Zondag 17/11/2019

Een Amerikaanse nachtmerrie

Op een morgen in augustus bijna 20 jaar geleden maakte mijn moeder me wakker en zette me in een taxi. Ze gaf me een jas en het enige wat ze zei was: "Het kan daar koud zijn". Toen mijn moeder, een familievriend en ik op de Ninoy Aquino International Airport aankwamen, werd ik aan een man voorgesteld die ik nog nooit had gezien. Het was 1993 en ik was 12.

Mijn moeder wilde me een beter leven geven en dus stuurde ze me duizenden kilometers ver weg om bij haar ouders in Amerika te gaan wonen. Nadat ik in Mountain View, Californië, in de omgeving van de San Francisco Bay aangekomen was, ging ik naar de zesde klas en het duurde niet lang voor ik hield van mijn nieuwe thuis, familie en cultuur. Ik ontdekte dat ik gepassioneerd was door taal, hoewel ik het moeilijk vond om het verschil te leren tussen formeel Engels en Amerikaans slang. Een van mijn vroegste herinneringen is aan een joch vol sproeten in het lager middelbaar dat vroeg: "What's up?" En ik antwoordde: "de hemel" en dat joch en nog een paar andere kinderen moesten lachen. In het tweede jaar van het middelbaar won ik de spelwedstrijd door woorden van buiten te leren die ik niet deftig uit kon spreken. Het winnende woord was "indefatigable" (onvermoeibaar).

Op een dag, toen ik 16 was, reed ik op mijn fiets naar het ministerie van Verkeer dat vlakbij was om mijn rijbewijs te halen. Sommige van mijn vrienden hadden hun rijbewijs al dus ik vond dat het tijd was om er ook een te hebben. Maar toen ik de bediende mijn groene kaart gaf, draaide ze ze om om te zien of ze wel echt was. "Dit is een valse kaart"," fluisterde ze. "Kom hier niet nooit meer terug." In de war en bang fietste ik naar huis en vertelde mijn grootvader wat er gebeurd was. Ik weet nog dat hij in de garage kortingsbonnen aan het knippen was. Ik liet mijn fiets vallen, rende naar hem toe en liet hem de groene kaart zien. "Is dit een valse kaart?", vroeg ik hem. Mijn grootouders waren genaturaliseerde Amerikaanse burgers - hij werkte als veiligheidsagent, zij als dienster - en ze waren begonnen met mijn moeder en mij financieel te steunen toen ik drie was nadat mijn vaders rokkenjagerij en onvermogen om ons deftig te onderhouden ervoor hadden gezorgd dat mijn ouders uiteen waren gegaan. Grootvader was een trotse man en ik zag de schaamte op zijn gezicht terwijl hij vertelde hoe hij de kaart samen met andere valse papieren voor mij had gekocht. "Toon de kaart niet aan andere mensen," waarschuwde hij.

Ik besliste toen dat ik nooit iemand enige reden mocht geven om aan mijn Amerikaan zijn te twijfelen. Ik overtuigde mezelf dat als ik genoeg werkte, genoeg bereikte, ik het staatsburgerschap als beloning zou krijgen. Ik had gevoel alsof het verdiend kon worden.

Ik heb het geprobeerd. In de afgelopen 14 jaar ben ik afgestudeerd van de middelbare school en de universiteit en heb ik een carrière uitgebouwd als journalist die van de beroemdste mensen van het land interviewt. Op het eerste gezicht heb ik een goed leven. Ik heb de American dream beleefd.

Maar ik ben nog altijd een immigrant zonder papieren. En dat betekent dat je in een andere realiteit leeft. Het betekent dat je hele dagen bang bent om betrapt te worden. Het betekent dat je, zelfs je naasten, zelden zal laten zien wie je echt bent. Het betekent dat je familiefoto's in een schoendoos bewaart in plaats van ze thuis op de kast uit te stallen, opdat vrienden er geen vragen over zouden stellen. Het betekent dat je dingen doet - schoorvoetend, zelfs met pijn in het hart - waarvan je weet dat ze verkeerd zijn en onwettig. En het heeft betekend dat je vertrouwde op een soort van ondergronds netwerk van medestanders, van mensen die bekommerd waren over mijn toekomst en bereid waren om hun nek voor mij uit te steken.

