Woensdag 28/10/2020

'Door te schrijven ben ik mezelf niet verloren'

Op een dag in 2004 pleegde zijn geliefde zelfmoord. En toen wou hij zichzelf verliezen. Gek van verdriet en schuldgevoel stopte Amsterdammer Johan Kelders zijn leven in het vriesvak. Hij belandde op straat, in Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen. Veel te snel was hij geen mens meer maar een agressief en eenzaam dier. Alleen, hij móést schrijven. 'Mijn schriften en balpennen waren een reddingsboei.' Zijn stukjes zijn vanaf vandaag te lezen in De Morgen.

door Barbara Debusschere

at verwacht je als je een ex-dakloze gaat interviewen? Proper gekamde haren en nette kleren maar een verweerd gelaat, een doffe blik en veel zwartgalligheid, blijkbaar. Johan Kelders is een blozende, zachtmoedige en stijlvol uitgedoste vijftiger. Zijn ziel is niet gesloopt. Grijnzend haalt hij een muts en zonnebril boven omdat hij onherkenbaar op de foto wil. Het is nu anderhalf jaar geleden dat hij zich uit het leven op straat wist te hijsen. Omdat hij af en toe op cruiseschepen werkt, wil hij "zijn kop niet laten zien". "Als die rijkelui te weten komen dat ik een jaar op straat leefde, kan ik het wel schudden", zegt hij.

Dat ze hem zouden herkennen van vroeger, toen hij zat te bedelen, daar zit hij minder mee in. Kelders: "De bakker bij wie ik als zwerver brood haalde, wou me toen nooit bedienen. Nu wel. 'Herkent u mij niet meer?', vroeg ik. Niet dus. Toegegeven, ik zag er toen niet uit. Het is verbazend hoe snel je vuil en sjofel wordt op straat. Na een paar dagen neem je de moeite niet meer om je te wassen in de fontein."

En op uw eerste zwerfnacht werd u al meteen geconfronteerd met de agressie onder zwervers.

"Ik ging met een slaapzak en wat spullen op een bank zitten. Uren zat ik daar te twijfelen. Zou ik niet teruggaan? Maar na een paar uren is het al definitief. Je hoort en ziet de 'gewone' wereld nog, maar jij bent eruit weg. Ik zat, zo bleek, op de bank van een vrouwelijke dakloze. 'Sodemieter op. Hier woon ik!', riep ze. Ze wou me een ram geven met een kapotte fles. Ik zei nog, lullig: 'Banken zijn openbaar bezit.' Maar zo werkt het niet in de zwerverswereld. Ze jaagde me weg en riep: 'Vuile zwerver!' (lacht) Toen was het wel heel definitief."

Hoe ging dat, de stap om in die bikkelharde realiteit te leven?

"Ik verkeerde toen al drie maanden in een roes. Ik had mijn dode vrouw in de badkamer gevonden en dat kon ik niet aan. Ik ben meteen gestopt met werken, heb alle banden met anderen doorgeknipt en begon enorm veel te drinken. Mijn zus heb ik op de stoep laten staan. Er zat veel agressie in mij, ik riep de buurt bij elkaar en elke dag werd er wel iets afgesloten omdat ik de rekeningen niet betaalde. Hulp wou ik niet, ik gleed weg. Mijn schuldgevoel was levensgroot. Op een bepaald moment kon ik niet meer tegen dat huis. Ik associeerde dat met haar. Ik ben er letterlijk uit weggevlucht, en uit de ravage die mijn leven toen was. Alles wou ik vergeten. Ik realiseer me nu hoe betrekkelijk 'normaal' is. Er hoeft maar iets ingrijpends te gebeuren en voor je het weet, ben je abnormaal. Na die eerste dag en nacht in het stadspark zag ik 's ochtends anderen naar het werk gaan en, misschien beeldde ik me dat in, maar ik vond dat ze na die ene nacht al anders naar me keken. In geen tijd ben je een object, deel van het decor."

