Dinsdag 10/12/2019

Dwalen door het labyrint

Jeroen Brouwers: een abecedarium

Veertig jaar schrijver, vijfenzestig jaar mens: redenen genoeg om aan de hand van citaten, fragmenten én vooral het Schrijversprentenboek van Johan Vandenbroucke, enkele capita selecta uit het labyrintische oeuvre van Jeroen Brouwers te spitten. Door Dirk Leyman

Johan Vandenbroucke

Schrijversprentenboek. Jeroen Brouwers. Het verhaal van een oeuvre

Atlas/Letterkundig Museum, Amsterdam/Den Haag, 300 p., 24,90 euro.

Jeroen Brouwers

De schemer daalt. Slenteren door mijn boekenkast

Atlas, Amsterdam, 236 p., 18,50 euro.

Men gaat er altijd blind van uit dat wat die Brouwers schrijft autobiografisch is. Maar mocht er na mijn dood een biograaf komen, dan zal hij met de grootst mogelijke moeite iets kunnen vinden in mijn boeken dat zo uit mijn leven komt", benadrukte Jeroen Brouwers (°1940) ooit in een interview. Tegelijk weet de schrijver: "Alles wat ik meemaak dient te worden geformuleerd, mijn leven bestaat uit formuleren." (Het verzonkene) Wie er toch nog aan mocht twijfelen: Brouwers' turbulente bestaan vormt wel zeker dé brandstof van zijn veertigjarige, momenteel wijd en zijd gefêteerde schrijverschap. Zijn jeugd in Indië en in een Jappenkamp, zijn verguisde kostschooljaren, zijn Brusselse periode bij Manteau en het literaire klimaat van de jaren zeventig zijn essentieel voor een goed begrip van Brouwers' polemische inborst, zijn compromisloos schrijverschap, zijn melancholie, zijn onzekerheden en een nooit aflatende vormdwang, die leidde tot majestueuze boeken als Zonsopgangen boven zee, De zondvloed, De laatste deur en Geheime kamers. En ondanks alle gesakker en gekreun en onvoldaanheid over het eigen oeuvre, blijft Brouwers gummen, vlakken, vijlen én publiceren, wellicht tot de dood zijn pen definitief verlamt.

Aan de vooravond van Brouwers' vijfenzestigste verjaardag heeft literair journalist Johan Vandenbroucke een dappere poging gedaan om leven en werk te overschouwen. Deze delicate (en rijk geïllustreerde) evenwichtsoefening is geslaagd. Het verhaal van een oeuvre is een uitstekend gedoseerd werkstuk geworden, dat vooral uitblinkt door feitelijkheid en welgekozen citaten. Slechts voorzichtig gaat Vandenbroucke tot interpretatie over. De auteur demonstreert vooral dat hij zijn Brouwers van haver tot gort kent en is daarbij niet te beroerd om zijn bewondering te bekennen.

Tegelijk liet Brouwers zelve de zevende editie van zijn Feuilletons. De schemer daalt. Slenteren door mijn boekenkast het licht zien. Als vanouds is het een lappendeken van essayistiek en curieus mengelwerk: onder het tapijt geveegde schrijvers (Frans Buyle), rehabilitaties (Bob den Uyl), in memoriams (Freddy De Vree, Herwig Leus), persoonlijke literaire ontboezemingen en anekdotiek (uitgever Van Oorschot), aangelengd met "korzelig gegrom", waarin een aantal opponenten met sabel en floret de mantel worden uitgeveegd. Misschien een enkele keer wat te particulier (het essay over Lode Quasters), maar stilistisch altijd een festijn.

