Woensdag 23/09/2020

ReportageReizen

Durbuy: ge moet het eens gezien hebben

Het toeristentreintje dokkert een halfuur door Durbuy. Sandrine Lopez-Diaz trekt door het land om wensen te verzamelen. Eenieder kan een wens op een van haar rugzaklintjes schrijven.Beeld Tim Dirven

Durbuy: zijn minigolf, zijn toeristentreintje, zijn avonturenpark. Vlamingen zijn er dol op. Maar waarom? ‘Echte Durbuysiens, die vind je hier bijna niet meer.’

Dat Durbuy de kleinste stad ter wereld is, is trouwens niet waar. Ooit was het een slogan om volk naar Durbuy te lokken, vandaag is het een achterhaald begrip, zelfs in eigen land. De kleinste stad van België is het West-Vlaamse Mesen met nog geen duizend inwoners. Durbuy heeft er sinds de gemeentefusie van 1977 elfduizend, maar trek de twaalf deelgemeenten eraf en het is en blijft een scheet groot.

Op het eerste gezicht telt downtown Durbuy, eigenlijk een handvol kasseistroken uitgestrooid rond een kasteel en afgezoomd met winkels en horeca, zelfs meer parking dan straten – op het tweede gezicht ook. Bovendien is het nog maar de vraag hoeveel oorspronkelijke bewoners er zijn overgebleven nadat Marc Coucke het middeleeuwse stadje voor een groot deel opkocht. Maar daarover straks meer.

Het is tien uur ’s ochtends en de dag kondigt zich bloedheet aan. Voor tien euro kun je de auto de hele dag achterlaten even buiten het centrum. Durbuy is niet wat je noemt gemakkelijk bereikbaar met het openbaar vervoer. De trein stopt in Barvaux, vanwaar het nog vijf kilometer wandelen is. Maar goed, daarvoor komen de meesten naar de Ardennen.

Voor veel Vlamingen is de autorit naar Durbuy trouwens een feest van herkenning. Als een lokale A12 slingert de Route du Condroz na de oevers van de Maas in Luik omhoog langs Seraing. De veredelde steenweg is een langgerekte sliert van eettenten, meubelparadijzen, een caravanshop, doe-het-zelfzaken, warenhuizen, autoshowrooms, een zonnebankcentrum, kledingdiscounters én een Amerikaans kerkhof.

Pas wanneer de Route du Condroz de Route de Liège wordt, treedt een visuele rust op die je doorgaans associeert met een Ardennenlandschap. Alleen is dit niet de Ardennen maar de Condroz – geologisch gesproken toch. Durbuy ligt dan wel in de provincie Luxemburg, in het noordwesten schurkt de gemeentegrens aan tegen de provincies Namen en Luik.

Op de parking langs de Ourthe wijzen borden erop dat een mondmasker verplicht is in het oude stadscentrum. Hobokenaar Mike Serneels vertaalt de maatregel voor zijn Albanese vriendin Alba Luca, die Durbuy voor het eerst bezoekt. “Mike wilde me dit stadje laten zien”, zegt ze. “Ik woon al enkele jaren in België, maar het was er nog nooit van gekomen.” Mike komt elk jaar naar de Ardennen om te fietsen – Achouffe en Houffalize zijn vaste prik. Durbuy is geleden van zijn kindertijd, moet hij toegeven. “Het was tijd om nog eens terug te komen.”

Het zal een speeddate worden met de Ardennen: het koppel heeft maar een dag vrij en deze namiddag staan Aarlen en Bastenaken nog op het programma. Mike zal flink zijn best moeten doen, want voorlopig is Alba niet onder de indruk. “Hij had mij bergen beloofd”, zegt ze, terwijl ze verbaasd rond zich heen kijkt. “In Albanië zijn de bergen meer dan tweeduizend meter hoog.”

