Zaterdag 06/06/2020

Dagboek van een pleeggezin

‘Dit kind was beter niet geboren, zei de kinderarts. Maar we zien hem doodgraag’

Beeld Koen Bauters

Noah (*) kwam in 2008 op de wereld met cocaïne, alcohol en slaapmiddelen in zijn bloed. Hij was het vierde kind van een zwaar verslaafde moeder, die na zijn geboorte nog twee drugsbaby's baarde. Beschadigd voor het leven, zeiden kinderartsen, en dat ondervinden zijn pleegouders Saskia Clinckemaillie en Stefan Firens iedere dag. Zij voelen zich machteloos en in de steek gelaten door de overheid, maar ze zijn blij dat er eindelijk een wetsvoorstel is om zwangere vrouwen met een verslaving te verplichten af te kicken. Voor Humo hielden ze in de krokusvakantie een dagboek bij over de dagelijkse worstelingen in hun woelige pleeggezin.

Stefan Firens en Saskia Clinckemaillie hebben vier eigen kinderen, twee pleegkinderen en allebei een fulltimejob. Hij bij de brandweer en in de haven, zij bij de post.

Saskia: “Onze eigen kinderen waren tussen 6 en 12 jaar oud toen we besloten om pleegouder te worden. Ons zoontje Jelle wilde een broertje: hij had drie zussen en zat de hele tijd te zeuren. Noah kwam bij ons op 21 september 2008. Hij was vijf maanden oud. De kinderen waren dolenthousiast. Een baby!”

Stefan: “We wisten dat we een drugsbaby in huis namen. Zijn moeder was verslaafd aan cocaïne, alcohol, slaapmiddelen en opiaten en verdween twee dagen na zijn geboorte uit het ziekenhuis, op zoek naar haar volgende dosis. Noah woog amper 2 kilo, was abnormaal klein en bracht de eerste weken van zijn leven in de couveuse door om af te kicken. Krijsend en trappelend van de pijn. Als baby had hij veel medische zorgen nodig, maar die namen we erbij. We wilden het ventje een menswaardig leven en een warm nest bezorgen.”

Saskia: “In het begin lukte het verbazend goed. Volgens de dokters zou Noah nooit kunnen lopen door een motorische stoornis. Maar onze kinderen oefenden zo vaak met hem, met beugeltjes aan zijn benen, dat hij al gauw door de kamer hobbelde. Drie jaar later kwam baby Casper(*) erbij, het zoontje van een moeder met een zwaar beladen voorgeschiedenis.

“We brachten hen groot als onze eigen kinderen, met hart en ziel. Maar met Noah ging het snel bergaf. Als kleuter kreeg hij woedebuien: hij schopte tegen kasten en deuren, gooide met speelgoed, sloeg andere kindjes, maakte dingen stuk. Kinderartsen ontdekten dat hij lijdt aan ADHD, autisme, hechtings-, gedrags- en ontwikkelingsstoornissen...

“‘Dit kind had niet mogen geboren worden’, zei de kinderneuroloog van het UZ Gent ons onomwonden. Dat kwam hard aan, maar hoe graag we ons pleegkind ook zien, we vrezen dat de man gelijk heeft. Vandaag is Noah bijna 12, maar hij heeft een IQ van 69 – dat is het niveau van een kind uit het eerste leerjaar. Vroeger scoorde hij hoger: toen hij 5 jaar oud was, had hij een IQ van 104, drie jaar later was het gezakt naar 86. Hij gaat dus achteruit. Emotioneel en sociaal situeert zijn ontwikkelingsniveau zich tussen 6 en 18 maanden.”

STEFAN «Er gaat geen week voorbij of we krijgen bericht van het centrum waar hij verblijft, dat Noah weer een kindje heeft geschopt of een blauw oog heeft geslagen. Ook thuis wordt het samenleven met de andere kinderen steeds moeilijker. We durven onze jongste dochter Laura niet meer met Noah alleen laten, uit angst dat hij haar iets aandoet.”

Saskia: “Noah verblijft nu in een multifunctioneel centrum waar de zorg heel moeilijk verloopt en niet aangepast is aan zijn noden. Maar in de instellingen waar hij misschien met zijn problematiek terecht zou kunnen, bedraagt de gemiddelde wachttijd een jaar. Een jaar!