U ging bedelen, haalde restjes op bij een restaurant en u werd geregeld in elkaar geslagen door andere zwervers. Wist u zich snel aan dat leven aan te passen?

"Wat overleven betreft, ben je veel creatiever dan je denkt. Je ritme wordt bepaald door dorst en honger en als je echt slap bent en je wilt niet naar een of andere instantie, dan ga je bedelen. Voor je het weet, doe je het. Je leert ook snel met een stalen gezicht een appel pikken en zo. In het begin at ik ook nauwelijks, ik dronk alleen. Voor weinig geld had je zelfgestookte rotzooi waarmee je compleet buiten westen was. Dat kwam goed uit. Naast het feit dat ik op een bank sliep en veel dronk, was ik niet aangepast. Ik spoot niet en ik kende de codes niet. Iedereen kon om de gekste reden agressief worden. Ik herinner me een man die per se wou dat ik in zijn fles piste, anders zou hij een andere fles op mij kapotslaan. Dat heb ik dan gedaan, uit angst. Je bent echt op jezelf en op gelegenheidscoalities aangewezen. Als het regende en je had geen slaapplaats, dan kon je met wat geluk bijschuiven in een portiek bij een ander, zulke dingen. Maar op de junks hoefde je niet te rekenen."

Was er dan niemand met wie u een band had?

"Mensen denken altijd dat dat banden schept, samen op straat leven, maar de realiteit is niet romantisch. Kijk, de meesten zijn voortdurend straalbezopen en mummelen maar wat. Eerst was ik ook zo. Toen ik niet dronk, besefte ik opeens wat voor klootzakken ze wel waren. Ze slaan je in elkaar voor een paar euro. Er waren wel twee zwervers met wie ik vaker optrok, maar die waren zo zot als een deur. Tja, na een tijd stel je geen hoge eisen meer aan de communicatie. (lacht)"

U schrijft wel over de geblutste binnenkant van daklozen die erbij lopen als scheldende en bezopen tijdbommen.

"In al die verweesde daklozen schuilen echte mensen die vaak de ergste dingen meemaakten. De communicatie tussen ons was beperkt, maar die dubbelheid zag ik zeer snel. Velen hadden zich van mensen afgekeerd. Er was een vrouw die mensen haatte, maar gek was op dieren. Alleen tegen hen praatte ze nog. Telkens als ze een dode vogel vond, begon ze ertegen te praten en verbrandde ze het lijkje, zodat 'mensen er met hun fikken zouden afblijven'. Een andere, Lea, was ook zo'n hard, vuilgebekt manwijf. Ze vroeg me altijd de contactadvertenties uit de krant voor te lezen want ze kon zelf niet lezen. Toen ik las, zwijmelde ze weg. Misschien had ze vroeger een man, of droomde ze van een man. Soms huilde ze toen ik las 'Man van 34, sportief, geïnteresseerd in muziek zoekt lieve vrouw'. Maar zodra ik uitgelezen was, was het weer een en al geblaf en gescheld."

In een stukje van u staat dat u er niet tegen kon dat mensen u niet zagen staan. Wat ontmenselijkt het meest, de ontbering en de agressie of het onzichtbaar zijn?

"Dat laatste, want aan ontberingen kun je je aanpassen. Het is onwaarschijnlijk op hoe weinig slaap je kunt overleven. Maar het is wat als niemand naar je kijkt als naar een mens. Dat kun jij niet beseffen. Wij waren objecten, wij werden dood gekeken. Je houdt op te bestaan. Je identiteit is weg, want behalve het zeer oppervlakkige contact met andere zwervers heb je met niemand contact. (dwingend) En vooral, ik herhaal het, niemand kijkt je nog in de ogen! Dat is het verschrikkelijkste wat ik als dakloze heb meegemaakt. Ik had er voordien geen benul van, maar als anderen je niet aankijken, verpulver je. Mensen die jarenlang zwerven, weten niets beters meer. In feite zijn zij al dood."

Waaraan hield je je recht? Wat deed je doorgaan?

