Dinsdag 17/05/2022

Druiven uit eigen tuin

Ook zonder serre zijn ze te telen

In de veertiende en vijftiende eeuw waren Leuven en Hoei bekend om hun uitstekende wijnen. Keizer Karel V dronk het liefst Leuvense wijn, ook al maakte de Bourgogne deel uit van zijn wereldrijk, omdat het de enige wijn was die zijn jicht en buikloop kon genezen. Vanaf de zestiende eeuw ging de wijnbouw in onze streken achteruit. Het verdrag van de Pyreneeën uit 1659 verbood zelfs de druiventeelt in onze gewesten om de Franse wijnen te beschermen. Sinds een aantal jaren worden er opnieuw wijndruiven gekweekt in onze streken, vooral in Limburg en het Hageland, maar ook in uw eigen tuin zijn druiven een relatief gemakkelijke teelt.

Paul Geerts

e meeste mensen denken wellicht dat druiven veel warmte nodig hebben om te rijpen en dat men in ons klimaat dus over een serre moet beschikken om ze te kweken. Dat klopt slechts ten dele. De exquise tafeldruiven die nog altijd de trots uitmaken van de streek rond Overijse en Hoeilaart worden inderdaad in serres gekweekt. Indien u over een hobbyserre beschikt, dan vormen druiven een ideale teelt. Een druivelaar neemt nauwelijks nuttige ruimte in; hij kan bijvoorbeeld tegen de noordwand van de serre of als een natuurlijk schaduwnet langs het dak worden geleid. Traditioneel wordt de plant zelfs buiten, juist naast de serre geplant en via een buis door de serrewand naar binnen geleid, zodat zelfs de wortels nauwelijks in concurrentie komen met andere gewassen in de serre.

Maar u kunt ook druiven kweken zonder serre. Er bestaan verscheidene druivenrassen die perfect onder de blote hemel kunnen worden geteeld en die een voortreffelijke wijn- of tafeldruif opleveren. Ze moeten wel op een enigszins beschutte, naar het zuiden gerichte standplaats worden aangeplant. Het is geen toeval dat de wijngaarden in onze streken vroeger op zuiderhellingen werden aangelegd - enkele straatnamen op de hellingen rond Leuven zoals Wijnbergenstraat en Ten Wijngaard herinneren daar nog aan - en dat de druiven ook vandaag in het Hageland en in Limburg bij voorkeur op zuiderhellingen wordt aangeplant. Kies daarom een standplaats pal op het zuiden met bij voorkeur een muur of een haag aan de noordkant.

Druiven houden van een goed bemeste, humusrijke en vooral goed doorlaatbare bodem zodat de wortels niet permanent in het water staan. Naast een goede basisbemesting bij het planten, moet er elk jaar worden bijgemest met bijvoorbeeld stalmest of compost en dolomietkalk (die veel magnesium bevat).

Het planten van een jonge druivelaar met blote wortel gebeurt best eind april. Containerplanten kunnen tot in het najaar worden geplant, maar ook hier verdient het voorjaar de voorkeur. Geef na het planten regelmatig flink water om de snelle beworteling van de druivelaar te stimuleren.

Een eerste manier om buitendruiven te telen is ze als klimplant tegen de gevel te leiden, liefst een gevel op het zuiden als het de bedoeling is om rijpe druiven te oogsten. Belangrijk is dat de druif niet plat tegen de gevel wordt geleid, maar dat er zo'n dertig centimeter ruimte blijft, zodat er wind tussen kan om schimmelaantastingen te voorkomen. Voor een mooi effect én een goede opbrengst moet u tijdens de eerste jaren een beetje geduld oefenen en de jonge druivelaar stapje voor stapje opkweken. Het lijkt allemaal nogal ingewikkeld, maar het is in feite zeer eenvoudig.

Het principe is dat u tijdens de eerste jaren een dikke stam kweekt die verticaal omhoog wordt geleid en waarop zijscheuten komen die langs horizontale draden op zo'n dertig centimeter van elkaar worden aangebonden. Bij het planten behoudt u één enkele hoofdscheut, de rest knipt u weg. U kunt ook met meerdere hoofdscheuten vertrekken, maximaal drie. De snoeiprincipes zijn dezelfde als bij één hoofdscheut. Bindt die hoofdscheut aan een bamboestok of een verticale draad. Haal regelmatig de zijscheutjes die in de bladoksels ontstaan ('dieven') weg op een drietal bladeren en verwijder ook de hechtrankjes. Eind juli knip je de kop weg. Het tweede jaar knipt u het boompje terug tot op drie ogen. De sterkste van de drie scheuten gebruikt u om de druivelaar verder verticaal te leiden. De twee andere scheuten moet u op twee ogen insnoeien om de stam te laten dikken. Ook de dieven worden op twee ogen ingesnoeid. Eind juni wordt de kop opnieuw uitgeknepen. Het derde jaar knipt u het boompje in het vroege voorjaar (februari-maart) tot op een meter boven de grond. Indien het boompje nog dunner is dan een potlood, knipt u beter nog iets dieper, tot op ongeveer zeventig centimeter. Is de stam minder dan een meter gegroeid, dan moet u nog een jaar geduld oefenen en opnieuw inknippen tot op drie ogen, zoals tijdens het tweede jaar. De dieven langs de stam worden opnieuw tot op één of twee bladeren gesnoeid.