We zijn met 11 miljoen

Er zijn naar schatting 11 miljoen immigranten zonder papieren in de Verenigde Staten. Wij zijn niet altijd wie u denkt dat we zijn. Sommigen onder ons plukken uw aardbeien of passen uw kinderen. Sommigen zitten op school of gaan naar de universiteit. En sommigen, zo blijkt, schrijven artikels die u misschien leest. Ik ben hier opgegroeid. Dit is mijn thuis. Maar hoewel ik mezelf een Amerikaan vind en Amerika als mijn land beschouw, ziet mijn land mij niet als een van haar inwoners.

Mijn eerste uitdaging was de taal. Ik had wel Engels geleerd op de Filippijnen, maar ik wou toch af van mijn accent. Toen ik op de middelbare school zat, spendeerde ik uren aan tv kijken en films kijken. Ik zette de videorecorder op pauze en probeerde de manier waarop de verschillende personages hun woorden uitspraken na te doen. In de plaatselijke bibliotheek ging ik tijdschriften, boeken en kranten lezen. Mijn lerares Engels op de middelbare school, Kathy Dewar, liet me kennismaken met de journalistiek. Toen ik mijn eerste artikel voor het schoolkrantje had geschreven, overtuigde ik mezelf ervan dat mijn naam gedrukt zien staan mijn aanwezigheid hier in dit land rechtvaardigde.

De debatten over 'legal aliens' versterkte mijn angsten. In 1994, een jaar nadat ik de Filippijnen was ontvlucht, werd gouverneur Pete Wilson herkozen gedeeltelijk wegens zijn steun voor Proposition 187, dat immigranten zonder papieren toegang verbood tot staatsscholen en andere overheidsinstellingen. Na mijn ontmoeting op het ministerie van Verkeer in 1997 werd ik me bewuster van anti-immigrantgevoelens en stereotypen: ze willen niet assimileren, ze kosten veel aan de gemeenschap. Ze hebben het niet over mij, zei ik tegen mezelf. Ik heb wel iets bij te dragen.

Om dat te kunnen, moest ik werken - en om te werken, had ik een socialezekerheidsnummer nodig. Gelukkig was mijn grootvader er al in geslaagd om er een voor mij te pakken te krijgen. Lolo was altijd al degene geweest die zorgde voor iedereen in de familie. In 1984 waren hij en mijn grootmoeder op een legale manier geëmigreerd uit Zambales. Zij kwamen Lolo's zus achterna, die met een Filippijnse Amerikaan getrouwd was die dienst deed in het Amerikaanse leger. Die zus van Lolo petitioneerde om haar broer en zijn vrouw ook in Amerika te krijgen. Toen die daar aankwamen, petitioneerde Lolo voor zijn twee kinderen - mijn moeder en haar jongere broer - om hen op hun beurt achterna te kunnen komen. Nadat mijn oom in 1991 legaal naar Amerika was gekomen, trachtte Lolo mijn moeder met een toeristenvisum naar Amerika te krijgen, maar ze kreeg er geen te pakken. Toen besliste ze om mij te sturen. Later vertelde mijn moeder me dat ze dacht dat ze snel zou volgen, maar dat is nooit gebeurd.

De 'oom' die me naar hier bracht, bleek een coyote zijn, geen familielid, legde mijn grootvader later uit. Lolo schraapte genoeg geld bijeen om hem te betalen en mij naar hier te smokkelen onder een valse naam en met een vals paspoort. Nadat ik in Amerika aangekomen was, kreeg Lolo een ander vals Filippijns paspoort te pakken. Daarmee gingen we naar het socialezekerheidskantoor en vroegen een socialezekerheidsnummer en dito kaart aan. Dat was, weet ik nog, een kort bezoek. Toen de kaart in de post zat, stond mijn volledige en echte naam erop, maar er stond ook op dat ze alleen geldig was voor werk dat door de immigratie- en naturalisatiedienst goedgekeurd was.

Toen ik naar werk begon te zoeken, kort na het incident op het ministerie van Verkeer, gingen mijn grootvader en ik met de socialezekerheidskaart naar Kinko, waar hij de 'I.N.S. authorization' tekst (met goedkeuring van de immigratie en naturalisatiedienst) met witte tape bedekte. We maakten dan kopies van de kaart. Tenminste op het eerste gezicht zouden de kopies eruit zien als kopies van een officiële, onbeperkt geldige sociale zekerheidskaart.

