Zondag 24/01/2021

Een aardbeving tekenen

'Ik was het beu om bij chique madammen met halfopen peignoirs in mijn vuile kleren de maten te komen opnemen voor een sokkel'

Beeldhouwer Koenraad Tinel (69) exposeert nieuw werk

David Van Reybrouck / Foto's Stephan Vanfleteren

'Ik zie af, jong, 't is erg. 't Is al geen kloten waard.' Kunstenaar Koenraad Tinel, bijna zeventig, is nog steeds op zoek naar de juiste vorm. Gedreven, verwoed en onvermoeibaar worstelt hij met een zoveelste artistieke crisis. Dat neemt niet weg dat er morgen in Vollezele een kleine tentoonstelling van hem opent, waar hij zeer tevreden over is. Monumentaal werk in een versleten parochiaal centrum. Ook zijn zelfgemaakte doodkist stemt hem content. 'Maar hij is te klein om in te vrijen.' Portret van een schoon mens.

'Hoeveel eiers kunt ge eten? Tien, twintig of dertig? Vroeger at ik er acht tussen de middag, hardgekookt, nu hou ik het bij vier." Hij is klein en pezig. Ik ken hem voornamelijk van de adembenemende openingsscène uit Larf van Josse De Pauw. Een oudere man kwam het podium opgewandeld met een bezem en twee emmers verf. Traag begon hij op de vloer iets te schilderen, zijn ademhaling was met een microotje versterkt. Het tempo versnelde, het verven werd kliederen, het ademen hijgen. Zonder een blik in de zaal stapte hij kaarsrecht af, het enorme doek werd gehesen, druipend van de verf. Het wonder was weer geschied.

"Ja maar, een spiegelei of een roerei?" We zijn te gast in Leysbroek, een voormalige abdijhoeve in het Pajottenland waar hij sinds zes jaar woont, op de rand van Vlaanderens eerste officiële stiltegebied. Hij loopt driftig heen en weer. Praat, grapt, schatert. "Of een ei op uw bakkes?"

Koenraad Tinel is in zijn nopjes. Zoals gebruikelijk is hij om kwart over zes opgestaan, heeft hij het gezin waarmee hij samenwoont van boterhammen voorzien, de dieren eten gegeven en voor de kruidenthee salie getrokken. Normaal zou hij dan naar zijn atelier gaan, maar vandaag mag hij de hele dag praten. Het woord 'tomeloos' lijkt speciaal voor hem bedacht. Zijn stem is kraakhelder, zijn blik een en al expressie, uit zijn ongestreken hemd puilt grijs borsthaar. Zijn geweldige energie wordt nochtans geflankeerd door een tedere opmerkingsgave. Zeventig bijna, maar nog steeds vol kinderlijke verwondering. Als hij met een pan vol knaloranje spiegeleieren aankomt, blijken er een paar uitgelopen. "Allez, wie wil er een zon en wie een wolk?"

We zitten buiten aan de ontbijttafel. Het is nog maar eens een prachtige ochtend en Koenraad Tinel verbaast ons meteen: "Ik ben eigenlijk pianist van opleiding." De blik glijdt naar zijn potige armen en forse vingers. "Echt waar. Ik heb nog concerten gespeeld als solist toen ik negentien was." En dan volgt het verhaal van Edgar Tinel, zijn grootnonkel, die in de negentiende eeuw een vooraanstaand componist was. En van zijn joods-Russische pianolerares die nadien is omgekomen in de Poolse zoutmijnen. En van zijn voorbestemde carrière als concertpianist. "Ik speelde Rachmaninov en dat soort verschrikkelijke dingen die ik niet mooi vond, maar wel aankon omdat ik nogal virtuoos was. Ach ja. Daar ben ik mee gestopt toen ik mijn eerste prijs op de academie behaalde." Ergens in uitblinken, stoppen en dan met hernieuwde moed elders beginnen, het lijkt een constante in Tinels bewogen leven. Waarom het makkelijk maken als moeilijk ook gaat? Zelden content, vaker op zoek, en hoe langer hoe gelukkiger.