“Eén op de twee weekends en in de vakanties komt hij naar huis. Meer is niet haalbaar, zeker niet als zijn pleegbroertje Casper er ook is. Die twee vliegen elkaar voortdurend in de haren. Je snapt dus wel dat wij en de kinderen ons hart vasthielden voor de krokusvakantie, als iedereen thuis zou zijn.”

20 FEBRUARI: UIT HET DAGBOEK VAN SASKIA

‘Halfvier in de namiddag, Stefan krijgt telefoon van de begeleiders van Noahs leefgroep. Ze hebben Noah net op de bus gezet, maar ze weten niet in welke toestand hij zal thuiskomen. De hele middag heeft hij kabaal gemaakt in de leefgroep omdat hij niet op de bus wil. ‘Ik wil niet naar huis, ik wil geen vakantie!’ Hij brult en slaat naar zijn begeleiders, in de hoop dat ze hem kamerarrest geven. Dat begint al goed, denk ik.’

‘Als hij twee uur later van de bus stapt, is Noah gelukkig gekalmeerd, en blij om ons te zien. Hij schopt zijn schoenen uit in de hal en loopt naar boven met zijn boekentas. De begeleider komt hem achterna met zijn koffertje, dat hij op de bus heeft vergeten. 'Ik kom wel graag naar huis, mama,' vertelt hij me 's avonds in de zetel. Als een schuw vogeltje kruipt hij onder mijn vleugels. 'Maar ik was zo bang. Omdat ik niet weet wat we gaan doen.' Een kind dat bang is voor de krokusvakantie. Ik heb zo met hem te doen.’

‘Lezen gaat steeds moeilijker, rekenen is hopeloos. Hij zit daar met een blaadje papier en hij tekent wat. Hoe frustrerend moet dat niet zijn?’

21 FEBRUARI: UIT HET DAGBOEK VAN STEFAN

‘Om 7.18 uur staat Noah aan mijn bed. ‘Papa, mag ik naar het toilet? En mag ik spelen?’ Ik heb geluk: sommige ochtenden staat hij er al om halfzes. Noah slaapt heel weinig, zijn hoofdje staat nooit stil. Artsen hebben vastgesteld dat hij geen remslaap heeft, waardoor hij ook 's nachts nooit helemaal tot rust komt. Hij neemt pillen om te kunnen slapen, maar bij het minste gerucht is hij wakker. Ook overdag is hij hyperalert: hij hoort en ziet alles. Al die indrukken en die prikkels kan hij gewoon niet verwerken: ze hopen zich op in zijn hoofdje, tot het bijna ontploft. Dat maakt hem tot een heel explosief ventje.‘’

‘Vandaag wordt een lastige dag, zie ik aan zijn vermoeide gezichtje. Hij klaagt over pijn in zijn mond en wil zijn medicatie niet slikken. De pillen die Noah drie keer per dag krijgt, zijn zo zwaar dat ze een olifant kunnen omleggen, maar ze helpen hem om de dag door te komen. Zijn metabolisme werkt zo snel dat alleen paardenmiddelen werken. Aan tafel schrokt hij zijn boterhammen naar binnen. Als we hem niet afremmen, werkt hij tien sneden brood naar binnen. Ook een gevolg van de medicijnen: hij is als een bodemloos vat en kan blijven drinken en eten. Maar na vier sneden zeg ik: ‘Genoeg.’’

‘Vanochtend staat er een uitstap naar het gemeentehuis op het programma. Noah en ik gaan een nieuwe identiteitskaart voor hem halen. Ik vertel het hem pas vlak voor ons vertrek, want ik weet wat voor opwinding de mededeling door zijn lijfje zal jagen. En inderdaad: klapwiekend loopt hij door het huis, de kamer van zijn zus in: 'Laura, ik krijg een identiteitskaart!' - 'Jahaa, Noah, dat heb ik ook, hoor.' Voor Noah is alles een groot avontuur.’

‘In het gemeentehuis kleeft hij aan mij: 'Mag ik mijn nieuwe kaart vasthouden, papa, mag ik?' Ik zie de mensen verbaasd kijken naar een kereltje dat zo'n drukte kan maken. Gelukkig krijgt hij geen crisis. Saskia en ik zijn de veroordelende blikken gewend als we met Noah op stap zijn en hij brullend over de grond rolt. Als dat de mijne zou zijn, zou hij wel luisteren, zie je de mensen denken. Wij weten wel beter en laten hem uitrazen. Het woordje 'stop' ontketent bij hem alleen maar nieuwe woedebuien. We kunnen moeilijk op zijn voorhoofd tatoeëren dat Noah een drugsbaby is geweest, en dat dat gedrag één van de gevolgen is.’