Lolo dacht altijd dat ik het soort slecht betaalde job zou hebben dat mensen zonder papieren altijd hebben. Maar zelfs voor ondergeschikte jobs heb je papieren nodig en dus hoopten hij en ik dat het met de vervalste kaart voorlopig wel zou lukken. Hoe meer papieren ik had, zei hij, hoe beter.

Terwijl ik op middelbare school zat, werkte ik parttime voor Subway, dan zat ik aan de receptie van de plaatselijke Y.M.C.A en daarna had ik een baantje op een tennisclub, tot ik een onbetaalde stage kon doen op The Mountain View Voice, de krant van de stad waar ik woon. Eerst bracht ik koffie rond en deed ik allerlei klusjes op kantoor en uiteindelijk begon ik zittingen van het stadsbestuur te verslaan en kreeg ik andere betaalde opdrachten.

Het bedrog gaat door

In de meer dan tien jaar dat ik baantjes kreeg, vroegen werkgevers me bijna nooit om mijn originele kaart van de sociale zekerheid, en als ze het deden, toonde ik hen de gefotokopieerde versie. Het bedrog ging door, maar hoe vaker ik het deed, hoe meer ik me een oplichter voelde, hoe schuldiger ik me voelde, en hoe banger ik werd dat ik gepakt zou worden. Maar ik bleef maar doorgaan. Ik moest het zelf redden, en ik besloot dat dit de beste manier was.

Mountain View High werd mijn tweede thuis. Ik werd vertegenwoordiger van mijn school, en zo leerde ik Rich Fischer kennen, de supervisor van ons schooldistrict. Ik ging bij het welsprekendheids- en debatteam, speelde in het schooltoneel en werd zelfs adjunct-hoofdredacteur van The Oracle, de studentenkrant. Dat trok de aandacht van mijn directeur, Pat Hyland. Pat en Rich zouden mijn mentors en bijna surrogaatouders worden.

Jill Denny, de koordirigent, zei dat ze een reis naar Japan wilde organiseren voor het koor. Ik zei haar dat ik me dat niet kon veroorloven. Ik vertelde haar de waarheid: "Het gaat niet om het geld, ik heb niet het juiste paspoort." Ze suste me en zei dat we de documenten wel in orde zouden brengen. Toen gaf ik alles toe: "Ik kan niet het juiste paspoort krijgen. Ik word niet verondersteld hier te zijn."

Ze begreep het. En dus ging het koor naar Hawaï.

Later dat jaar keken we in de geschiedenisles naar een documentaire over Harvey Milk, de openlijk homoseksuele politicus uit San Francisco die vermoord werd. Tijdens de discussie achteraf stak ik mijn hand op, en prevelde ik iets in de trant van: "Ik vind het jammer dat Harvey Milk vermoord werd omdat hij homo was... Ik wil dit al langer zeggen... Ik ben homo."

Ik werd de eerste openlijk homoseksuele student, en dat zorgde bij mijn grootvader voor opschudding. Ten eerste beschouwde hij, een katholiek, homoseksualiteit als een zonde. Erger was dat ik de zaken moeilijker maakte voor mezelf. Ik moest met een Amerikaanse vrouw trouwen om een groene kaart te bemachtigen.

Terwijl mijn klasgenoten wachtten op hun acceptatiebrief van de universiteit, hoopte ik een fulltime job te vinden. Niet dat ik niet naar de universiteit wilde, maar ik kon nooit staatsfinanciering krijgen.

Nadat ik Pat en Rich eindelijk op de hoogte had gebracht van mijn 'immigratieprobleem', zochten ze mee naar een oplossing. Uiteindelijk bezorgden ze me een beurs voor veelbelovende studenten. Die beurs stond totaal los van mijn immigratiestatus.

Ik vond in mijn eerste jaar aan de universiteit een parttime baantje bij The San Francisco Chronicle. Ik sorteerde de post en schreef een paar artikels. Ik had de ambitie om reporter te worden, en dus begon ik aan een reeks stages. Eerst kwam ik terecht bij The Philadelphia Daily News, in de zomer van 2001, waar ik een schietpartij en het huwelijk van basketbalster Allen Iverson versloeg. Die artikels gebruikte ik om te solliciteren bij The Seattle Times, waar ik de volgende zomer op stage mocht.