‘Goed van eten’

Waar kan een daguitstap in eigen land traditioneler beginnen dan bij de toeristische dienst van de streek in kwestie? De vrouw achter het loket van het Syndicat d’Initiative neemt er een stadsplan bij en legt uit wat veel Vlamingen als het hoogtepunt beschouwen in Durbuy. Achtereenvolgens omcirkelt ze de minigolf, het toeristisch treintje en het Parc des Topiaires, een buxustuin langs de Ourthe.

Tijd voor een familiekiekje, met Durbuy op de achtergrond.Beeld Tim Dirven

“Kajakken is helaas niet mogelijk”, klinkt het verontschuldigend. “Het water in de Ourthe staat te laag. Als u een kajaktochtje wilt maken, dan kunt u in Adventure Valley terecht voor een traject van twee kilometer heen en twee kilometer terug.” Of willen we misschien liever de bossen in? De vrouw wijst naar een rek met wandelkaartjes waarop routes van een tot vijftien kilometer staan uitgetekend. Misschien een andere keer – het is nog geen middag en de thermometer tikt al dertig graden aan.

Op de Place aux Foires, het centrale plein in Durbuy, lopen de terrassen aardig vol. Het plein is het start- en eindpunt van het toeristisch treintje. Zes euro per volwassene, rijdt een half uur. De Hasseltse Arlette Swijsen, die met haar man, kinderen en kleinkind haar 45ste huwelijksverjaardag viert in Durbuy, gaat liever te voet. “In april hadden we een weekendje in Leeuwarden geboekt, maar door het coronavirus blijven we liever dicht bij huis. Nu zitten we drie dagen op hotel in Durbuy.” Op het programma: de grotten van Han, een wandeling langs de Ninglinspo, de enige bergrivier van België, en “genieten van ons gezin”. Vlamingen en klassiekers: het blijft een geslaagd huwelijk.

Aan de minigolf staat Dokus Soetemans, een jonge Leuvenaar, te zweten onder de loden zon. Durbuy was een last-minutebeslissing. “Mijn vriendin Sarah en ik hadden een thema-overnachting cadeau gekregen op een boerderij in de buurt. We hebben nog twee nachten extra geboekt, in Dinant en Nassogne. Ik was nog nooit in Durbuy geweest – ook niet op schoolreis, nee. Charmant stadje, toch? En die minigolf, tja, dat hoort erbij.”

Een halfuur later is het treintje de Rue des Crêtes opgetuft. De chauffeur houdt halt aan een aftandse chalet naast een frisdrankautomaat en een uitkijktoren die tot nader order gesloten is. Belvédère is een te mooi woord voor deze plek, die een blik biedt op het dal van de Ourthe. Bart Boelaert en Anja Verdoodt uit Opwijk vinden het prima zo. Vanochtend hebben ze hun zonen afgezet aan het Adventure Park. “Als je 16 en 18 bent, wil je niet meer met je ouders gezien worden. Dus bezoeken wij het stadje, voor het eerst. We hebben direct tegen elkaar gezegd: hier komen we terug”, zegt Anja. Of ze nog plannen hebben? “De minigolf en de buxustuin. Die schijnt echt de moeite te zijn.”

Er lijkt geen sleet te zitten op het begrip ‘Durbuy’. In juli en augustus krijgt het stadje zo’n 15.000 bezoekers per dag te slikken. Ook tijdens de kerstperiode is het er over de koppen lopen. “Onze kerstmarkt trekt enorm veel volk”, zegt burgemeester Philippe Bontemps, “en het is niet eens de mooiste van het land. Maar er is veel animatie en Durbuy heeft nu eenmaal een reputatie. Naast Brugge, Gent en Brussel is het een van de bekendste toeristische bestemmingen van het land. Zelfs de Chinezen en de Japanners hebben ons ontdekt. Het klopt dat 70 procent van onze bezoekers Nederlandstalig zijn. Maar ook voor Walen zijn wij de eerste bestemming.”