‘De rest van de dag blijven we thuis: één uitstap per dag is genoeg voor Noah. Toch merk ik dat de stress van vanochtend de hele dag blijft nazinderen. Zijn pleegbroertje Casper is intussen ook thuisgekomen. Het wordt een verschrikkelijke namiddag, met voortdurend gekibbel. Soms spelen ze uren samen, maar even vaak ontaardt het in slaande ruzie. Noah mag dan tenger zijn, hij is heel gespierd en kent zijn eigen krachten niet. Twee weken geleden heeft hij Casper een bloedneus en een blauwe kaak geslagen. Terwijl ik in de keuken wortels snijd voor het avondeten, zitten ze boven in hun kamer te spelen. Ik hoor ze graaien in de bakken met speelgoed en spits de oren: ik wil niet dat er ongelukken gebeuren, zoals laatst bijna het geval was.’

‘We spoelen een paar weken terug. Ik ben alleen thuis met de twee jongens, Saskia is naar een vergadering. Ik hoor ze boven spelen met hun Lego - de deuren in huis staan altijd open. Gerommel, gelach, gebabbel... En dan is het een tijdje stil. Ze zijn elk apart aan het spelen, denk ik nog. Ik heb net een derde lading was in de machine gestoken als ik Casper met een benepen stemmetje hoor roepen: 'Papa, papa! Help, help!' Dát is niet normaal, weet ik direct en ik ren naar boven, de speelkamer in. Casper ligt languit op de grond met een rood aangelopen gezicht, Noah zit op zijn pleegbroertje, met de handen rond zijn keel in een wurggreep. Als Noah me ziet, laat hij los en roept hij: 'Ik moest van Casper!' Ik moet me bedwingen om niet op Noah af te vliegen en hem een vlaai rond zijn oren te geven. Want hoe moet je reageren? Hem in de hoek zetten? Straf laten schrijven? Moet ik hem aankleden en hem terug naar het internaat brengen, omdat hij een gevaar is voor mij en mijn gezin? We brengen dat kind groot, al bijna twaalf jaar. En als ik hier nu niet tussenbeide was gekomen, was er misschien een ongeluk gebeurd.’

‘Ik begin bij mezelf te tellen - het trucje van mij en Saskia om stoom af te blazen - en grabbel Noah vast bij zijn trui. 'Waarom heb je dat gedaan?' roep ik met ferme stem. Ik zie hem schrikken van mijn reactie: 'Ik weet het niet.' Mijn woede zakt, want ik besef dat hij het niet opzettelijk doet. Hij weet zelf niet hoe gevaarlijk hij soms bezig is. 'Noah, dat mág toch niet!' Ik kijk of Casper in orde is en help hem overeind. Hij kijkt beduusd en bang. Noah loopt schreeuwend weg, hij is erg geschrokken van mijn reactie. En ikzelf ook een beetje, moet ik toegeven.’

‘Die avond blijf ik tobben. Waar zal dit eindigen? Wat heb ik al die jaren al gezegd? Als Noah niet de juiste begeleiding krijgt, wordt hij een kleine Hans Van Themsche, of een Kim De Gelder. Pleegzorg heeft dat altijd van tafel geveegd - 'Welnee, zo'n vaart loopt het niet' - maar ik ben bang dat het zal uitkomen. Ik moet het van me afschrijven en stuur een mail naar Pleegzorg, zijn begeleiders in de leefgroep en iedereen die op de hoogte moet zijn.’

‘Ik vraag wanneer er eindelijk een diagnose voor Noah op papier wordt gezet. Elke stoornis die er is, heeft hij, zeggen specialisten. Maar niemand wil het duidelijk op papier zetten, dus staan we nergens. Zolang we niet precies weten wat Noah nodig heeft, blijven de deuren van gespecialiseerde instellingen gesloten. Hij heeft zo'n cocktail van problemen dat hij in geen enkel hokje past. Voor de ene instelling is zijn IQ niet laag genoeg, voor de andere is zijn agressie een probleem... Zelf denken wij dat Noah een plek nodig heeft waar de school niet primeert en zijn drukke hoofd tot rust kan komen, met een één-op-éénbegeleiding. Van zulke plaatsen zijn er maar een paar in België, en de wachtlijsten zijn lang.’