Hij werd geboren in 1934, zijn vader in 1895, zijn grootvader rond 1850: praten met Tinel is praten met de geschiedenis. De geschiedenis van een Gentse burgerfamilie met een vader die vier jaar lang aan de IJzer diende, de Dodengang meemaakte en overnachtte in de donkere rivier. Die naast doodsangst ook bewondering kreeg voor de Duitsers. En nadien naast Belgische decoraties ook ultraflamingantistische idealen. Met alle gevolgen van dien. "Ik zie hem graag mijn vader, maar ik ben er ook een beetje kwaad op. Eigenlijk was hij een brave, naïeve kloot. Hij was zelf beeldhouwer maar geen goeie. Voor kerken kapte hij in hout symbolische voorstellingen van 'De Zuiverheid', of Sint-Jozefs en lijdende Christussen. Hij werd overtuigd lid van het Verdinaso en kende Van Severen goed. Wij hadden thuis niet de overvloed aan verstrooiing die jongeren nu hebben, hoogstens een velo. Als je dan die Duitse soldaten zag marcheren door Gent met hun trommels en fluiten was dat echt indrukwekkend!" In tegenstelling tot een aantal van zijn familieleden bleef hij gespaard van het zwarte gedachtegoed. Nu, na al die jaren, kan hij er met nuance over spreken. "Ik ben eraan ontsnapt gewoon omdat ik te jong was. Omdat ik zelf ook een vechtlustige, militaire kant in mij heb, durf of kan ik mijn familieleden niet bekritiseren. Soms vraag ik me af: hoe hebben ze dat gekund? Maar als je mensen opjut, zijn ze tot veel in staat. Nu kan ik daar openlijk over praten, dat is bevrijdend, maar ook delicaat voor degenen die nog leven."

Bij de Amerikaanse inval in 1944 vluchtte de familie Tinel naar Duitsland. Eerst naar Fulda, waar ze de zware bombardementen meemaakten, dan naar een plek in het Thüringerwald, dichtbij de Tsjechische grens. Daar was het tamelijk rustig, tot de tienjarige Tinel een stukje wereldgeschiedenis meemaakte. "Op een dag kwam er een twaalftal Duitse soldaten met een Panzerfaust, een soort bazooka, en later Amerikaanse tanks. Er werd heen en weer geschoten. Uiteindelijk reden de Amerikanen het dorp binnen. Ik vond dat hatelijke venten, met hun jeeps en hun chewing gum. Als die weg waren, kwam de bellenman vertellen dat iedereen een rode vlag moest uithangen. Uit de nazi-vlag werd overal gewoon het hakenkruis weggeknipt! We hoorden zingen in de verte. Na-na-naaa! (neuriet) Ik ken het muziekje nog. Wij zagen een stofwolk met allemaal marcherende mannen. De Russen waren daar! Prachtig! Schone mensen, boerenpummels die niet konden lezen of schrijven, Mongolen met moustaches. Ze namen ons op hun paarden en lieten ons trekken aan hun machorka-sigaretten gerold in gazettenpapier. Lieve gasten. Ik leerde hen velorijden, dat hadden ze nog nooit gezien."

Nadien kwamen de echte communisten die huiszoekingen deden en papieren opvroegen. De Tinels werden gesommeerd om 's anderendaags naar het station te gaan. Vader Tinel wist dat dat alleen maar Siberië kon betekenen en contacteerde een boer met ossenwagen om te vluchten. "Op die kar zaten Oost-Duitse grootgrondbezitters wier vrouwen verkracht waren en alles verloren hadden. Er was ook een vrouw bij die pas een kind had gekregen. De maan scheen, we liepen stil achter die kar door het bos. In de verte hoorden we een Russische patrouille zingen, de boer kreeg schrik en wou ons niet meer naar de Amerikaanse zone brengen. Uiteindelijk zijn we op een melkkar geklommen en zo de grens overgestoken." Daarmee werd hij een van de eersten die door het IJzeren Gordijn glipten, al was dat toen niet meer dan een strook omgeploegde aarde met hier en daar een slagboom en wat prikkeldraad.