Dokus en zijn vriendin Sarah. ‘Charmant stadje, toch? En die minigolf, tja, dat hoort erbij.’Beeld Tim Dirven

Bontemps noemt de natuur, met honderden wandel- en mountainbikeroutes, en het oude, middeleeuwse centrum de belangrijkste troeven van zijn stad. “Al sinds de jaren vijftig staan wij bekend als ‘de kleinste stad ter wereld’”, klinkt het lichtjes ironisch. “Dat is trouwens al lang uitgepraat met Mesen – om het bij te leggen is hun fanfare komen spelen in Durbuy. Bovendien kun je hier lekker eten. Le Sanglier des Ardennes, waar Wout Bru nu kookt, heeft sinds de jaren zestig naam gemaakt als gastronomisch adres. Zoiets blijft hangen bij de mensen.”

Ongevraagd lijkt Bontemps daarmee de essentie te vatten van wat Vlamingen naar Durbuy lokt: het is klein, overzichtelijk en goed van eten. Bovendien is het traditie en daaraan wordt niet gemorreld. Of, zoals een dagjestoerist het verwoordt: ‘Ge moet het eens gezien hebben.’

Wenslinten

Als Franstaligen over iets enthousiast zijn, zijn ze tout feu, tout flamme. In Durbuy lijkt het wel het tout feu, tout Flamand. Voor sommige Vlamingen gaat de liefde echter verder dan dat: ze kopen een huis en komen er wonen. Zanger Helmut Lotti is vaker te vinden in deelgemeente Heyd dan in zijn thuisstad Antwerpen, maar er zijn ook Vlamingen die zich storten op het verblijfstoerisme en een bed and breakfast openen.

De Oost-Vlaamse Veronik Goossens, uitbaatster van Monsieur Doute, was al twintig jaar op zoek naar een geschikt pand voor een chambre d’hôtes. Pas in Durbuy was het raak. “Ik heb behoorlijk wat rondgereden in de Ardennen. Er zijn veel gronden en huizen gepasseerd. Toen ik in Houwar, op zeven kilometer van Durbuy, een oud schoolgebouw zag, wist ik: dit is het. Blij ook dat ik in Durbuy ben terechtgekomen. Had ik een huis gekocht in La Roche-en-Ardenne, dan zat ik daar nu schoon.” La Roche is al een tijdje passé, zo blijkt. “Bovendien is het hier nog zoals vroeger: iedereen kent elkaar. Ik woon hier nog maar een jaar, maar mij krijg je niet meer terug naar Vlaanderen.”

Haar man pendelt wel nog naar Vlaanderen, vertelt Veronik. “Hij werkt om de week in Antwerpen en in zijn werkweek blijft hij daar slapen. Voor de rest is ons leven hier. Omdat de B&B mijn droom was, komt de zorg voor de vier kamers volledig bij mij terecht.”

In Durbuy komt Veronik weinig, moet ze toegeven. “Daarvoor heb ik het te druk. Durbuy is leuk voor even: de winkels zijn altijd open en je vindt er de beste restaurants. Maar eigenlijk is het vooral voor toeristen. Sowieso zie je de inwoners hier weinig. Van maandag tot donderdag zijn ze hard aan het werk, pas op vrijdag komen ze buiten. Ardennezen houden van het goede leven: in januari was er een nieuwjaarsdrink in ons dorp waarop iedereen aanwezig was.”

En, niet onbelangrijk: als Vlaming voelt Veronik zich welkom. “Ik heb lang in Zoersel gewoond. Na vijftien jaar kende ik daar alleen mijn buren. Dat is hier wel anders. Maar wij hebben ons ook onmiddellijk geïntegreerd en ons niet opgesteld als de nieuwkomers die het beter denken te weten. Dat hebben de mensen in het dorp geapprecieerd.”