‘Ik sluit mijn mail af met een duidelijk statement. 'We willen niet herinnerd worden of door het leven gaan als de pleegouders/broer/zussen van Noah, die.... heeft gedaan.’

22 FEBRUARI: UIT HET DAGBOEK VAN SASKIA

‘Onze dagen in het gezin verlopen heel gestructureerd, met een strakke dagplanning. Ontbijten doen we allemaal samen, om negen uur stipt, het avondeten is om zes uur. Zo doen we het al jaren, en die routine werkt om het vol te houden. Ook voor de andere kinderen, want zij hebben het best lastig met hun pleegbroertjes. Vooral Jelle zit ermee. Hij is al 21, maar heeft autisme en kan daardoor moeilijk om met de onvoorspelbaarheid van zijn broertjes.’

‘Vanmorgen ploft hij met een zucht neer aan tafel, waar ik de verslagen van het CLB zit te lezen. 'Het wordt weer op eieren lopen met Noah en Casper,' zegt hij. 'Mama, zeg nu zelf, het gaat toch niet meer met die twee in huis? Casper is gisteren weer chips komen stelen op mijn kamer. En Noah is nog erger. Vroeger speelde ik nog met hem, maar nu kan dat nooit meer zonder dat er ruzie van komt. Je mag hem twintig keer zeggen dat iets niet mag, hij trekt zich er niks van aan. Het gaat serieus bergaf met hem. En het is altijd erger als ze samen zijn. Ik ben eigenlijk nooit meer blij als Casper en Noah thuis zijn.' Hij schrikt van zijn eigen woorden en herpakt zich. 'Ik zie ze doodgraag, alle twee, maar soms zou ik ze met hun koppen tegen elkaar willen slaan.’’

‘Ik begrijp Jelle wel. Met zijn autisme heeft hij zelf al een zwaar parcours achter de rug, en hij denkt erg rechtlijnig. Hij kan het moeilijk plaatsen dat Noah, om het even wat hij fout doet, geen schuldinzicht heeft. Hij vindt het onbegrijpelijk dat ik aan tafel zijn boterhammen nog smeer - als ik dat niet doe, hangt alles onder de boter en is het pak kaas in tien stukken gesneden. Hij rolt met zijn ogen als hij ziet dat Noah op straat altijd aan mijn hand wil lopen. 'Mama, hij is bijna 12!' - 'Nee, Jelle, hij is twaalf jaar geleden geboren, maar in zijn hoofd is het nog een kind.’

‘Jelle neemt een smoothie uit de koelkast en gaat wat verder zitten mokken. 'Ben je boos?' vraag ik. 'Ja. Als ze mij hadden laten kiezen of ik pleegkinderen zou nemen of niet, had ik het nooit gedaan.’’

‘We hebben het jullie destijds wel gevraagd, en alle kinderen hebben ja gezegd.’

‘Maar je wist niet wat voor vlees je in de kuip had!’

‘Dat is waar. Pleegzorg heeft zelfs eens gezegd dat ze Noah nooit in een pleeggezin hadden geplaatst, als ze toen hadden geweten hoe hij zou evolueren. Dan was hij zijn hele leven in een instelling gebleven. Is dat dan wat je wilt?' Jelle bijt op zijn lip, ik zie zijn ogen glazig worden. 'Ook niet, natuurlijk! Maar wat als het niet meer gaat en wíj gaan eronderdoor? Dan moet hij weg. En wat gaat er dan met hem gebeuren, als wij hem niet helpen? Waar zal hij dan terechtkomen? In de verkeerde milieus, op de bodem van de maatschappij! Natuurlijk wil ik dat niet. Ik ben boos, ja, op zijn moeder, die niet van de drugs kon afblijven. En op de maatschappij. Ze wisten dat die moeder aan de coke en de drank zat! Waarom lieten ze haar dan een kind krijgen? En ze had er al zoveel op de wereld gezet!’

Ik kan Jelle geen ongelijk geven. Het verhaal van Noahs moeder is intriest. Ze heeft een zware jeugd gehad, leeft al sinds haar 16de op straat en is al even lang verslaafd aan drank en drugs. Noah was haar vierde kind. De drie vorige baby's, telkens van een andere, onbekende vader, werden ook bij de geboorte in een pleeggezin geplaatst. Alle drie in hetzelfde gezin, bij een alleenstaande moeder, die het ontzettend zwaar heeft. De kinderen hebben dezelfde gedrags- en ontwikkelingsstoornissen als Noah.’

