Woensdag 22/01/2020

Dode lui, slechte lieden

Eindelijk is er een goede, wetenschappelijk gefundeerde en toch zeer leesbare geschiedenis van het 'Auffanglager Breendonk'. Patrick Nefors vertelt het echte verhaal van de gevangenen, de bewakers en hun commandanten. Hij schrijft over de beulen, hun helpers, de verklikkers, de bangen en de dapperen, de paar helden, de vele volhouders en slachtoffers. door Walter pauli

Patrick Nefors

Breendonk 1940-1945. De geschiedenis

Standaard, Antwerpen, 400 p., 21,95 euro.

Historicus Patrick Nefors heeft een boek geschreven dat een jaar of twintig te laat komt, maar dat is natuurlijk niet de schuld van iemand die zelf in 1966 geboren werd. Positiever gezegd: zestig jaar na de bevrijding van België vult Nefors een haast onbegrijpelijke lacune op. Tot nu toe was het beruchte 'Kamp van Breendonk', het belangrijkste concentratiekamp dat de nazi's tijdens de Tweede Wereldoorlog in België inrichtten, nog niet het onderwerp van een ernstig omvattend historisch onderzoek. Goed, er waren een resem ooggetuigenverslagen, en kort na de oorlog was er een verdienstelijke poging tot synthese van oud-gevangene Paul Lévy. Vorig jaar was er het En wat deed mijn eigen volk van advocaat en publicist Jos Van der Velpen, die op basis van bestaande getuigenissen een aangrijpend relaas schreef. Maar Van der Velpen gaf toe dat zijn werk geen grondige, wetenschappelijke doorlichting van Breendonk was. En die is er nu wel. Nefors heeft grondig werk afgeleverd, zonder ook maar één aspect van het kampleven uit het oog te verliezen. Dat kan droog klinken, en overdreven wetenschappelijk. Maar dat is niet zo. In Breendonk was de werkelijkheid erger, pakkender, gruwelijker, vuiler en surrealistischer dan zelfs een getalenteerde romanschrijver kan bedenken.

Auffanglager Breendonk was het voornaamste Belgische ankerpunt van de nazi-gruwel. In Breendonk zelf waren weliswaar geen gaskamers, maar het kampregime was er even gemeen, baldadig en onmenselijk als in de grotere kampen. Breendonk stond voor opsluiting, dwangarbeid, honger, mishandeling, ziekte, foltering, executies en deportaties.

Nefors legt het zwaartepunt van zijn verhaal op het leven in het kamp, aangevuld met een groot aantal portretten van de bewoners: zowel de Duitse staf, de talrijke Belgische collaborateurs, groot en klein, als de gevangenen - en ook dat is een internationaal gezelschap van Belgen en buitenlanders. Door concreet te blijven, dicht bij het onderwerp, volgt het grote verhaal vanzelf. De opvattingen, inzichten en bevelen van de kampleiding komen helemaal tot hun recht in portretten als dat van Arthur Prauss, de 50-jarige SS-Untersturmführer (luitenant). Hij wordt niet alleen door gevangenen omschreven als een onmens ("alles aan hem was vulgair: zijn gestotter, zijn schorre accent, de alcohollucht die hij afgaf"). Ook andere Duitsers hebben geen goed woord voor hem over. Prauss is opvliegend, hanteert de zweep, is mettertijd verbitterd (zeker nadat zijn vrouw en kind in Duitsland omkomen bij een bombardement), gedraagt zich ruw en bedient zich van een hondsbrutale taal. Als een nazi-variant van kapitein Haddock stoot SS'er Prauss, dixit Nefors, "een ongehoorde reeks van de meest vulgaire Duitse scheldwoorden" uit. Helaas is hij ook erg plichtsbewust, en dus alomtegenwoordig. En hij drinkt.