Aan exotische voertuigen tegenwoordig geen gebrek in Durbuy.Beeld Tim Dirven

Rond de lunchtijd zijn bijna alle tafeltjes in Durbuy bezet. Met hun zwaarbeladen fietsen aan de hand – “We hebben alles bij, zelfs een tafel en stoelen!” – zoeken Dirk Van Gansen en Anne Adriaensens naar een vrije plek. Negen dagen geleden begon het koppel in het noorden van de provincie Antwerpen aan een fiets- en kampeertocht langs de grens van België. Nu zijn ze in Durbuy gestrand, een flink stuk uit koers. “Klopt, we zijn onderweg naar Luik en van daar terug naar huis”, verklaart Dirk. “Het is veel te heet. We zaten in Luxemburg en moesten nog via Henegouwen naar de kust, maar gisteren hebben we afgehaakt. Het ging niet meer.”

De mindset van een fietser een beetje kennende, moet dat als een mislukking voelen. Anne knikt. “Volgend jaar doen we deze reis opnieuw. De hele trip, te beginnen vanaf Antwerpen. Maar dan in de omgekeerde richting.”

Sandrine Lopez-Diaz heeft meer geluk, of juister: ze is ernaar op zoek. De Brusselse uit Geraardsbergen is te voet onderweg naar Clavier. Met haar zware trekrugzak is ze een opvallende verschijning tussen de dagjestoeristen in Durbuy. Bovendien hangen er kleurrijke linten aan haar rugzak. “Wenslinten”, verduidelijkt Sandrine. “Ik reis het land af om wensen te verzamelen. Je kunt die op het lint schrijven en als ik terug thuis ben, ga ik die aan een wensboom hangen op de Muur van Geraardsbergen.”

Waarom een wensboom? “Om kracht te geven aan de mensen. Normaal zou ik op reis gaan naar Guatemala, maar die is afgelast. Sinds begin augustus ben ik op stap in eigen land. Elke dag neem ik de trein naar een Belgische provincie en zie ik wel wat er op mijn pad komt. Slapen doe ik bij kennissen.” Na een echtscheiding en de verkoop van haar boekhoudkantoor in Brussel is Sandrine een andere weg ingeslagen. Alleen weet ze nog niet waar die naartoe leidt. En de goedkeuring voor de wensboom bovenop de Muur is ook nog hangende. Sandrine leeft op hoop. “Wie weet leest de burgemeester van Geraardsbergen wel mee.”

Protest

Succes heeft vele vaders, de Vlaamse aanwezigheid in Durbuy heeft er drie. Maurice Cardinael uit Antwerpen, stichter van restaurant Le Sanglier des Ardennes, en de vader en grootvader van Bart Maerten uit Veurne, die vrijetijdsonderneming La Petite Merveille oprichtte en vier jaar geleden een kapitaalinjectie kreeg van Marc Coucke, waren de Vlaamse pioniers in Durbuy.

Voor wie tuffen met het treintje maar niks vindt, kan ook met een Vespa door de stad sjezen.Beeld Tim Dirven

“Eigenlijk is mijn grootmoeder begonnen met Le Sanglier”, zegt Frédéric Cardinael, inmiddels derdegeneratie-Vlaming in Durbuy en het Nederlands niet meer machtig. “Tijdens de Tweede Wereldoorlog is mijn familie van Antwerpen naar de Ardennen gevlucht. Na de oorlog heeft mijn grootmoeder een herberg overgenomen die in de jaren zestig is overgegaan op mijn vader. Hij maakte er een toprestaurant van dat ik eind jaren negentig overnam.”

De gouden jaren waren toen al voorbij: Vlamingen kwamen alleen nog naar Durbuy om in het stadje rond te kuieren en een pannenkoek te eten. “In de jaren tachtig en negentig is Durbuy hertimmerd: het water werd gekanaliseerd, er kwamen kwalitatieve hotels en restaurants bij. Maar daarna is het ingezakt. De komst van Marc Coucke is voor Durbuy een zegen geweest. Er wordt weer over ons gepraat”, vindt Frédéric.

