Zondag 05/12/2021

Doden als pasmunt voor nieuwe oorlog

Aan de kant van de weg ten zuiden van Tyre hangt een enorme affiche van een hevig brandend Israëlisch oorlogsschip dat in 2006 geraakt werd door een Hezbollahraket. 'Zo komen er nog', luidt het schalkse bijschrift

Robert Fisk over het gevaarlijke gloriemoment van Hezbollah

Robert Fisk is columnist van The Independent.@4 DROP 2 OPINIE:Eergisteren was het de laatste dag van de Libanese oorlog, die in 2006 begon. Het laatste hoofdstuk van de waanzin van Israël en de hybris van de Hezbollah. Een griezelige dag van lichaamsruil. Ingevroren lichaamsdelen, die in akelige houten kisten per vrachtwagen over de grens met Israël werden gezet. Ali Ahmed al-Sfeir en zijn vrouw Wahde keken met gekromde rug toe, verteerd door verdriet. Ali had een grauwgrijze baard en leunde op een stok, terwijl Wahde een vale foto van een jongeman in haar hand hield, haar zoon Ahmed, geboren in 1970. "Hij was een martelaar, maar ik weet niet op welke truck hij zich bevindt", zei ze. Op de lichtjes gescheurde foto oogde hij grauw, zonder glimlach, al dood.

Dat kan niet gezegd worden van Samir Kuntar, die 28 jaar lang in een Israëlische gevangenis zat voor de moord in 1979 op een Israëli, zijn jonge dochter en een politieagent. Hij kwam behoorlijk levend uit Israël terug, netjes geschoren maar in het bezit van een keurig snorretje, onder de indruk van de honderden Hezbollahaanhangers. Een man die gewend is geraakt aan eenzame opsluiting en die plots op handen wordt gedragen door een volk dat hij al bijna drie decennia niet meer heeft gezien. Zijn ogen spieden rond, de ogen van een gevangene op zijn hoede voor problemen. Van alle Libanezen zat hij het langst in een Israëlische cel. De leider van Hezbollah, Sayed Hassan Nasrallah, had zijn vrijlating beloofd. Hij hield woord.

De kisten, zopas in Tyre in elkaar gespijkerd alvorens de tweehonderd Hezbollah- en Amalstrijders en de Palestijnse lichamen uit Israël arriveerden, werden snel gedrapeerd met de Libanese vlag en de gouden Hezbollahbanieren, en werden naar Beiroet gebracht met een met bloemen versierde truck. Wahde klom op een plastic stoel, in een wanhopige poging om de kist met het geraamte van haar zoon te zien. Oude Ali smeekte om naast haar te mogen staan, maar zij zei dat hij te oud was, en dus stond hij met gebogen hoofd tussen de televisiereporters en jonge Hezbollahstrijders, met tranen in de ogen. Wie zal zeggen dat Ahmed in een van de kisten lag?

Maar het was ook een dag van vernedering. Vernedering in de eerste plaats voor de Israëli's. Nadat ze in 2006 een oorlog hadden ontketend om twee van hun gevangen soldaten terug te halen, doodden ze meer dan duizend Libanese burgers, verwoestten ze Libanon en verloren ze zelf 160 mensen - vooral militairen - met als uiteindelijke resultaat dat ze gisteren tweehonderd Arabische lichamen en vijf gevangenen teruggaven in ruil voor de stoffelijke resten van twee vermiste soldaten en een kist lichaamsdelen.

Voor de Amerikanen die hun steun verleenden aan de democratisch verkozen Libanese regering van Fouad Siniora was het een dag van hopeloosheid. Want Siniora zelf, de president, alle nog levende ex-premiers en ex-presidenten van Libanon, de leider van de Druzengemeenschap, de parlementsleden van het land, de moslimleiders, bisschoppen, hoge ambtenaren, de oversten van alle inlichtingendiensten - en uiteraard ook de vertegenwoordiger van de VN - waren daar in de luchthaven van Beiroet aanwezig om te kruipen voor de vijf gevangenen die Hezbollah uit Israël bevrijd had. Ze werden naar het noorden gevlogen met helikopters van het Libanese leger zelf.