Zes maanden lang leefde de familie op straat in Bamberg, gevlucht voor de Russen, bang voor de Amerikanen. Daar pas werd Tinel geconfronteerd met de waanzin van de oorlog. Frontsoldaten die terugkeerden en alles kwijt waren: familie, huis, ledematen. Invaliden op een plank met vier wieltjes, een vrouw wier borsten waren afgesneden, de jonge Hans die blind was teruggekeerd. Zestig jaar later lopen zijn ogen nog steeds vol. Hij moet stoppen met vertellen. "Die jongen had niets of niemand meer, Hans was achttien, ik elf."

Zwitserland bleek te ver; de Amerikaanse intelligence service te snel. Het gezin werd opgepakt en via ontluizingsdiensten en beestenwagons naar het vaderland getransporteerd. Daar wachtten niet alleen een geplunderd huis en gevangenisstraffen, maar ook de terreur van boekentassen die door schoolmaatjes met hakenkruisen werden bedekt. Een schoolmeester ontfermde zich over Tinel, een klein mannetje dat veel Nederlands had verleerd en zwaar getraumatiseerd leek. Studeren ging niet meer, vechten wel, tekenen nog beter. Zelf wou hij de Tuinbouwschool beginnen om nadien op eigen avontuur naar Kongo te gaan. Zottenwerk, vond zijn moeder, dan nog liever kunst. "Ik ben beginnen tekenen toen ik drie was en ben nooit meer gestopt. Mijn ouders moedigden dat aan, ze hielden hele albums met mijn tekeningen bij. Tekenen was een manier om mij van al die hevige indrukken te ontdoen. In 1939 was er een lichte aardbeving geweest, de schalies vielen van de kerk en mijn moeder zocht me overal. Uiteindelijk vond ze me: ik zat gewoon binnen, die aardbeving te tekenen."

Hoe ongelooflijk schoon, bedenk ik als hij ons meeneemt naar zijn atelier. Een aardbeving tekenen! Uiteraard die kracht, uiteraard die angst, maar vooral: dat onvatbare - en dat dan willen vatten. Zijn lievelingshond, zo vertelt hij later op de dag, heeft de rare gewoonte om telkens als hij een tuinslang ziet in de waterstraal te willen bijten. Vloeistof verscheuren, soms draagt de werkelijkheid het perfecte beeld voor kunst zomaar aan.

Wat het meest opvalt in de ruime schuur die tot atelier werd verbouwd, zijn niet zozeer de smidse, het aambeeld, de lasapparaten, de snijbranders en al de rest van het duistere alaam, noch de totale afwezigheid van stofkapjes, veiligheidsbrillen, oorbeschermers of handschoenen ("ik trek ook brandnetels met mijn blote handen"), maar de aanhangwagen die net buiten staat. In die aanhangwagen: een geweldige hoop schroot. Een maand geleden waren dat nog monumentale ruiters van de Apocalyps. "Het was niet simpel genoeg. Ik heb het volledig afgebroken. 't Is al geen kloten waard. Ik zie af, jong! Ik zit vast. Het moet eenvoudiger kunnen, maar ook krachtiger."

Hij haalt adem. "Soms komt er een bezoeker langs die iets schoon noemt. Jaja, zeg ik dan, en een uur later snij ik het kapot. Ik weet zeer goed of iets waarde heeft of niet. Ik ben niet rap trots, maar heel soms kan ik een uur content zitten kijken naar een werk dat af is."