Maar toen werden de papieren opnieuw een probleem. De personeelschef van The Times vroeg officiële documenten aan alle stagiairs. Ik panikeerde. Rondvragen leerde dat ik de baan niet zou kunnen doen. Verschrikkelijk. Wat had ik aan de universiteit als ik toch niet de carrière zou kunnen uitbouwen die ik wilde? Ik besliste toen dat ik om succes te hebben in een beroep dat draait om het vertellen van de waarheid, de waarheid over mezelf niet mocht zeggen.

Jim Strand, de risico-investeerder die mijn beurs sponsorde, bood aan te betalen voor een immigratieadvocaat. Rich en ik hadden een ontmoeting met haar in San Francisco. Ik was hoopvol. Het was begin 2002, kort ervoor was de Dream Act ingevoerd - Dream, Relief and Education for Alien Minors. Maar het was een grote teleurstelling. Mijn enige oplossing, zei de advocaat, was terug te gaan naar de Filippijnen en over tien jaar een aanvraag in te dienen.

Voor de zomer van 2003 solliciteerde ik voor stages overal te lande. Verscheidene kranten, onder meer ook The Wall Street Journal, The Boston Globe en The Chicago Tribune waren geïnteresseerd. Maar toen The Washington Post me een plaats aanbood, wist ik het meteen. En deze keer had ik niet de intentie om mijn 'probleem' toe te geven.

De stage bij The Post wierp wel een obstakel op: ik moest een rijbewijs hebben. Ik bestudeerde in de bibliotheek de criteria van elke staat. Oregon deed het minst moeilijk - en was maar een paar uurtjes rijden verder.

Opnieuw schoot mijn steuncomité te hulp. De vader van een vriend woonde in Portland, en ik mocht zijn adres gebruiken als domicilie. Onder meer Pat en Rich stuurden brieven voor me naar dat adres. Rich leerde me manoeuvreren, een vriend vergezelde me naar Portland.

Het rijbewijs betekende alles voor me - ik zou mogen rijden, vliegen en werken. Ik was vastbesloten mijn ambities na te jagen. Ik was 22. Ik betaalde staats- en federale belasting, en ik gebruikte een ongeldige socialezekerheidskaart en schreef foute informatie op de formulieren van werkgevers. Ik overtuigde mezelf ervan dat alles wel in orde zou komen als ik me zou gedragen als een goede 'burger': hard werken, zelfbedruipend zijn, vaderlandsliefde.

Ik kwam in Portland aan met een gefotokopieerde socialezekerheidskaart, mijn studentenkaart, een loonbriefje van The San Francisco Chronicle en bewijs dat ik in de staat woonde. Het lukte. Ik haalde mijn rijbewijs in 2003. Op mijn 30ste verjaardag, op 3 februari 2011, zou het vervallen. Ik had acht jaar om professioneel te slagen, en om te hopen dat er tegen dan een immigratiehervorming zou komen.

Bij The Washington Post kreeg ik een mentor toegewezen, Peter Perl, een ervaren schrijver voor het magazine. Hij zou een nieuw lid van het steuncomité worden.

Toen ik vier maanden reporter van The Post was, werd ik plotseling paranoïder, alsof de woorden 'illegale immigrant' in het groot op mijn voorhoofd stonden. Ik besloot het tegen een van mijn oversten te zeggen. Ik wendde me tot Peter, die was opgeklommen tot directeur. Ik vertelde hem alles. Hij was geschokt. "Nu begrijp ik het honderd keer beter", zei hij. "Voorlopig doen we niets. Als je jezelf voldoende hebt bewezen, dan stappen we naar de directie."

Een vreemde dans

In de vijf jaren daarna deed ik mijn best om "genoeg te doen". Ik werd gepromoveerd tot vast schrijver, schreef over gamescultuur, maakte een reeks over hiv en aids in Washington, berichtte over de rol van technologie en sociale media bij de presidentsverkiezingen van 2008. Ik bezocht het Witte Huis, waar ik hoge omes interviewde, en versloeg een staatsdiner - en ik legde de geheime dienst het socialezekerheidsnummer voor dat ik verkregen had met valse documenten.