[A] van Arbeiderspers versus Atlas

Nadat zijn eerste, bij Manteau uitgegeven, boeken in de ramsjzaak zijn beland, komt Jeroen Brouwers vanaf 1976 onder dak bij de Arbeiderspers, toen nog onder het stuurmanschap van Theo Sontrop en de flamboyante Martin Ros. In het brievenboek Kroniek van een karakter vertelt Brouwers hoe een toevallig bezoek van Sontrop en Ros hem uit zijn schrijfimpasse haalde. "Sontrop zei dat hij er 'geil' op is, mijn werk uit te geven [...] waarna mijn schrijfmotor weer op gang sloeg." Dat was hoognodig. "Toen had zogoed als niemand ooit van mij gehoord [...], ikzelf dweilde rond in een permanente staat van dronkenschap en lethargie, ik had al in geen jaren meer iets geschreven", aldus Brouwers in een brief aan Benno Barnard uit 1986. "Zonsopgangen boven zee [1977 - zie C] moet worden beschouwd als een tweede debuut: er was een nieuwe introductie van het verschijnsel Brouwers voor nodig bij de boekhandel, het krantenvolkje, het publiek." Brouwers publiceerde bij De Arbeiderspers zeventien boeken in diverse genres. Wanneer Ronald Dietz (zie D) in de herfst van 1991 tot directeur wordt benoemd en de oudere garde moet wijken, gaat de spanning gestaag crescendo. In juni 1995 stuurt Brouwers een brief waarin hij de Arbeiderspers de wacht aanzegt: "De wederzijdse irritaties lijken niet te kunnen opgelost en het zijn er intussen te veel." Eind 1995 kiest hij voor Emile Brugmans uitgeverij Atlas, waar zijn carrière een derde leven begon (zie ook F).

[B] van Brussel

Inspiratie-ader en ankerstad van Brouwers tijdens zijn 'Vlaamse jaren' tussen 1964 en 1976, toen hij voor uitgeverij Manteau werkte (zie M). Hij verzeilt er in "de klem der letteren", "waaruit je vergeefs probeert je te bevrijden en je weet: literatuur is een kanker, wie is aangetast zal niet genezen". Maakt kennis met alle Vlaamse literaire coryfeeën van zijn tijd, raakt ondergedompeld in de atmosfeer van literaire anarchistenkroeg De Dolle Mol van Herman J. Claeys. Beleeft de flower power van zeer nabij: "De stad Brussel had op mij de uitwerking van een constante roes." Spoedig vallen de sixties-idealen in gruis: "De jaren zeventig waren begonnen, die over alle dingen de druilerigheid zouden spreiden die van deze jaren de jaren zouden maken van de grote leegte, de ideeënloosheid, de landerigheid, de lelijkheid, de vroege herfst van de twintigste eeuw." In Brussel begint Brouwers' grote dolen en raakt hij verstrikt in noodlottige verliefdheden en huwelijksproblemen.

In de aanhef van Groetjes uit Brussel (1969) zit de ambivalentie die Brussel bij hem oproept, ingenieus vervat: "Twintig maanden Brussel nu al en langzaam voel ik mij verharden, langzaam word ik oppervlakkig, iedere dag een beetje minder menselijk, iedere dag een beetje meer een stukje stad totdat de dag komt dat ik versteend ben en onverplaatsbaar ben geworden." Niettemin is het ook in deze "barokke, prachtige, drukke, lelijke stad dat ik soms zowaar een beetje gelukkig ben", bekent Brouwers. Het allerwegen op "kopergetetter" onthaalde Groetjes uit Brussel, waarin een "verliteratuurde Hollander" door de stad banjert, toonde voor het eerst Brouwers als stilistisch evenwichtskunstenaar: "Ik had mijn vorm gevonden. Namelijk een vorm die een mengeling is van verhaal, essay, stadsbeschouwing, literatuurhistorie, enz." Brouwers-kenner Bart Vervaeck ziet in Groetjes uit Brussel zelfs een blauwdruk voor Brouwers' latere werk, het labyrint als vormprincipe: "Brussel als schimmenrijk" en het "decor voor de geestelijke verwarring waarin het hoofdpersonage is verzeild geraakt".

Later komt er bij Brouwers een gloed van mildheid over zijn Brusselse periode. Aan Mark Schaevers zegt hij in een Humo-interview: "Brussel ligt daar nog altijd als een oude geliefde met wie ik nooit ruzie heb gehad."