Ook de horeca-ondernemer vaarde er wel bij: hij verkocht zijn restaurant met bijbehorende faam aan Coucke. Maar daar hield hij een dubbel gevoel aan over. “Er blijven geen Durbuysiens meer over. In het oude stadscentrum zijn er nog maar twintig mensen met een eigen huis. Met de omliggende straten erbij kom ik aan veertig families van wie je kunt zeggen dat het Durbuysiens zijn. En dan heb ik het niet over de manager van een hotel, maar over mensen die elkaar regelmatig opzoeken. Toen ik opgroeide in Durbuy, voetbalden we op het plein terwijl de was er wapperde in de wind. Nu vind je daar alleen nog maar boetieks, hotels en restaurants.”

Wonen is haast onmogelijk geworden in Durbuy, vindt Frédéric. Zelf verhuisde hij met zijn gezin naar Warre, een dorp drie kilometer verderop, om in een huis met een tuin te kunnen wonen. “Durbuy is prima om te werken – zelf heb ik er nog drie hotels en twee restaurants. Maar na sluitingstijd is het er doods. En je auto geraak je er al helemaal niet meer kwijt.”

Frédéric drukt zich voorzichtig uit, hij wil niet tot het anti-Couckekamp gerekend worden. Na de komst van de investeerder verenigde een handvol ongeruste handelaars en bewoners zich in de actiegroep SOS Durbuy, die uitmondde in een politieke partij, Changeons. Maar die haalde bij de recente gemeenteraadsverkiezingen slechts een handvol stemmen, niemand geraakte verkozen. Het protest is inmiddels verstomd en Frédéric wil dat graag zo houden.

“Ik heb geen kritiek op de tientallen miljoenen euro die Coucke in Durbuy pompt. Bij KV Oostende waren ze ook blij toen hij zijn portefeuille bovenhaalde om de club te redden. Maar toen hij vertrok, bleek er een enorme schuldenput te gapen. Coucke blijft tenslotte een zakenman: op het einde van de dag moeten de cijfers kloppen.”

In Durbuy kun je ook lekker tafelen. Zoals hier in Le Sanglier.Beeld Tim Dirven

Durbuy heeft zeker nog een ziel, vindt Frédéric. “De families die er nu nog wonen, zijn vastbesloten om het authentieke karakter van het stadje te behouden. Coucke mag gerust zijn zaken voortzetten, het zijn nog altijd de inwoners die het moeten waarmaken. Straks gaat hier een vijfsterrenhotel open en komt er misschien een museum bij, maar de Vlamingen komen niet naar Durbuy voor het design van een Antwerpse architect. Zij willen oprechte, oorspronkelijke gezelligheid en die kunnen Franstaligen hun geven.”

Volgens Philippe Bontemps, al 32 jaar lid van de gemeenteraad van Durbuy, waarvan 14 jaar als burgemeester, is Durbuy voortdurend in beweging. “Het verandert hier snel. Het oude stadscentrum wordt soms onder de voet gelopen, maar dat is vooral tijdens weekends. Onze gemeente heeft 44 woonkernen: we zijn aan het kijken hoe we het volk beter kunnen spreiden. In Wéris, het dorp van de megalieten, is het nooit druk. Bovendien wordt de stad blijvend verfraaid – wat dat betreft hebben we een eer hoog te houden.”

Durbuy-le-Zoute

Het verblijfstoerisme heeft Durbuy voor een groot deel te danken aan de West-Vlaamse familie

Maerten. “Mijn vader en grootvader zijn hier in 1964 met vakantiekampen voor kinderen begonnen, later zijn daar bosklassen bijgekomen”, zegt Bart Maerten, CEO van de vrijetijdsonderneming La Petite Merveille. “Ik denk dat veel Vlaamse jongeren bij ons al op vakantie zijn geweest.”