Herbeginnen. Happen in die waterstraal. Pianolessen, Sint-Lucas in Gent, Hoger Instituut Terkameren in Brussel om dan paracommando te overwegen, maar er was een vrouw en een eerste seksuele ervaring werd meteen een eerste vaderschap, en schilderen en tekenen en prutsen, en voor vierhonderd frank maandhuur een krot betrekken in Sint-Genesius-Rode, en er een tweede kind krijgen, en solliciteren als vertegenwoordiger maar uiteindelijk beerputten staan hermetselen, en zijn vrouw die een derde kind krijgt dat hij als het zijne beschouwt want bloed, bloed, de varkens hebben ook bloed, het was mijn lieveling, en thuis verder prutsen, een stuk tramrail wordt zijn eerste aambeeld, een gaslasser zijn eerste gereedschap, en op een dag komt er een eerste bestelling: peper- en zoutvaatjes, en nadien een sokkel en nog een sokkel, sokkels voor kubistische naakten en sokkels voor antieke torso's, voor verzamelaars en topmusea. Tinel werd de beste socleur van het land, hij had personeel, opdrachten, absolute topstukken stonden in zijn atelier te dringen om schoeisel. "Maar toen was ik het beu om bij chique madammen met halfopen peignoirs in mijn vuile kleren de maten te komen opnemen voor een sokkel." Hij verkocht de boel voor een appel en een ei, stopte veel tijd in een boerderij die hij in Gooik had gekocht en kreeg op een dag een oude broeder van Sint-Lucas in Brussel aan de lijn. Of hij de leerstoel beeldhouwen niet zag zitten. Nee, zei hij eerst, of alleen als ik geen examens moet afleggen. Sint-Lucas stemde in. Meer dan een kwarteeuw lang was Tinel de anarchistische titularis van de beeldhouwafdeling, hij werd bewonderd door leerlingen, maar het lesgeven lag hem nooit helemaal. "Al dat geknoei om uwen boterham te verdienen terwijl ge thuis..." Thuis? Nee, ook niet echt. Een moeizame scheiding met alle mogelijke verwikkelingen deed hem alles verliezen, beelden incluis. Hij ondertekende om ervan af te zijn. "Waart gij zot misschien?", brieste een advocaat nadien. Hij haalde zijn schouders op. Herbeginnen. Ondertussen was hij zeer innig bevriend geraakt met een jong koppel. Ze gingen met zijn drieën samenwonen, hij zag al hun kinderen geboren worden bij de open haard. Onvergetelijke momenten. In de loop der jaren werd hij voor hen een soort grootvader en speelkameraad ineen. "Koentje", noemen ze hem, "Koentje."

Hij slikt, snikt.

Daarnet moest hij huilen toen het over Hans ging die zijn familie verloren had. Ik vraag hem wat hem nu emotioneert, de ellende of...? "Nee, de vriendschap. Zulke evenwichtige en rustige mensen", zegt hij, "mijn vrienden zijn mijn familie. Ik ben hier zielsgelukkig, alleen doet me dat af en toe tjiepen."

Terwijl de foto's worden genomen in zijn atelier, ga ik de expositieruimtes bekijken in en om het woonhuis. Of het nu het monumentale werk in de tuin betreft, de forse beelden uit de kelder, of de bronzen en zilveren plastiek op zolder, heel vaak gaat het om dieren en fabelachtige wezens die je bij voorkeur van de zijkant bekijkt. Zijn beelden zijn plat, ze doen denken aan Griekse vaasschilderingen, friezen in bas-reliëf, wajangpoppen. In feite zijn het zeer dikke tekeningen. Tinel toont telkens wezens in actie. Er wordt niet te veel stilgezeten in zijn oeuvre. Everzwijnen lopen van links naar rechts, vissen schieten heen en weer, zelfs een lijdende vrouw lijkt nog te glijden. Het is bijna onmogelijk om niet aan zijn eigen beweeglijkheid te denken. Altijd al was hij zot van paarden. Ruiterstandbeelden vindt hij van het mooiste wat er is. Drie jaar geleden is hij zelf begonnen met paardrijden, hij heeft een reusachtige ruin waarvan de schoft hoger komt dan zijn eigen hoofd. Een prachtbeest. Hij gaat er vaak drie, vier uur mee rijden in de velden. Ongelooflijk schoon. Niet stilzitten, blijven beginnen. Op pensioengerechtigde leeftijd leren draven en galopperen, het is bijna even onverdroten als de reis die hij in 1956 maakte toen hij met de 2CV van een kameraad vanuit België naar India reed - en terug. Tweemaal dertienduizend kilometer avontuur, met alle sterke verhalen van dien. Onderweg.