[B] van Brieven

"Ik schrijf vaak brieven aan mezelf, terwijl ik ze tot een ander richt. Als een soort dagboek. Bij wijze van 'afreactie' van dingen-van-de-dag. Of bij wijze van vormoefening, oefening in het formuleren." Sedert zijn tiende levensjaar - zijn intrede op een kostschool (zie K) - is Brouwers een niet-aflatend briefschrijver. "Ik denk met afgrijzen aan mijn kostschooljaren terug - maar men heeft er mij in ieder geval de beginselen van een epistolaire bedrevenheid bijgebracht", signaleert hij in de aanhef van Kroniek van een karakter.

Hoewel Brouwers "een hekel [heeft] aan brievenbundelingen, want vele ervan zijn saai", liet hij zich door Julien Weverbergh en diens nieuwe uitgeverij H(outekiet) in 1986 overhalen om een lijvige, tweedelige bundeling uit zijn brievenarsenaal te maken: Kroniek van een karakter, "een ongeretoucheerd zelfportret": "Waar ik een lul ben, sta ik ook als een lul in dat boek. Permitteer ik me een keer grootheidswaanzin, dan staat het er ook in. Ik ben nu eenmaal zo, niet briljanter, niet stommer."

[C] van Compositie

"Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt", is voor Brouwers een soort wapenspreuk. Ze suggereert zijn obsessie met vorm en met samenhang in een oeuvre waarin alles uiteindelijk naar elkaar verwijst. Over Zonsopgangen boven zee (1977) zegt hij: "Ik probeerde daarin een vorm aan te wenden die nog nooit was aangewend: alsof je een spinnenweb maakt, waarvan je maar één draadje hoeft aan te raken of het hele web beweegt." (Interview Humo, 1988) In zijn magnum opus De zondvloed (1988 - "Deze roman zie ik als mijn grafsteen") is de compositorische dwang ten top gedreven: "De brokstukken tekst zijn zo gemonteerd dat je al lezende het idee krijgt: ik zit eigenlijk tien of vijftien romans tegelijk te lezen."

[D] van Debuut

Eerste publicatie in boekvorm Edith Piaf, lyrische straatmus (1961) in de reeks 'Idolen en symbolen' van Lannoo. Door Brouwers later als "kreng" en "jeugdzonde" afgedaan; geschreven uit geldnood. Intussen curiosum. Debuteert in ernst met de verhalenbundel Het mes op de keel (1964) bij Manteau. Hij had het manuscript, na talrijke afwijzingen van andere uitgeverijen, gewoon per post opgezonden. Angèle Manteau: "De taal vond ik goed, een verademing naast al die Vlaamse teksten" en "aanvaardbaar voor een debuut". De persreacties op deze vier verhalen waren allerminst positief te noemen, ja, zelfs vernietigend: "Een brok praatjesmakerij van iemand die voortdurend doel en middelen verwart. [...] Hoort in een literaire kermistent thuis." (Kees Fens, De Tijd) "Hij kloddert er overheen met een rood druipende kwast." (Han Jonkers, Eindhovens Dagblad) Brouwers is midscheeps getroffen door de kritiek van de toen al autoritaire Fens, maar erkent later de teneur ervan. Brouwers zegt nadien "te walgen van dat boekje".

[D] van Dietz

Versmade uitgever van Brouwers bij De Arbeiderspers tussen 1991 en 1995, tot met veel geknetter en gedonder de bruggen voorgoed opgeblazen worden. In Extra Edietzie (1996) krijgt Dietz de volle laag: hij is "een commerciepotentaat die over lijken gaat" en iemand met "de zakelijke tact van een bos prei". Brouwers betreurde de teloorgang van het écht kundige en betrokken uitgeverstype zoals een Van Oorschot, Sontrop of een Lubberhuizen: "Dat slag mensen is definitief verdwenen, alsook hun manier van doen. [...] een auteur is voor Dietz alleen van waarde als hij bestsellers aanlevert." (Interview Humo, 1998).