Het was een vreemde dans. Enerzijds probeerde ik mijn mannetje te staan in een uiterst competitieve redactie, anderzijds wilde ik ook niet te veel aandacht trekken. Ik probeerde mijn angsten te 'compartimentaliseren', maar aan het centrale conflict in mijn leven viel niet te ontsnappen. Als je zo lang de schijn ophoudt, raakt je zelfbewustzijn in de war. Je begint je af te vragen wie je geworden bent en waarom.

In april 2008 maakte ik deel uit van een team van The Post dat een Pulitzer had gewonnen voor de berichtgeving over de schietpartij op Virginia Tech. In de zomer van 2009 had ik nog altijd niet met het management van The Post gepraat. Ik verliet de krant en verhuisde naar New York om voor The Huffington Post te gaan werken. Ik was een beetje beducht voor die carrièrezet: vele bedrijven maakten al gebruik van E-Verify, een programma van Binnenlandse Zaken dat potentiële werknemers test op hun geschiktheid, en ik wist niet of mijn werkgever daar bij hoorde. Ik vulde de paperassen in, en belandde op de loonlijst.

Terwijl ik voor The Huffington Post werkte boden zich andere kansen aan. Mijn reeks over hiv werd een documentaire genaamd The Other City, die het filmfestival van Tribeca opende. Ik begon voor magazines te schrijven en kreeg een droomopdracht: een profiel schrijven van Mark Zuckerberg van Facebook voor The New Yorker.

Hoe meer ik verwezenlijkte, hoe banger en depressiever ik werd. Ik was trots op mijn werk, maar er hing constant een wolk boven me. Mijn oude deadline - de vervaldatum van mijn rijbewijs - naderde.

Na iets minder dan een jaar besloot ik weg te gaan bij The Huffington Post. De echte reden daarvoor was dat de mate waarin ik succesvol was in het professionele leven nooit mijn probleem zou oplossen of het gevoel van verlies en onthechting zou verlichten. Ik heb gelogen tegen een vriend die met me naar Mexico wilde. Ik bedacht een excuus om een all-inclusive reisje naar Zwitserland af te wimpelen. Al jaren hoed ik me voor lange relaties om me te behoeden voor lastige vragen.

Begin dit jaar, amper twee weken voor mijn 30ste verjaardag, was er een succesje: ik haalde mijn rijbewijs in de staat Washington. De vergunning is geldig tot 2016, vijf jaar extra dus om me te identificeren. Maar ook vijf jaar van angst en leugens extra en wegrennen van wie ik ben.

Ik ben het rennen beu, ik ben uitgeput, ik wil dat leven niet meer.

Ik heb dus beslist om naar buiten te treden, toe te geven wat ik gedaan heb, en mijn verhaal te vertellen zoals ik het me herinner. Ik heb contact opgenomen met ex-werkgevers van me en me verontschuldigd voor de misleiding - telkens een mengeling van vernedering en bevrijding. Alle mensen in dit stuk hebben hun toestemming gegeven om hun naam te vermelden. Ik heb ook met familie en vrienden gepraat over mijn situatie en krijg juridisch advies om mijn opties te bekijken. Ik weet niet wat de gevolgen zullen zijn van het feit dat ik mijn verhaal nu vertel.

Ik weet wel dat ik mijn grootouders dankbaar ben, omdat ze me een kans op een beter leven gegeven hebben. Ik ben ook mijn andere familie dankbaar - het steuncomité dat ik hier in Amerika vond.

Niet lang geleden belde ik mijn moeder op. Ik wilde de gaten in mijn geheugen opvullen over die ochtend in augustus zo lang geleden. We hadden daar nooit over gepraat. Een deel van me wilde de herinnering opzij duwen. Maar om dit artikel te schrijven en de feiten onder ogen te zien, had ik meer details nodig.

Mijn moeder vertelde dat ik het heel opwindend vond dat ik een stewardess zou zien, dat ik in een vliegtuig zou zitten. Ze herinnerde me ook aan het advies dat ze me had meegegeven om op te gaan in de Amerikaanse samenleving: als iemand zou vragen waarom ik naar Amerika kwam, dan moest ik zeggen dat ik Disneyland bezocht.

© NYT Magazine

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234