De beelden van Tinel steunen maar zelden. Ze hangen meestal of komen op hoge poten aangelopen. Komt het door zijn degout voor sokkels of door zijn onvermogen om stil te zitten? Zijn werk is vaak in een kader opgehangen, het doet soms denken aan de vitrines van Chinese restaurants waarin de platgeklopte, gekarameliseerde pekingeenden aan haken lekker hangen te zijn. Vervormd, geplet, bronskleurig, onherkenbaar maar nog altijd met een schijn van beweging - ze zouden door Tinel ontworpen kunnen zijn.

Het bestiarium van zijn beeldhouwwerk bevat geen direct identificeerbare soorten. En toch denk je voortdurend: dat ken ik, dat heb ik al eens gezien. Vormen als een stem die je niet kan thuisbrengen. Een ekster lijkt op een strandvogel, een kameleon op een meerkataapje, een gazelle op een geitenbok en toch is het niets van dat alles. Het zijn mythische oerbeesten - vaag en juist tegelijkertijd. Gegoten in brons of zilver, maar heel vaak gelast, geassembleerd en gesoldeerd in staal, ijzer, lood, zink en nog een hoop materialen die kunsthistorici mogen uitpluizen. Het metaal heeft hij vaak bekleed met zachtere materialen. Gips, jute, vlastouw, schaapswol, vodden. Wat begon als een eenvoudig trucje om een beeld te vereenvoudigen, is nu bijna zijn waarmerk geworden. Ze zijn omzwachteld, ingebonden, ingesnoerd. Tinel doedelt met materie. Zijn beelden lijken op rituele objecten buiten het seizoen. Zij zijn geschroeid, geblakerd, geblust, verweerd en wachten in het halfduister tot ze weer van stal mogen. Kunst is een oorlog van krachtige beelden, geen halfzacht geleuter over neonlampen in plastiek tasjes. Ver van de ironische en conceptuele hedendaagse kunst doet zijn werk denken aan het beeldend werk van Claus en Lucebert, aan de potigheid van Cobra, maar ook aan de oerkracht van een Picasso. Het raam kijkt uit over de binnenplaats en zijn atelier. Ik zie hem aan de overkant in bloot bovenlijf poseren, waardig en strak. Hij heeft er fysiek zelfs een trek van.

Die oerkracht is ook seks. Op zolder heb ik net zijn tekeningen bekeken. Hij illustreert als een bezetene sprookjes en mythes van over de hele wereld. Hagedisvrouwen bij de Maori, parende honden bij de Inuït, slangendromen bij de aboriginals - binnenkort wil hij er mee gaan optreden in schouwburgen. Een van zijn mappen bevat uitsluitend erotische platen. Hetzelfde rondborstige meisje werd in tientallen poses weergeven. Per blad dat ik omsla, wordt het hitsiger. Bedekt ze eerst nog verlegen haar kruis, een paar vellen verder is haar haar al een explosie van Chinese inkt geworden en vormen haar borsten een gewelf van bister, de roestbruine verfstof die uit okkernoten wordt geperst. Hij had het me vanmorgen al uitgelegd: op zijn werktafel staat een half dozijn bokalen met water van "verschillende vuiligheidsgraad", aan weerszijden geflankeerd door potten pure inkt en pure bister. Ik blader verder. Er komt een man bij, twee pikzwarte silhouetten kronkelen over de bladspiegel, armen worden tentakels, een forse erectie en strakke tepels striemen op het papier. Naarmate de reeks vordert, loopt het zwart in elkaar over tot er alleen nog grote inktvlekken overblijven. Het is wellustig en gewelddadig. Het is opwindend en angstaanjagend. Het is ongelooflijk indrukwekkend werk.