[E] van Eredoctor

Op de vraag of het hem ooit gefrustreerd heeft dat hij nooit aan de universiteit heeft gestudeerd, zei Brouwers: "Het heeft mij wel eens geïrriteerd. [...] Neem nu dat zelfmoordboek van mij [De laatste deur]: dat zou, ware ik academisch geschoold, als mijn proefschrift gegolden kunnen hebben. Ik zou er cum laude voor zijn geslaagd. [...] Maar aangezien ik geen academische opleiding heb, werd dat boek door academici ook niet opgemerkt. In hun ogen blijf ik een vlijtig hobbyist." Autodidact Brouwers heeft geen hoge dunk van de letterkundige kaste: "Letterkundigen, doorgaans van academische afkomst, zijn veeleer het mindere volk in de literaire constellatie: diegene die recensietjes schrijven en prijzen uitreiken." (Interview Humo, 1998)

Om de pil te vergulden kreeg Brouwers in 1991 een fictief Eredoctoraat van de Universiteit van Kessel-Lo opgespeld, samen met de volgende titels: 'Doctor Honoris Causa van de Thuisloosheid, Koning Orpheus van Zutendaal, Hogepriester van het Verzonkene, Absolute Vent en Absolute Vorm, Lord of the Flies, Voorzanger van de Wanhoop, Hoofdtuinman van het Grote Literaire Kerkhof, Opperkanselier van de Opperlanden, enz.'

[F] van Feuilletons

Sinds 1996 bestiert Brouwers bij Atlas zijn eenmanstijdschrift Feuilletons, onder het uitgeversmotto 'Noli me tangere' ('raak me niet aan'). De tot op heden zeven edities bevatten essayistisch mengelwerk, in memoriams, polemische paukenslagen én vergeten Nederlandstalige schrijvers.

[G] van Gouden Uil

Tweevoudig laureaat, in 1995 voor non-fictie met zijn essaybundel Vlaamse leeuwen, in 2001 voor de roman Geheime kamers. Hogelijk verguld met de eerste bekroning: "Ik was en ben nog steeds tamelijk trots op deze essay-uil. [Ik voel] me in de eerste plaats een essayist en van sommige van mijn essays heb ik grotere voldoening dan van sommige van mijn verhalende werken." Raakt in nafeestgebeuren in Brusselse Archiduc leesbril en Uil-cheque kwijt en dient ontgoochelde medekandidaat Herman de Coninck vakkundig te troosten. Spreekt bij ontvangst van tweede Uil harde woorden uit over literaire commercialisering: "Nu ik hier toch sta, kondig ik aan dat ik mij niet langer ter beschikking stel voor opluistering van evenementen als deze, die minder en minder met de ware aard van literatuur te maken hebben. Deze circussen van ijdelheid, maar ook van zakelijke belangen en van handjeklap achter de schermen worden opgevoerd ter meerdere gloria van niets anders dan commercie."

[G] van Geheime Kamers (2000)

Brouwers' 488 pagina's tellende overspelroman, over "de liefde en de onvervulbaarheid ervan". Brouwers heeft het over de "oude componist die zijn gerijpte symfonie" schrijft. Na prijzenregen een langdurige bestseller. Voor Brouwers, plots rijk, een nieuwe, ontregelende ervaring: "Volgend jaar rijden ze de euro's hier met een kruiwagen binnen." Krijgt door het succes op slag een writer's block.

[H] van Hermans

Brengt persoonlijk eerbewijs aan Willem Frederik Hermans in Het aardigste volk ter wereld (1996). In Het vliegenboek drukte hij al eerder zijn eerbied uit voor de polemist: "In de schrijver Willem Frederik Hermans bewonder ik dat hij een samoerai is: hij is een vechter die alléén vecht, zonder deel uit te maken van een leger met vechters, en zonder behoefte aan medevechters aan zijn kant."

[I] van Indië

Brouwers komt ter wereld op 30 april 1940 in Batavia, in het voormalige Nederlands-Indië en woont er tot 1947, wanneer zijn ouders repatriëren naar Nederland. De Indische jaren zullen zijn karakter voorgoed bepalen: "Ik heb er de meest ontvankelijke jaren doorgebracht." En: "Het besef van ontheemd zijn, gevolg van de overplanting in Holland, raak ik nooit meer kwijt." Indië wordt op indrukwekkende wijze verwerkt in de Indië-trilogie, bestaande uit Het verzonkene, Bezonken rood en De zondvloed.