Drinken - en bepaald geen Sprüdelwasser - komt in zoveel biografieën van Breendonk-bewakers voor. SS'er Johan Kantschuster drinkt ook, meer, zuipt zich iedere dag laveloos. Vandaag zou hij zonder discussie als een psychopatisch geval beschouwd worden, toen kreeg hij een politionele functie in Breendonk als onderluitenant. Kantschuster is zonder meer moorddadig. Hij werkte al in andere beruchte concentratiekampen - Ravensbrück, Mauthausen - maar telkens wil de kampleiding snel van hem af, wegens zelfs naar SS-maatstaven 'onhandelbaar'. Hij kreeg nog één kans: Breendonk. Geen SS'er die zoveel gevangenen eigenhandig doodde als Kantschuster. Als hij een joodse gevangene, Beck genaamd, wil slaan, maakt die in een reflex met de arm een afwerend gebaar voor zijn hoofd, om de klappen op te vangen. "Poging tot opstand", brult Kantschuster, en hij schiet de man ter plaatse dood.

Als Kantschuster al concurrentie had, dan van het Belgische SS-duo De Bodt en Wyss. Fernand Wyss is jong, zeer sterk - hij is een amateurbokser - en niet al te slim. Hij vecht graag, en hij doodt bij herhaling. Wyss heeft minstens 16 gevangenen eigenhandig vermoord - meestal door hen dood te slaan - 167 anderen geslagen en mishandeld, bij 113 van hen met ziekte of arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Als hij, na de oorlog, tijdens zijn proces moet antwoorden op vragen over de dood van de Antwerpse substituut Dirk Sevens, antwoordt Wyss: "Het is best mogelijk dat ik de heer Sevens heb mishandeld. Ik heb in Breendonk zoveel mishandelingen toegepast, dat ik de ene van de andere niet meer kan onderscheiden."

Het crue is dat Wyss, volgens de naoorlogse memoires van Breendonk-gevangenen, "geen sadist is, al heeft het er alle schijn van." Alleen is Wyss "tot alles in staat uit lafheid of domheid". Zijn kompaan, de wat kalende Richard De Bodt, die is pas gevaarlijk. Dat is "de echte sadist. Hij stuurde Wyss uit op met zorg uitgekozen slachtoffers." Hij "sloeg minder vaak dan Wyss maar wel veel harder en hij koos beter de pijnlijke plekken uit". Na de oorlog wordt Wyss gearresteerd, ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. De Bodt, typisch toch, vlucht het land uit, probeert onder een valse naam een nieuw leven op te bouwen in Duitsland, wordt geklist - pas jaren ná de oorlog, toen de repressie minder hevig was, wordt nog wel ter dood veroordeeld, maar ziet zijn straf omgezet worden in levenslang. Hij sterft pas in 1975, weliswaar nog altijd in de gevangenis.

Maar het verhaal van het duo 'Wyss en De Bodt' - hun namen worden altijd samen uitgesproken, altijd in dezelfde volgorde - is bekend: dit zijn boosdoeners, trawanten van de uit Duitsland geïmporteerde nazi-gruwel.

Maar sommige aspecten zijn veel intrigerender. Neem het hoofdstuk over martelen. De kampleiding liet in de nazomer van 1942 een folterkamer inrichten, berucht als 'De Bunker', en helemaal toegerust voor het afnemen van een 'verscherpt verhoor'. Ex-gevangene Jean Blume vertelt hoe hij een kap over zijn kop krijgt, weggevoerd wordt, hoe op het einde de gang nauw en bochtig wordt. Blume: "Het plotselinge effect van het licht en van het zien van de naakte muren, de katrol en het oprollende koord is genoeg om een hartleider te vellen."

Voor de gruwel van Breendonk waren zelfs tal van 'helden' niet bestand. Er is het beroemde maar tragische geval van Paul Nothomb (jawel, familie van politicus Charles-Ferdinand en auteur Amélie), het zwarte - of beter: rode - schaap uit de familie, want een communist die tijdens de Spaanse Burgeroorlog had gevochten bij de Internationale Brigades en daar faam had verworven met zijn heldhaftige optreden aan het front. Hij keerde terug en kreeg een belangrijke functie binnen de Kommunistische Partij. Maar hoe dapper Nothomb zich ook aan het verre Spaanse front had onderscheiden, dichtbij huis was het gevaar anders, dreigender. Op 13 mei 1943 pakte de Geheime Feldpolizei hem op. Liever dan na een aantal martelsessies te kraken, verkoos hij alles op te biechten, en dus bewust de feitelijke collaboratie in te stappen. En dus verklapte Nothomb tot in detail wat hij wist van de communistische structuur. En dat was heel wat, want Nothomb stond aan het hoofd van het zogenaamde 'militaire apparaat' van de KP. Dat leidde in juli 1943 tot een grote razzia waarbij de Duitsers erin slaagden zowel de politieke organisatie (de KP zelf) als haar militaire arm (de Wapende Partizanen) min of meer te ontmantelen. Zowat het hele communistische kader belandde in Breendonk. Vier communistische leiders - Xavier Relecom, Joseph Leemans, Pierre Joye en Georges Van den Boom - sloegen door en verklikten wat ze wisten. Maar er waren ook communisten die níét toegaven, zoals Jacques Grippa, de gestaalde partizanenleider, even onbuigzaam in zijn ideologie als in zijn karakter.