Wat Hezbollah zelf betreft: ze zetten een magistraal schouwspel op met steigerende paarden, muziek en dabkedans. En dat terwijl de sjiitische imams en de soennitische sjeiks die ze hadden uitgenodigd en de Druzennotabelen zweetten in hun zware gewaden bij 37 graden. Maar de Israëli's, zo leek het, waren niet gehaast. Goed wetende dat Hezbollah een theatrale thuiskomst had geënsceneerd voor de doden en de levenden, stelden ze de overdracht van de eerste twaalf kisten met vijf uur uit, en daarna die van de vijf levende gevangenen met nog eens vier uur. Tegen dan waren de paardrijders in camouflage-uniform - onder wie ook een langharige Che Guevaralookalike - en hun in het groen getooide dieren al lang klaar met galopperen, waren de dabkedansers buiten adem en was de doedelzakspeler - jawel, een echte, dreinende doedelzakspeler - uitgeblazen. Zelfs de erewacht verwelkte in de hitte, ondanks hun witte sjaals. Hun ongemak was heerlijk.

Er kwam zelfs een beetje behendigheid bij te pas. Nasrallah had beloofd om de lichamen van Palestijnse 'martelaars' terug te halen, en daarbij bevonden zich de stoffelijke resten van de negentienjarige Dalal Moghraby, die zich zogezegd in de eerste vrachtwagen zouden bevinden. Zij was een meisje dat elf Libanese en Palestijnse schutters aanvoerde bij een aanval op de Israëlische kustweg ten noorden van Tel Aviv. In het nauw gedreven door het Israëlische leger besloten ze zich eruit te knokken.

Zesendertig mensen stierven en op een videoband is te zien hoe een Israëlische agent, ene Ehud Barak - inderdaad, de man die nu defensieminister van Israël is - geweerschoten op haar lichaam lost en haar over de weg sleurt. Barak was een van de Israëlische kabinetsleden die voor de teruggave van haar lichaam stemden. Maar de Palestijnen, zo bleek, wilden niet dat hun doden terug naar Libanon werden gebracht. Dalal Moghraby's moeder Amina Ismail wilde dat de overblijfselen van haar dochter in Israël zouden blijven, waar ze begraven was, het land dat zij en miljoenen andere vluchtelingen nog altijd beschouwen als een deel van Palestina. Het opperbevel van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina zei dat het wilde dat zijn dode 'martelaren' in "Palestijns land" bleven zoals ze dat zelf gewenst zouden hebben, en vroeg Hezbollah om hen niet bij de terug te geven lichamen te rekenen. Zo ver kwam het niet. Want Hezbollah had daar andere ideeën over en bracht ze, met de goedkeuring van Israël uiteraard, terug naar het land van hun ballingschap.

De geschiedenis was gisteren in laagjes opgestapeld: een oude moord in Israël en de vrijlating van een moordenaar die nu, dankzij het Israëlische gevangenissysteem, vloeiend Hebreeuws en Engels praat. Het lichaam van een Palestijns meisje wier moordpartij op de kustweg van Tel Aviv de aanleiding was voor de eerste Israëlische invasie van Libanon in 1978 (ongeveer tweeduizend doden), net zoals de gevangenneming van twee soldaten door Hezbollah de weg bereidde voor het bloedbad van de Israëlische wraak (ongeveer 1.200 doden). Maar wat zou dat Nasrallah kunnen schelen op het uur van zijn ultieme triomf?

Nogmaals, ondanks de verovering van West-Beiroet door Hezbollah begin dit jaar en de geweergevechten die losbraken in heel Libanon (65 doden), heeft hij zijn oude populariteit weer te pakken als de enige man met het enige leger dat het Israëlische legioen het hoofd kan bieden. En er komt met volstrekte zekerheid een nieuwe oorlog. Aan de kant van de weg ten zuiden van Tyre hing een enorme affiche van een hevig brandend Israëlisch oorlogsschip dat in 2006 geraakt werd door een Hezbollahraket. "En zo komen er nog", luidde het schalkse bijschrift.

Ik trof een naar het noorden sloffende, uitgeputte cavalerie van Hezbollah aan. Verwelkte rijders - Che incluis - hangend in het zadel, de vermoeide paarden waggelend over de weg. Dit is dus waar oorlog voeren allemaal om draait.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234