[J] van Jappenkamp

Wanneer in 1943 Japan Nederlands-Indië binnenvalt, belandt Jeroen Brouwers, samen met zijn zus, moeder en grootmoeder in het Tjideng-vrouwenkamp, waar hij tot zijn vijfde zal verblijven. De periode staat onder meer geboekstaafd in Bezonken rood, zijn ontluisterende "monument voor een moeder". "De enige band die ik met mijn moeder heb, is dat ze mij heeft gebaard. [...] Zij was gewoon niet in mijn leven. Om dat uit piëteit wat af te zwakken, heb ik haar in Bezonken rood eer gebracht om het feit dat ze mij heeft leren lezen", zegt hij in een interview met Johan Diepstraten. Brouwers brengt in het kamp een (slechts in schijn) onbekommerde tijd door: "Met nog een paar kinderen loop en huppel ik mee, schaterend bij het zien hoe een vrouw met haar gezicht in een hoop drek wordt geduwd." Toch ziet hij meermaals hoe zijn moeder door de Japanners wordt geslagen en mishandeld: "Ik zocht naar mijn moeder, naar de mooie vrouw uit de eerste jaren van mijn leven. Die moeder werd gemarteld, kaalgeschoren, gehavend, kapot gemaakt - en toen hield ik op van haar te houden." Na de kampperiode wordt Brouwers een onhandelbaar kind.

[K] van Kostschooljaren

Onuitroeibare kiem van Brouwers' ouderhaat. Wordt vanaf zijn tiende tot zijn zestiende geplaatst in drie Nederlandse rooms-katholieke internaten: "Ik heb geen kampsyndroom, maar een kostschoolsyndroom." Cruciaal beeld: "Ik zie de auto waarin mijn ouders mij naar het pensionaat hebben gebracht, zonder mij weer vertrekken. Deze gebeurtenis heeft mijn leven bepaald." Formuleert in De schemer daalt vijftig jaar na datum met ongedempte kracht de onverzoenbaarheid: "Meteen toen ik het kostschoolterrein na al die tijd weer betrad, sloeg de oude rancune met vernieuwd geweld in mij los. Dat mens met haar heimwee, intussen al decennia lang dood, had me verraden door me hier te stallen, terwijl zij zelf de hele verdere rest van haar leven het nooit geheelde litteken van het Jappenkamp met zich meedroeg en dus toch wist wat het betekende, te worden vastgezet achter muren van prikkeldraad."

[L] van Liefde

"Och, 'liefde', dat is hier en daar een rotspunt waar je je zeemeeuwenpoten op kunt vastzetten, hier en daar oprijzend uit de grote, wijde, grijze, zwijgende oceaan." (Het is niets, 1993)

[M] van Manteau

"Al is het feit dat ik en zij niet bijster veel meer van elkaar houden, de oprechtheid gebiedt mij te verklaren dat zonder Angèle mijn leven anders zou zijn verlopen." Angèle Manteau is de eerste uitgeefster van Brouwers. Hij treedt spoedig in dienst bij de NV Manteau "als haar rechterhand, linkerbeen, assistent, secretaris, manusje-van-alles": "Ik ben daar begonnen met het vullen van de vulpen van mevrouw Manteau, dus werkelijk op de allernederigste plaats." Goedschiks kwaadschiks wordt Brouwers dienstdoend persklaarmaker en uitgeefredacteur. In Stoffer en blik typeerde hij de uitgeverij in de jaren zestig als "een uitermate neerdrukkende werklocatie" en "associeerde ik de sfeer ten kantore met die van de strenge kostscholen waar mijn jeugd werd vergald, gecombineerd met die op een mijnenveger." Manteau heet er "een kille, wantrouwige persoonlijkheid", "waar zij verscheen stak poolwind op". Niettemin staat vast: "alle commentaar dat ik later op haar heb gespuid, verdoezelt niet dat ik respect voor haar ben blijven gevoelen." (Vlaamse leeuwen)