In de volgende jaren gaat u volgens dezelfde principes door tot uw druivenboompje de gewenste hoogte heeft bereikt: de bovenste scheut leidt u verder omhoog, de zijscheuten knipt u in tot op twee ogen. Het stammetje mag elk jaar ongeveer een meter groeien, de rest moet u wegknippen. Zodra de druivelaar de gewenste hoogte heeft, wordt de bovenste scheut horizontaal aangebonden. Ook de tweede scheut kan in de andere richting worden aangebonden zodat er een T ontstaat. U kunt nu ook zijtakken laten groeien en die horizontaal wegbuigen zodat er een mooi raamwerk ontstaat. De hoofd- en zijscheuten mogen elk jaar met maximaal een meter groeien, de rest wordt in de winter weggesnoeid. De vruchttakken ontwikkelen zich op de horizontaal geleide zijtakken. Behoud één vruchttak om de twintig centimeter, de rest snoeit u weg. Na de winter (in maart) worden deze vruchttakken op één oog gesnoeid. Uit dat oog zal een nieuwe vruchtscheut met trossen komen.

Naast de echte druivelaar kunt u tegen een gevel ook een sierdruivelaar planten. Het bekendst is de wilde wingerd, met zijn mooie herfstverkleuring, die als grote voordeel heeft dat hij zichzelf vasthecht en dus niet moet worden geleid. Een mooi alternatief voor die wilde wingerd is de Japanse sierdruif Vitis cognetiae, met grote viltige bladeren die ook zeer mooi verkleuren. Hij moet net als de gewone druivelaar worden geleid en de kleine besjes zijn niet eetbaar. Een andere sierdruivelaar is Vitis vinifera 'purpurea', met rood-paars blad. Ook deze druivelaar hecht zichzelf niet vast en moet worden geleid.

Druiven zijn ook zeer geschikt om een pergola te laten begroeien. In zuiderse landen ziet men bijvoorbeeld vaak op terrassen metalen constructies die met druiven zijn begroeid. Ook in ons klimaat is een druivelaar een ideale schaduwplant bij een terras omdat hij het zonlicht aangenaam filtert zonder voor een dichte schaduw te zorgen.

Het opkweken van pergoladruiven en het verdere onderhoud zijn vrijwel identiek aan die van geveldruiven: één hoofdscheut wordt tegen de verticale steun van de pergola geleid en jaar na jaar met ongeveer een meter verlengd tot hij de gewenste lengte heeft bereikt. In de opbouwjaren worden de dieven op twee bladeren ingekort. Eens de hoofdscheut bovenaan de pergola is, wordt hij horizontaal geleid. Ook een zijscheut wordt in de andere richting horizontaal aangebonden. Deze horizontale scheuten kan men jaarlijks verlengen met ongeveer een meter tot de ganse pergola is begroeid. De zijscheuten op de horizontaal groeiende hoofdscheuten vormen de vruchttakken waarop de druiventrossen zullen komen. Ze worden op een vijftal bladeren na de tros ingesnoeid. Elk jaar in maart worden deze vruchttakken op één oog ingesnoeid. Maar eens uw druivelaar de hele pergola heeft bedekt, kunt u hem ook rustig zijn gang laten gaan en alleen het teveel aan zijscheuten wegsnoeien. Wel moet u elk jaar in maart de vruchttakken op één of twee ogen insnoeien omdat uw druivelaar anders te veel gaat woekeren.

Hebt u geen (zuider)gevel en geen pergola, dan kunt u druiven ook gebruiken als een soort haag. Deze teeltwijze benadert het dichtst de echte wijngaard. In dit geval wordt de druivelaar geleid aan horizontale draden die bevestigd worden aan houten palen. De meest gebruikte snoeimethode voor buitendruiven in ons klimaat is de zogenaamde enkelvoudige Guyotsnoei of het horizontale snoer.

Het principe is dat elk jaar twee nieuwe takken worden gekweekt en dat de tak waarop vruchttakken hebben gestaan, elk jaar volledig wordt weggesnoeid.

Een goede handleiding voor wie zelf druiven wil kweken is het boekje van Dirk Vansina Druiven, een passie, uitgegeven in eigen beheer en te verkrijgen op volgend adres: Dirk Vansina, Wijnbergenstraat 51a, 3010 Leuven. Ook het boekje Ecologische teelt van kleinfruit van Velt bevat een hoofdstukje over druiven.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234