‘Er is al jaren geen contact meer met hun biologische moeder. Af en toe stuurt ze me een berichtje via Facebook: 'Hoe is het met Noah?’

‘Toen Noah nog klein was, kwam ze af en toe nog eens langs, maar nu weigert ze alle contact. 'Wat moet ik tegen 'm zeggen?' vraagt ze dan. Ik denk dat ze niet geconfronteerd wil worden met de beperkingen en problemen van Noah. Ze kan niet leven met de gedachte dat zij daar met haar verslaving mee verantwoordelijk voor is. Zij, en iedereen die niet heeft ingegrepen toen ze zwanger was.’

‘Vlak vóór de geboorte van Noah heeft ze aan de gynaecoloog gevraagd om haar meteen na de bevalling te steriliseren. De dokter heeft dat geweigerd: 'Kom over zes weken maar eens terug, madammeke.' Ze deden uit principe geen sterilisaties vlak na de bevalling. Die dokter had nochtans veel ellende kunnen voorkomen. Na Noah volgden nog twee baby's van onbekende vaders. Zes drugsbaby's van vijf verschillende vaders. Sommigen waren illegalen uit het drugsmilieu die een kindje wilden maken om aan papieren te raken. Zij deed het voor de drugs. En zo bleven de kinderen komen, al van voor de geboorte voor het leven verminkt.’

‘Ik hoop zo dat het nieuwe wetsvoorstel van John Crombez (sp.a) en Valerie Van Peel (N-VA) erdoor raakt. Zij willen het mogelijk maken om zwangere vrouwen met een drugs- of alcoholverslaving te verplichten af te kicken. Een jeugdrechter kan het kind dan al vóór de geboorte vatten, zodat de moeder wordt geplaatst en begeleid. Het zou een goede zaak zijn voor moeder én kind. En het zou de maatschappij hopen geld besparen.’

‘Noah vraagt dikwijls naar zijn biologische mama. We hebben hem haar verhaal voorzichtig verteld, en het houdt hem fel bezig. Soms is hij boos op haar. Dan zegt hij in de instelling dat hij daar zit door haar. En op andere momenten zit hij soms boven op zijn kamer te huilen: 'Ik mis mijn mama.' Hij heeft haar nooit gekend, maar hij ervaart het toch als een gemis. Hij kan het niet plaatsen dat ze hem in de steek heeft gelaten, en is daarom soms ook agressief tegen vrouwelijke opvoeders, want dat zijn mama's en die zijn slecht. Ook tegen zijn zussen en mij doet hij soms heel lelijk.’

‘We zijn de veroordelende blikken van de mensen al gewend. We kunnen moeilijk op zijn voorhoofd tatoeëren dat Noah een drugsbaby is geweest, en dat zijn gedrag één van de gevolgen is.’Beeld Koen Bauters

23 FEBRUARI: UIT HET DAGBOEK VAN STEFAN

‘Zondagochtend. We worden wakker met croissants, storm Jorge, code oranje... en een bange Noah. Als het buiten hard waait en natte takken tegen de gevels zwiepen, zie ik bij hem dezelfde onrust als bij onze honden, die buiten aan de achterdeur ijsberen en zachtjes janken. Stilzitten lukt niet, hij komt voortdurend aan onze mouw trekken. 'Ik hoor iets tikken! Er beweegt iets achter het raam! Oei! Er klopt iets op de muur!' Het liefst van al zou hij onder zijn bed kruipen. Noah is bang van zijn eigen schaduw. Bang in het donker, bang voor de regen, bang voor geluiden, bang om voorop te lopen (om de twee passen kijkt hij om: volgen we nog wel?), bang om in het zwembad te springen of de roltrap te nemen. Zijn blik is opgejaagd, zijn lijfje verkrampt.’