"Moeilijk te zeggen. Ik heb twee keer zelfmoord willen plegen en het dan niet gedaan. Verder leef je in een tunnel. Ik had zeker geen plan of zo, ik wou gewoon vergeten. Tijd, toekomst dat bestaat niet meer. Je leeft echt van moment naar moment. Af en toe kwamen herinneringen uit mijn jeugd zeer scherp naar boven. Plots was ik tegen mijn ouders aan het praten. Een keer ben ik opgenomen omdat ik te luid tegen mijn vader, die ik haatte, stond te roepen. Ook vreemd is dat ik, hoewel ik nooit gelovig was, plots wel god begon te ervaren. God was de soep die de man van de kerk me in de winter bracht, of hij was het oude vrouwtje dat me een banaan gaf. Als je zo diep zit en zo verlaten bent, zie de kleinste dingen als god.

"En het schrijven heeft me zeker geholpen mezelf niet te verliezen. Al snel moest ik dingen opschrijven, terwijl ik in mijn vorige leven nooit had geschreven. Ik leek wel een gek, met al die balpennen en schriften die ik meezeulde. De anderen vonden het vreemd en verdacht. Ik maakte me er niet populair mee. Het was wel een houvast, al stond ik daar toen niet bij stil."

Sommige lezers in Nederland dachten eerst dat het nep was en dat u gewoon een journalist bent. Hoe kan iemand die amper slaapt of eet en veel drinkt zo helder observeren en schrijven?

"Ik kan alleen zeggen dat het echt is. Maar wat ik toen schreef, was niet altijd even leesbaar. Het was fragmentarisch en kreterig. Nadien heb ik het gefatsoeneerd. Misschien lijkt het daardoor te goed om in die situatie te zijn geschreven. Maar ik zie niet in hoe iemand dit kan verzinnen."

U schrijft ook ingehouden en bijna sec over situaties waar anderen makkelijk een pagina melodramatiek van zouden maken

"Dat komt, denk ik, omdat die dramatische situaties gewoon waren. Ik heb veel mensen zien doodgaan en kreeg vaak slaag. Dat wordt dan 'het gewone leven'. Je vergelijkt niet meer met wat 'normaal' is."

Hoe komt het dan dat u toch uit dat straatleven kon kruipen?

"Op een bepaald moment ging er licht branden. 'Dit red ik niet', zei ik almaar tegen mezelf. Dat was overlevingsdrang of zo, ik weet het niet. Maar ik kon er met niemand over praten. Om mij heen had ik alleen onvoorspelbare mummelaars. Uiteindelijk ging ik bij mijn zus aankloppen. Zij heeft me fantastisch geholpen. Eerst ging ik af en toe douchen bij haar. Ik wou zeker niet te lang blijven. Ze praatte met me en heeft me zover gekregen dat ik naar een erg goede psychiater ging. Doordat ik vloeiend Spaans spreek, ben ik via haar aan werk geraakt op een camping in Spanje. Dat ging eerst niet goed. Ik was te onaangepast. Nu gaat het beter en kan ik af en toe op luxecruises werken. Langzaam vind ik de balans terug, maar het is een breekbaar proces, want over de dood van mijn vrouw raak ik nooit heen."

Hoe kijkt u nu zelf naar zwervers? Begrijpt u de onverschilligheid of machteloosheid van anderen?

"Ja, dat begrijp ik wel. Zelf heb ik dat als zeer agressief ervaren en sommige reacties waren zelfs aanvallend. Maar ik weet ook wel dat je niet iedere dakloze kunt helpen en dat het makkelijker is weg te kijken. Dat deed ik vroeger ook. Nu kan ik dat niet meer. Ik geef altijd iets. Geld, tijd, een praatje, een schouderklop. Daarnet nog gaf ik vijf euro aan een bedelaar in het station. Die man schrok. Hij was ervan overtuigd dat het nep was. Als ik die mensen zie, besef ik dat ik geluk heb gehad. De meesten sterven als zwerver."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234