Woensdag 13/11/2019

Verkiezingen VS

Dit waren de niptste Amerikaanse presidentsverkiezingen aller tijden

Archiefbeeld van 8 november 2000, de verkiezingsstrijd tussen Bush en Gore. Beeld AP

Volgens de peilingen wordt het dinsdagnacht dan toch nog spannend. Een landslide (lees: verpletterende overwinning) zit er voor Hillary Clinton niet meer in, en het is zelfs niet ondenkbaar meer dat Trump met de hakken over de sloot wint. Een overzicht van de niptste (en minst nipte) Amerikaanse presidentsverkiezingen van de afgelopen honderd jaar.

Too close to call

1. George W. Bush (R) vs. Al Gore (D) in 2000

Technisch gezien was de overwinning van John F. Kennedy op Richard Nixon in 1960 nipter: Kennedy won met een verschil van 0,17 procent, terwijl het verschil tussen Bush en Gore 0,51 procent bedroeg. Significant detail: Kennedy kreeg daadwerkelijk 0,17% stemmen méér dan Nixon, terwijl Bush 0,51 procent minder goed scoorde dan Gore. 

Maar na een wekenlang juridisch steekspel rond het de facto ex-aequo in de staat Florida kreeg de eerste uiteindelijk 271 kiesmannen achter zijn naam – vijf meer dan Gore en amper één meer dan het minimum om verkozen te geraken. Trump-supporters wijzen nu al naar Al Gore, wanneer hen gevraagd wordt of ze het normaal zouden vinden dat hun kandidaat zich niet bij de verkiezingsuitslag neerlegt. Maar tot nader order is de presidentsverkiezing van 2000 daadwerkelijk de niptste uit de geschiedenis, en het heeft toen ook echt weken geduurd vooraleer officieel werd uitgemaakt dat Bush de staat Florida had gewonnen met een verschil van 0,0092 procent.

2. John F. Kennedy (D) vs. Richard Nixon (R) in 1960

Gezien het verschil van 84 kiesmannen in het voordeel van Kennedy – 303 tegenover 219 – lijkt de verkiezingsoverwinning van de eerste katholieke president groter dan ze werkelijk was. Kennedy kreeg amper 0,17 procent meer stemmen, terwijl hij in feite op één been had moeten winnen van een man die effectief even op één been campagne had lopen voeren. 

De stijve Nixon liep een knie-infectie op tijdens zijn wilde en compleet onzinnige plan om campagne te voeren in alle vijftig staten, terwijl de flamboyante Kennedy zich op de swingstaten en grote steden concentreerde. De strategie van de laatste werkte, zij het amper. Kennedy won een groot aantal staten met een miniem verschil, en Nixon zou uiteindelijk pas een dag na de verkiezing zijn nederlaag toegeven. 35 dagen sneller dan Al Gore, maar toch.

Een debat tussen John Kennedy en Richard Nixon. Beeld AP

3. Richard Nixon (R) vs. Hubert Humphrey (D) vs. George Wallace (I) in 1968

Had Richard Nixon in 1960 nog brute pech, dan kon zijn geluk in 1968 niet op. Zoals George Bush in 1992 het Witte Huis aan Bill Clinton verloor omdat de onafhankelijke kandidaat Ross Perot met bijna negentien procent van de stemmen (en een aanzienlijk deel van de Republikeinse kiezer) ging lopen, zo kreeg Nixon in 1968 de sleutels in handen omdat de onafhankelijke kandidaat George Wallace flink wat kiezers van de Democraat Hubert Humprhey afsnoepte. Wallace, een voormalige Democratische gouverneur van Alabama, behaalde weliswaar ‘slechts’ 13,5% van de stemmen, maar hij deed naar Amerikaanse normen beter dan Perot: de uitgesproken racist won vijf zuidelijke staten en 46 kiesmannen.

 Op zich was dat lang niet genoeg om verkozen te geraken, maar het was in principe meer dan genoeg om zowel Nixon als Humphrey van het minimumaantal kiesmannen te houden, zodat het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden de president zou moeten aanduiden. Maar zover kwam het uiteindelijk niet: Nixon kreeg 43,4 procent van de kiezers en 301 kiesmannen achter zich, tegenover 42,7 procent en 191 voor Humphrey. Het verschil tussen de twee partijkandidaten was in sommige staten echter zo klein dat een doemscenario – niemand wil de beslissing zo openlijk in handen van politici leggen – slechts nipt werd vermeden.

The winner takes it all

1.Franklin D. Roosevelt (D) vs. Alf Landon (R) in 1936

Het verschil in feitelijke stemmen tussen Warren Harding en James Cox was in 1920 nipt groter dan dat tussen Roosevelt en Landon in 1936, maar niemand won ooit met meer kiesmannen verschil dan Franklin D. Roosevelt. De Democraat won elke staat, behalve de ministaten Vermont en Maine. Het leverde hem 523 kiesmannen op – Alf Landon kreeg er acht. 

De duizelingwekkende landslide was het gevolg van de Grote Depressie, die Amerikanen op de Republikeinse president Herbert Hoover staken. Al was Alf Landon naar verluidt ook niet de meest aanwezige presidentskandidaat: een van de meest memorabele stukken politieke verslaggeving uit die tijd was een fake opsporingsbericht voor de Republikein.

Franklin Delano Roosevelt. Beeld photo news

2.Warren Harding (R) vs. James Cox (D) in 1920

In tegenstelling tot vandaag hielden de Democraten begin vorige eeuw het – zacht uitgedrukt – conservatieve Zuiden stevig in handen. Staten als Texas, Kentucky en Louisiana kleurden bij elke verkiezing vrolijk blauw. In 1920 waren dat echter de enige staten die dat deden, wat maakte dat de kleurloze Republikein Warren Harding het pleit won met liefst 26,17 procent meer stemmen dan de vrij progressieve Democraat James Cox, die de rekening gepresenteerd kreeg van de woelige jaren onder zijn partijgenoot Woodrow Wilson. 

Opmerkelijk: Cox is de enige partijpoliticus die in 1920 aan de verkiezing deelnam en nooit president werd. Zijn vicepresidentskandidaat Franklin D. Roosevelt geraakte verkozen in 1933, terwijl de Republikeinse vicepresidentskandidaat Calvin Coolidge het roer van Harding overnam na diens plotse dood in 1923.

3.Ronald Reagan (R) vs. Walter Mondale (D) in 1984

Toen Ronald Reagan eind 1984 gevraagd werd wat hij voor kerst wou, antwoordde hij dat ‘Minnesota wel nog leuk zou geweest zijn’. In zekere zin is de overwinning van Reagan op Walter Mondale nog indrukwekkender dan die van Roosevelt op Landon: Reagan kreeg 525 kiesmannen achter zich – een record – maar er waren in 1984 meer kiesmannen te verdelen dan in 1936 én de Republikein moest er ruim dertien aan Mondale laten. Al school het in feite niet veel of hij had ze allemaal in zijn zak: Mondale won zijn thuisstaat Minnesota met amper vierduizend stemmen verschil. 

In feite had Mondale de strijd al op voorhand verloren – Amerikanen zagen Reagan als een sterke president die hen snel uit de recessie van 1981 had geloodst – en dan was er nog zijn keuze voor Geraldine Ferraro als vicepresidentskandidaat, waar in 1984 slechts 22 procent van de vrouwelijke kiezers warm voor liep. Dinsdag weten hoe we warm ze lopen voor Clinton.

Ronald Reagan en Walter Mondale. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234