kind uit je komt, dat het op een dag aan je graf zal staan.”

Dat is Lieve ten voeten uit.

In haar reeks portretten van vrouwen ouder dan veertig heeft ze zichzelf verstopt tussen de anderen die voor haar lens hebben plaatsgenomen: een heimelijk, enigszins weggemoffeld zelfportret. Ze is van een albasten kwetsbaarheid op die foto, en van een bikkelharde eerlijkheid. Ze keert ons de rug toe, maar kijkt ons over de schouder recht in de ogen, met de meest melancholieke blik die ik ooit gezien heb. Een traan loopt uit haar ene oog over haar wang, en dan is er haar mond, doortrokken van - van wat? Gelatenheid, spijt, treurnis, ontgoocheling? Stelt ze ons met die blik in het verleden, in het rijk van het voorbije dat nooit meer terug te halen valt, of kijkt ze ons vanuit dat voorbije met deernis aan: “Heden ik, morgen gij?”

Zij fotografeerde, ik schreef

Sinds ik dat zelfportret zag, is het alsof door ongeveer alle foto’s heen die ze in de afgelopen vijfentwintig jaar genomen heeft, die blik me aankijkt. Hij lijkt de blik geworden waarmee ik naar haar werk kijk, of misschien herken ik de blik waarmee ikzelf vanuit de vruchtvliezen van mijn eigen werk, de membranen van taal en verhaal, naar de wereld kijk. Naar onszelf en ons geploeter, onze hoop en onze wanhoop. Naar onze wandaden, onze tragiek, onze liefdes, onze zotternijen en treurnissen. Naar onze machtsspelen en onmachtsspelen, ons baren en vechten en beminnen. Naar onze oorlogen en wat de klauwen van de machtigen aanrichten in anderen, onze overwinningen en onze nederlagen, de grote en de kleine. Een blik die alles ziet, alles doorziet, die het hele bestaan in de handpalm van zijn kijken wil vatten, om het heel even te dragen. Veel meer vermogen de kunsten niet.

Ik kende Lieve als fotografe al langer voor zij me als schrijver leerde kennen. Jarenlang, van pakweg mijn vijftiende tot mijn vierendertigste, is het schrijven mijn grote geheim geweest, en eigenlijk nog steeds. Lieve fotografeerde. Ik schreef, in stilte, op een voetstap of vijftig van haar huis in dezelfde straat, in het hart van Gent. We deelden het uitzicht op een toen nog inktzwarte Nederschelde die op de luimen van haar getijden steeds weer hetzelfde walmende sop heen en weer stuurde onder onze ramen. We kwamen bij elkaar over de vloer. Toen ik nog in het Guislainmuseum werkte, hebben mijn collega’s en ik haar en Michiel Hendryckx uitgenodigd een reeks foto’s te maken van het leven in de hedendaagse psychiatrie, als verdere aanvulling van een fotografische collectie die teruggaat tot 1860. In mijn dagboeken lees ik dat ik op het feestje voor haar tweeëndertigste verjaardag was, in de gelagzaal van het intussen ter ziele gegane Hotel Den IJzer in de Vlaanderenstraat. We voelden ons wel thuis in dat aftandse etablissement, dat iets had van een verlopen burgerdame in een door motten aangestoken bontmof. Op druilerige middagen troepten werklozen en gepensioneerden er samen rond een pint, een boom kaarten of een schaakbord. Meisjes van licht allooi op naaldhakken en met felgekleurde boa’s om de hals kwamen er van het labeur van Venus bekomen of een lasagne wegwerken, voor ze terugkeerden naar hun etalage in het nabije glazen straatje. De obers leken stuk voor stuk op probatie vrijgelaten zware jongens, pokdalige bonken wier mouwen, wanneer ze de koffie serveerden, een hint van tatoeages ontblootten. Het was er goed toeven, een vergeten hoek in de stad waar lui van allerlei slag kwamen aanwaaien en berusten. Dat alles is nu weg, weggepoetst door een nieuwe eigenaar die het verrafelde, vaalgroene fluweel van de zitbanken verving door bloedrood nepleder in de hoop nette mensen aan te trekken voor zijn zaak, geen echte. Op een dag waren de ramen afgeplakt met bordpapier. “Gesloten”, stond er op geschreven. Gestikt in eigen netheid.