[M] van Mulisch

Literaire oervader. "De enige schrijver die ik 'altijd', d.i. vanaf ongeveer mijn zeventiende à achttiende jaar, heb bewonderd en ook onvoorwaardelijk ben blijven bewonderen is Mulisch. [...] Ik kon niet ademen van ontzag. Al begreep ik van het merendeel van de boeken die hij toen had geschreven eigenlijk geen bal, [...] ik 'herkende' mijzelf in hem, d.w.z. in zijn geheimzinnige, labyrintische geschriften, in zijn 'toon'." (Kroniek van een karakter)

[N] van Nieuwe Revisor

Polemisch koepelessay uit 1979 waarin Brouwers de "verkindsing" van de Nederlandse literatuur hekelt. "Ik bepleit het nieuwe ventschap dat bestaat uit onbevooroordeeldheid, openheid, eerlijkheid, gestrengheid, durf, hartstocht voor de literatuur, strijdvaardigheid, - ik bepleit vooral: volwassenheid. [...] Maken wij van die tot jongetjes- en meisjesliteratuur verworden stinkliteratuur van ons opnieuw een volwassen meneren- en mevrouwenliteratuur." Sluit af met de befaamde kreet: "Kome er opnieuw: schoonheid. Kome er opnieuw: properheid." Ontketent een rel. Johan Vandenbroucke: "Nooit eerder was er in Nederland zo lang en zo massaal gepolemiseerd over literatuur."

[O] van Orpheus

"Orpheus is duidelijk de thematiek van mijn hele werk: het gaat altijd over het kwijtgeraakte meisje dat teruggezocht moet worden, of het dode meisje dat tot leven gewekt moet worden. Ik weet niet waar dat vandaan komt. Misschien wel van die moeder in dat Jappenkamp", zegt Brouwers herhaaldelijk.

[P] van Plagiaat

Op 15 maart 2001 wordt Brouwers door De Standaard der Letteren frontaal beschuldigd van plagiaat. Hij zou zich voor zijn eerste roman Joris Ockeloen en het wachten (1967) bediend hebben van de nooit uitgegeven roman Dichotomie van een geboorte van Dirk De Witte. Blijkt algauw erg oude wijn in (niet eens) nieuwe zakken, losjes gebaseerd op een eerder door Ruyslinck gelanceerde kwakkel. Het door Brouwers aangespannen proces wegens laster en eerroof komt binnenkort voor.

Over het feit dat andere schrijvers hem weleens plagiëren of imiteren, heeft Brouwers minzaam geschreven: "Dan glimlach ik als een meisje op een bal, gevleid omdat ik zo lieftallig en interessant word gevonden dat ik heus wel zie dat andere meiskes mijn krullen en frullen en parelende conversatie imiteren, terwijl aantrekkelijk jongelingschap om de beurt champagne drinkt uit mijn bij de naaldhak vastgehouden schoentje."

[Q] van Querulant

"Liever een querulant dan een braverd", zo staat het in Kladboek. Vanaf 1976 bouwt Brouwers een gietijzeren reputatie op als onversneden polemist, onder meer door de eerste Vlaanderen-polemiek 'J. Weverbergh en erger', waarin hij snerend onthult dat manuscripten van Vlaamse auteurs systematisch door Nederlandse redacteuren worden herschreven. (Zie ook V) Trekt ten strijde tegen het "literaire beeld van de jaren zeventig" als "een beeld van landerigheid, slordigheid, beunhazerij, over-het-paard-getildheid en vooral: pretentie."

Brouwers doceert, in navolging van leermeester Hermans, de knepen van het vak: "Een polemiek moet knallen, sissen en spuiten. Er moeten grappen in en beeldspraak. [...] Polemiek is vermaak. Cabaret. [...] Een goede polemist vecht altijd tegen de bierkaai. Hoe beter de polemist, hoe minder er naar hem geluisterd wordt."

[R] van Reve

Duidelijk detecteerbare invloed van Reves Nader tot U op het vroege Brouwers-werk, meer bepaald in de van dood en verval bol staande novelle Zonder trommels en trompetten (1973). Door Parool-criticus Guus Luijters (zie N en S) destijds als "het boekje van een super-epigoon" beschimpt.