Grippa bereidde zich mentaal op de martelsessies voor: in plaats van bewustzijn te verliezen of zich door angst te laten overmannen, ging hij zich heel bewust concentreren: op het gedrag van de beulen, op zijn eigen pijn, zijn eigen reacties. Grippa heeft zijn leven lang zwaar fysiek ongemak overgehouden van zijn uren in de martelkamer, maar bleef niet alleen psychisch overeind, maar - zeer belangrijk in die oorlogsjaren - is nooit tot bekentenissen overgegaan, wat weer het leven van vele anderen heeft gered. Grippa nam zijn late wraak door in 1988, bij het verschijnen van zijn memoires, het 'verraad' van Relecom en de andere top-communisten te onthullen: de partijleiding was er na de oorlog, in volle repressietijd, in geslaagd die zaak toe te dekken.

In dit soort passages komt een wrede kant van Breendonk boven die tot nu weinig belicht werd. Iedereen weet dat martelkamers gruwelijk zijn. Maar minder duidelijk is dat ze ook inwerken op het laagste in de mens. In Breendonk kregen sommige gevangenen het voorrecht kamer-overste te worden. En zo waren er gevangen joden die zelf de sadist uithingen, en na de oorlog oog in oog kwamen te staan met het Belgische vuurpeloton. Dat deed Breendonk: bij velen die er waren, bewakers en gevangenen, het goede en het menselijke laten wegteren en rotten, tot kwaad en boosheid de overhand haalden.

Het is natuurlijk al te gemakkelijk om wie doorslaat onder folteringen af te doen als een lafaard of een verrader. Er is het tragische geval van Jean Améry. Die werd de martelkamer van Breendonk in gesleurd, waar hij uiteindelijk doorsloeg. Gelukkig hoorden de Duitsers Améry uit over zaken waar hij geen nuttige informatie over kon leveren. Maar Améry gaat na de oorlog gebukt onder die last. Hij beklaagt zich zijn angst voor pijn die hij nooit heeft moeten lijden, wat hij zelfs als lafheid bestempelt: "Tweeëntwintig jaar later", schreef hij, "bengel ik nog steeds aan mijn ontwrichte armen boven de vloer: ik snak naar adem en beschuldig mezelf." De schaamte voor zijn eigen gedrag laat Améry niet los. Hij pleegt zelfmoord in 1978, als wellicht de laatste dode van Breendonk.

Zo staan er tientallen, misschien wel honderden passages in Nefors' boek. Hij heeft het ook over de naoorlogse periode, toen collaborateurs in Breendonk werden opgesloten, en ook de Belgische verzetslieden die hen bewaakten niet vrij waren van brutaal en onmenselijk gedrag. Hij zoomt in op de Breendonk-processen, de straffen die er vielen, de straffeloosheid ook, zeker voor de Duitsers die jaren later nog ondervraagd (maar niet meer vervolgd) werden voor hun daden die ze ooit pleegden in dat fort tussen Temse en Willebroek. De meeste bewakers van toen deden, althans voor de Duitse justitie, hard hun best om te vergeten wat ze ooit deden. Boeken als dat van Nefors maken dat soort pogingen daartoe ijdel, en nutteloos.

Dat deed Breendonk: bij velen die er waren, bewakers en gevangenen, het goede laten rotten, tot kwaad en boosheid de overhand haalden

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234