Ik lees in mijn dagboek ook dat ik Lieve daar ooit eens ten huwelijk heb gevraagd. Ik zie dat ik er ietwat bedremmeld aan heb toegevoegd: “Ik had nochtans enkel vruchtensap gedronken”. Ze was trouwens al vergeven, veel ernst was er niet mee gemoeid. Over het huwelijk zei ze: “Geen zorgen, ook geen illusies. We nemen het zoals het komt”. Ik heb haar altijd wijs gevonden. Ik lees ook dat ze op een zwoele zomeravond, we waren met een gezelschap op stap, in de schaduw van het stadhuis friet kocht. Ze had mayonaise gemorst. Ik vroeg of ik haar vingers mocht schoonlikken. Dat mocht. Het schept een band, waarschijnlijk.

We waren dertigers, prille dertigers. Die rare leeftijd waarop we allerlei waarheden leren kennen, ze met de laatste stuiptrekkingen van de adolescent in doosjes stoppen, catalogiseren, nummeren en van ons afzetten, denken we, terwijl tegelijk het bestaan aan het open- klappen is en achteraf bezien de koninklijke voorzomer van het leven aanbreekt. Lieve fotografeerde verder en kreeg kinderen. Ik schreef verder aan mijn kinderen, in stilte. Ze moet een van de eersten zijn geweest die iets liet weten toen mijn debuutroman verschenen was. Ik heb nergens opgeschreven wat ze zei, maar ik herinner het me nog levendig: “Nu ken ik je echt. Nu weet ik waar je mee bezig bent. Het is fantastisch zo in iemand naar binnen te kunnen kruipen en met hem mee naar buiten te kijken.”

Misschien dat we vandaag zouden zeggen: “Nu weten we wat bezig is met ons, wat in ons naar binnen kruipt”. Maar dat echt weten, doen we nooit.

Speelse interactie

Toen ze voor het Guislainmuseum die reeks over het leven in de psychiatrie kwam maken, met de mensen om en rond het psychiatrische ziekenhuis waar het museum gevestigd is, viel me haar empathie op, en ook de speelse interactie die ontstond tussen haar en de mensen die ze benaderde. Instinctief voelde ze aan wanneer ze hen ingehouden moest tegemoet treden en bij wie ze zich kwinkslagen kon permitteren, maar altijd was er samenspraak en kwam de foto voort uit een dialoog die het karakter had van een spel. Iedereen was nadien blij met zijn of haar foto door Lieve.

Ik herinner me de opening van die tentoonstelling. William, een van de mensen die ze had geportretteerd, was al om half zes op het appel, meer dan twee uur te vroeg. Een paar dagen voordien zat hij in de wachtkamer van een van de artsen van het ziekenhuis.

“Je komt toch ook?”, had ik hem gevraagd

“Wanneer?” had hij op zijn beurt gevraagd. “Vrijdag? Om acht uur? Wanneer is dat dan? ’s Avonds?”

William kon lezen noch schrijven. Als hij dat moest bekennen, keek hij nog treuriger dan anders uit die ogen van hem, waarover meer dan een waas van zwaarmoedigheid dreef. Zelfs in zijn glimlach lag altijd een droesem van treurnis. Zo heeft Lieve hem toen ook gefotografeerd, zoals hij het wilde, zijn rechterhand in een militaire groet tegen de slaap. William noemde het zijn Canadese houding, een van de vele poses die hij aannam om er de schakeringen van zijn gemoed in te uiten; een uitgebreid systeem van houdingen en gebaren, met een ongrijpbare coherentie die ook hijzelf niet geheel doorgrondde.

Hij was in de war, die avond, ook al had hij zijn ‘Engelse kepie’ opgezet, wat meestal betekende dat hij zich goed voelde. Toen ik hem zei dat hij nog meer dan twee uur zou moeten wachten voor er andere mensen zouden aankomen, liepen zijn ogen vol. De klokken waren blind in zijn wereld. Ik had er niet aan gedacht. De tentoonstelling zou ’s avonds openen. Voor William was de avond het moment dat het donker wordt, en ’s winters wordt het erg vroeg donker.

“Mensen die niet gestudeerd zijn, dat zijn toch sukkelaars”, snikte hij. “Een Engelsman zou zoiets niet meemaken.”

De Canadese houding en de Engelse kepie. Glimpen van een ander bestaan, de gedroomde mens in William. Ik toonde hem het portret dat Lieve van hem gemaakt had en zijn gezicht klaarde op: “Zie je mij lachen? Er zijn er hier niet veel die nog zo kunnen lachen.”