Als ik weer beneden sta, is hij klaar met de foto's. Ik vraag hem naar die reeks. "Ik zie graag de madammen", zegt hij, "maar ik ben nooit een vrouwenloper geweest. Tot een paar jaar geleden gebeurde waar ik altijd beducht voor was geweest: ik kreeg een relatie met een voormalige studente van me, ze was vijfenveertig jaar jonger dan ik. Ik heb die reeks in één dag getekend toen het allang uit was. Maar gisteren belde ze nog."

We staan ondertussen in zijn werkkamer die uitkijkt op het glooiende landschap. Aan de muur hangen een paar foto's: zijn verdwenen pianolerares, zijn familieleden in foute uniforms, zijn voormalige studente. In een boekenkast staan tientallen deeltjes Die Märchen der Weltliteratur, de sprookjes die de inspiratie vormen voor zijn grafisch werk. Ervoor staat een broedkastje - naast kunstenaar is Tinel ook keuterboer. We zijn op het goede moment gekomen. Onder het licht van een gloeilamp is zonet een kuiken uit zijn schaal gekropen. Trillend leven, nog geen halfuur oud, zo vlak naast de eeuwenoude verhalen van de wereld. Het is ontroerend om zien. Doordoen, blijven beginnen. Tinel licht het deksel op en streelt met de rug van zijn wijsvinger over het frêle, kleffe dons.

Het parochiaal centrum van Vollezele lekt, muft, rot, maar hij glundert. "Ze staan hier ongelooflijk schoon. Geen spotjes, geen bordjes, geen titels, niks niemendal." Hij heeft gelijk. De zeven monumentale sculpturen, allemaal werk van het afgelopen jaar, hebben aan zichzelf genoeg. Zes meter hoog, acht meter lang, maar wegens het gips moeten ze binnen staan. Onverkoopbaar? Het zal hem een zorg wezen. Hij is er zeer content over. Het zijn boten die verwijzen naar de Styx, de onderwereld en onvermijdelijk de dood. De veerman is vervangen door Cerberus, de Helhond. Hij hangt in een paardentuig boven het dek van een sloep en rent door de ijle lucht. Elders lijken gepuntlaste staalplaten op de aaneengeregen huid van een kajak. In een schuit ligt een omzwachtelde figuur opgebaard. Zeilen, stromen, dobberen, bewegen ja, maar nu toch vooral naar de laatste oever. "Natuurlijk ben ik bang van de dood", zegt hij in de galmende ruimte, "iedereen is dat. En hoe ouder ge wordt, hoe meer ge daaraan denkt." En dan na een poos: "Ik wil het liefst ontploffen in mijn kiekenkot! Begraven of cremeren, het kan mij niet schelen. Voor mijn part strooien ze mijn asse in de bananenpuree en eten ze het op, zoals bij de indianen van het Amazonewoud."

Als we terugrijden zegt hij in de auto: "Ik heb al mijn eigen kist gemaakt. Gewoon met dunne, simpele planken. Mijn moedertje kreeg drie centimeter eik om zich heen, dat was dan nog de goedkoopste kist. Waarom, dacht ik, moet zij nog zo lang wachten voor ze opgenomen mag worden in de aarde? Dat wil ik niet. Er is niks fraais aan mijn kist. Hij is precies 1,63 meter, mijn lengte, ik moet mijn schoenen uitdoen om erin te kunnen. Ge kunt er niet eens in vrijen, ik heb het geprobeerd. Ik heb hem slordig in het wit geschilderd. Op de binnenkant van het deksel moet alleen nog een bloot madammeke komen, ik ben ermee bezig. D'ailleurs, ik wil er ook in mijn bloten in begraven worden. Juist met een beetje stro, zodat het niet rammelt. Kom, ik zal hem subiet eens tonen."

De tentoonstelling 'Silent Navigations' loopt van 22 juni tot en met 5 oktober in het Oudstrijdersplein 9 te Vollezele (naast de dorpskerk), elke zondag van 11 tot 17 uur.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234