In de jaren zestig en zeventig waren vakantie­kolonies populair. Grote werkgevers kochten of huurden gebouwen om kinderen van hun werknemers op vakantie te laten gaan, zodat de ouders aan het werk konden blijven. De familie Maerten wist onder meer spaarbank ASLK, het huidige BNP Paribas, te overtuigen van zo’n kolonie in Durbuy. “Rond diezelfde tijd maakte ook Le Sanglier naam”, weet Bart. “Maurice Cardinael was de Sergio Herman van zijn tijd. Als ouders hun kinderen bij ons hadden afgezet, gingen ze bij Maurice eten.”

In de jaren tachtig en negentig kreeg La Petite Merveille concurrentie van Durbuy Adventure, dat outdooractiviteiten in de streek begon uit te bouwen. “Wij waren de eersten om buitensporten aan te bieden, zoals kajakken op de Ourthe”, zegt Bart. “Maar plots pikte Durbuy Adventure onze naam en ons clientèle in. In die periode hebben wij ons geconcentreerd op onze corebusiness. Kinderen die bij ons op kamp kwamen, wilden het jaar nadien terugkomen. Op 1 januari konden ze inschrijven, een dag later waren we voor de hele zomer volgeboekt.”

Vader en grootvader Maerten bleven ondertussen aan de slag als leraar in West-Vlaanderen. In de zomer woonden ze twee maanden in Durbuy. “Elk weekend en elke zomer bracht ik door in de Ardennen”, zegt Bart. “Toen ik op mijn twintigste de zaak overnam, ben ik definitief naar hier verhuisd. Vier jaar geleden liep ik Marc Coucke tegen het lijf, en de rest is geschiedenis.”

Durbuy is al die jaren niet veranderd, vindt Bart. “Dankzij een strenge urbanisatiepolitiek is het stadje hetzelfde gebleven. In de jaren tachtig heeft de toeristische dienst een traject voor dertig jaar uitgetekend dat minutieus is gevolgd. Nu wordt er veel geïnvesteerd in ontspanningsmogelijkheden, in fietsen en in glamping (‘glamorous camping’, oftewel comfortabel kamperen, red.). In september gaat ons vijfsterrenhotel open, we hebben plannen voor een sportcomplex en we willen ons richten op de paardenwereld. We bouwen voort op kwaliteit en weren activiteiten zoals quadrijden en paintball. Maar het klopt niet dat wij er alleen voor de rijken willen zijn. Het moet hier geen Knokke worden.”

Ook in glamping wordt voorzien maar ‘het moet hier geen Knokke worden’.Beeld Tim Dirven

Die dure bijklank is nochtans niet nieuw: in de jaren tachtig en negentig waren Vlamingen die hun interesten op niet-aangegeven beleggingen in Luxemburg gingen innen met de zogenaamde ‘couponnekestrein’ graag geziene gasten in Le Sanglier. Zodra de coupons geknipt waren, stapten ze op de terugweg af in Durbuy om dat te vieren.

Durbuy was altijd al de favoriete bestemming van Vlamingen in de Ardennen, net zoals Walen graag naar de kust gaan, betoogt Bart.

“Nogal wat Vlamingen hebben hier een tweede verblijf: in de chaletparken vind je meer Vlamingen dan Walen. Door de staycation zijn de Vlamingen Durbuy aan het herontdekken en komen ze tot de vaststelling dat hier meer mogelijk is dan alleen maar pannenkoeken eten.” Bovendien is de wissel op de toekomst genomen. In La Petite Merveille is ondertussen de vijfde generatie Maerten aan de slag. “Al die tijd heeft Durbuy zijn eigenheid bewaard”, zegt Bart. “Dat willen wij niet kapotmaken. Al denk ik niet dat de mensen van hier ons nog beschouwen als Vlamingen die Durbuy komen inpalmen. Hoelang moet je ergens wonen om van de streek te zijn?”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234