Een echo van Williams uitspraak hoorde ik toen ik vorig jaar met Lieve op stap was om portretten te maken, in woord en beeld, van een aantal minderjarige niet-begeleide vluchtelingen in ons land. Op een gegeven ogenblik zei de negentienjarige Isabella, die in Brazilië haar vader en haar minnaar zag vermoord worden, die haar moeder en haar dochtertje had moeten achterlaten, die in het ruim van de vrachtboot die haar naar België had gebracht herhaaldelijk misbruikt was en zwanger in ons land aankwam: “Als ik niet meer zou kunnen lachen, wat dan?”

Resten van het leven

Toen ze in de loop van vorig jaar vroeg of ze mijn moeder mocht fotograferen, zevenenzestig, wegkwijnend aan Alzheimerdementie, hebben mijn vader en ik niet geaarzeld. Bij een andere fotograaf hadden we dat wel gedaan. Mijn moeder sliep, die middag, op de bank in de woonkamer. Het licht van het raam boven de rugleuning van de bank heiligde haar vervallende lichaam. Ze lag met het gezicht naar de rugleuning gewend. Dat was niet erg, zei Lieve, en ook dat we mijn moeder niet moesten wekken. Het was stil toen die foto genomen werd. Bij haar, mijn vader, bij mij, en bij mijn moeder, die nooit meer zal weten dat die foto van haar bestaat. Hij kan nog niet in mijn plaats herinneren, zodat ikzelf wat kan vergeten. Misschien komt dat nog.

We zwegen, in de auto, op de terugweg. Dat doen we soms. De sterfelijkheid is iets wat Lieve bezighoudt. Over de foto’s die ze maakte in het oude klooster van de Minderbroeders in Gent, vlak nadat de laatste geestelijken het pand hadden verlaten, zei ze in een interview dat we samen gaven nadat die foto’s waren opgenomen in mijn dichtbundel Uit één vinger valt men niet: “De voorwerpen en uitzichten die ik heb gefotografeerd, zijn intussen verdwenen. Zoals de plooien in een bedsprei, gemaakt door een lichaam dat nog niet lang tevoren vertrokken was. Of een verzameling knopen en een stapel zakdoeken die niemand ooit nog zal gebruiken. Een kruisbeeld dat op een bureaustoel achter was gebleven, waarschijnlijk vergeten in de haast van het vertrek. Toen ik fotografeerde, werd ik bezield door de sfeer van vergankelijkheid die in het lege klooster heerste. Wat gebeurt er met mijn eigen spulletjes als ik er niet meer ben, vroeg ik me af. Mijn foto’s tonen die resten van het leven. Ik richtte me niet op de opvallende architectuur of de glasramen, maar als door een microscoop zag ik in deze verlaten voorwerpen hoe sterfelijk we zijn. Op de foto op de cover zie je een stuk zeep dat nog in een washok lag. In de groeven ervan zit het vuil van een broeder. Dat is toch ongelooflijk, dat je vuiligheid langer blijft bestaan dan jezelf.” Ze schaterde het uit, bedaarde toen weer: “Ik vind dat een interessante manier om zulke dingen te bekijken.”

Soms denken we aan de ouderdom die nu minder veraf is dan toen we dertigers waren. “We zouden met een hoop vrienden een kasteel moeten kopen en daar gaan samenwonen. We huren een bestelbusje met chauffeur en doen dan de meest zotte daguitstappen”, zegt ze soms. Ik voeg er dan altijd aan toe dat we ook knappe ziekenbroeders in dienst moeten nemen bij wie we hartstochtelijk handtastelijk kunnen worden. Het leven behoeft kermis, op tijd en stond. Maar achter die fantasieën en droomplannen schuilt een vrouw die het leven in al zijn fasen heel sterk beleeft en ze meeneemt in haar werk: de jeugd, het zoeken, het moederschap, het huwelijk, de evolutie van haar kunst - dat alles in zijn zegeningen zowel als zijn beklemmingen.

“Volgend jaar doe ik niets, niets niets!” zei ze me in de aanloop naar dit boek en deze tentoonstelling. “Niet buitenkomen, niet meer voor die of die daar en daar gaan opdraven. Ik wil mijn eigen dingen maken.”

Ik kijk er reikhalzend naar uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234