[S] van Schelden

"Polemisten schelden als het nodig is", poneert Brouwers. Kleine bloemlezing: Arjan Peters: "zuursmoelreptiel"; Dirk Ayelt Kooiman: "een per fietspomp tot paradijsvogel opgeblazen mus"; Guus Luijters: "jeukbron van de literatuurpagina, droplul van het recensentendom, ui in de oksel van de muze"; Luuk Gruwez: "zelfingenomen kraanhals en vileine roddelwind, gewezen dorpsschoolmeester met te veel tijd"; Ward Ruyslinck: "een verknepen voorzichtig levende spitsburger met bakkebaarden en een rupsgelijkende dunne snorstreep op de bovenlip", Alstein: "brilsmurf van de 'stille generatie', schrijver van griesmeelpuddingproza, samengeperst tot keutels van een geconstipeerde muilezel", etcetera.

[T] van Televisie

Synoniem met angstzweet. Wanneer Adriaan van Dis op bezoek komt en hem polst voor een live-televisieoptreden, spookt het door des schrijvers hoofd: "We zullen wel zien of ik in je programma zal verschijnen, antwoordde ik, met in mijn achterhoofd alreeds de in achtentwintigs punts letter zichtbare zekerheid dat ik het niet zal doen: te bang, onzeker, verlegen, te weinig gevat, te weinig briljant, te weinig arrogant en gedurende de hele uitzending bezorgd inzake vragen als: het lipje van de ritssluiting is toch niet buiten mijn pantalon zichtbaar? Er zal toch geen neusinhoud aan mijn bovenlip kleven? Ik zal toch niet zo overmatig zweten dat ik mij voortdurend moet droogwissen? - want dit alles is zo onchic." (Het is niets)

[V] van Vlaanderen

Jozef Deleu omschreef Brouwers ooit als "de onbegrepen minnaar van Vlaanderen". Door anderen vaak uitgekreten als "Vlamingenhater". Brouwers benadrukte: "Mijn inzet voor de Vlaamse letteren en cultuur is altijd eerlijk en hartstochtelijk geweest, maar soms, zoals dat nu eenmaal gaat in liefdesaangelegenheden, moet er eens een stomp worden uitgedeeld en valt er een verfrissend scheldwoord. Dat is dat mes op tafel. Het ligt daar overigens naast de pot bier die vervolgens in een gebaar van verzoening naar de mond kan worden getild om alle bitters weer weg te spoelen." (Dankwoord Ridder in de Kroonorde, 1993). Als gladgestreken plooi van waardering krijgt Brouwers in 1992 de Orde van de Vlaamse Leeuw.

[W] van Winterlicht (1984)

Roman ontstaan uit de schrij- versportretten van De laatste deur (zie Z). Ten onrechte ondergeschoven geraakt boek, waarin Brouwers zijn eigen schrijversangst gemaniëreerd maar hartstochtelijk invlecht. Verzet tegen de dreigende vergetelheid: "Ik wil niet in de tijd verdwijnen, ik verzet mij tegen de definitieve vervaging."

[Z] van Zelfmoord

Wijd en zijd erkend, selfmade suïcidoloog sinds De laatste deur (1983), zijn monumentale studie over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren. Bevat 18 "papieren gedenktekens" voor onder meer Dirk De Witte, Menno Ter Braak, Jan Arends, Jan Emmens, Jotie T'Hooft. Geschreven uit een onstelpbare noodzaak, "opeens stroomt dan al dat weten en kennen uit mij als uit een vat waar geen druppeltje meer bij kon". De vonk lag in de van nabij beleefde zelfmoorden van Dirk De Witte, Jan Emiel Daele en vooral Anne Walravens, die een tijdlang zijn vriendin was. "Haar zelfmoord heeft mij van de ene dag op de andere veranderd van een blije, vriendelijke springer, - ik was een konijntje in de maneschijn, - in de cynische alleshater die ik thans ben", luidt het in 1978, en later: "Als je mij zou zien als een stad is de zelfmoord van Anne W. het grote plein in het centrum." Deze zelfmoorden ontlokten hem de "toon van solidariteit": "ik kan mijzelf herkennen in alle eigenaardigheden, angsten, depressies, verslavingen en noem het maar 'gekten' die des schrijvers zijn."

Dirk Leyman

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234