‘Omdat ze er zo hard om zeuren, laten we hem en Casper met Playmobil spelen. Rekken vol van dat speelgoed hebben ze, vroeger waren ze er dagen zoet mee. Toen bouwden ze nog een hele stad, met een brandweerkazerne, een garage en een boerderij, maar voor Noah lukt dat de jongste tijd niet meer. Zijn vaardigheden gaan achteruit. Hij sorteert nu blokjes per kleur en zet de mannetjes en de diertjes bij elkaar. Ook bij Lego komt hij niet verder meer dan het rangschikken op kleur en grootte. Hij beseft dat hij steeds minder kan, en het maakt hem zo boos en ongeduldig dat hij zijn speelgoed kapotmaakt en zijn Legoblokjes stukbijt. Talloze Playmobilmannetjes - nochtans ijzersterk speelgoed - heeft hij onthoofd, armpjes uit de kom gerukt, beentjes afgeknapt. Zijn kleren kopen we tegenwoordig bij Zeeman. Vanmorgen vond ik een camouflage-T-shirt onder zijn bed, waarvan de hele voorkant doormidden was gescheurd, net als bij de Hulk. 'Waarom heb je dat gedaan, Noah?' - 'Ik verveelde mij.’’

‘In niets van wat hij doet, is Noah een jongen van 12. Saskia heeft hem vanmorgen onder de douche gewassen, dat kan hij nog steeds niet zelf. Veters strikken? Lukt niet. De klok lezen gaat nog net, als de wijzers op het uur staan. Sturen we hem naar de bakker op de hoek, dan is hij bij aankomst al vergeten wat hij daar kwam kopen. Naar computerspelletjes vraagt hij nooit. Het liefst van al speelt hij met grote Fisher-Price-auto's voor kinderen van 1 tot 3 jaar. En met zijn boerderijdiertjes.’

‘Maar vandaag klagen we niet. Het weekend was doodvermoeiend, maar het is zonder zware crisissen verlopen, tot mijn grote opluchting. 's Avonds vind ik bij het opruimen een Playmobilmannetje met een geamputeerd voetje onder de zetel.’

24 FEBRUARI: UIT HET DAGBOEK VAN SASKIA

‘Noah is vanochtend al om zes uur wakker, en hij bonkt met zijn hoofd tegen de rand van het bed. Dat doet hij als hij bang is of met zichzelf geen blijf weet. Hij doet het al sinds hij een baby is: soms wiegt hij repetitief naar voren, vaker nog stoot hij zijn hoofd tegen de muren, zo hard dat de ramen ervan gaan trillen. Als kleuter had hij een plekje op zijn schedel waar geen haar groeide door al dat gebonk. Hij doet het ook in zijn slaap: een paar keer hield hij er een bloedneus aan over en hingen de lakens vol bloed.’

‘Vandaag is Noah bloednerveus omdat hij voor twee dagen naar de Kruiskenshoeve in Sint-Laureins gaat. Nieuw en onbekend voor hem, en dus een hele opgave. De Kruiskenshoeve is een boerderij waar jongeren uit instellingen en problematische situaties op time-out komen, weg van alle druk en ruzies in hun eigen omgeving. Ze mogen er dieren verzorgen, hout zagen, bladeren ruimen, leven in hun eigen ritme. We hopen dat Noah er zijn draai vindt, zodat hij er in de toekomst af en toen een paar dagen stoom kan afblazen. Dat is nodig, want in de leefgroep op zijn school loopt het ook al een tijdje mis.’

‘Het laatste weekverslag vóór de vakantie loog er niet om. 'Maandag heeft Noah een meisje uit een andere leefgroep in het gezicht geslagen. Hij voelde zich valselijk beschuldigd. En dinsdag sloeg hij een jongen van een andere leefgroep omdat hij het te druk vond op de gang.' Hij kan heel lief zijn, maar plots ontploffen. Hij heeft eens een stoel gegooid naar een meisje in een rolstoel. Laatst pakte hij een losliggende ijzeren staaf beet en hij sloeg ermee naar de opvoeders. De kinderen in de leefgroep zeggen: 'Wij zijn bang van Noah.' En dat wordt hoe langer hoe meer een probleem.’

‘In de instelling waar hij nu zit, doen de begeleiders alles wat ze kunnen, en zelfs méér, maar hij zit daar eigenlijk niet op zijn plaats. Hij kan de drukte in de leefgroep met acht kinderen niet aan, hij krijgt te veel prikkels binnen die hij niet kan verwerken. De begeleiders laten hem nu in afzondering spelen. Eten doet hij alleen, in de werkkamer van de begeleider, terwijl hij de andere kinderen hoort lachen. Op school ziet hij klasgenootjes die iedere dag iets bijleren, en hij begrijpt het niet. Lezen gaat steeds moeilijker. Schrijven doet hij in drukletters, in spiegelschrift. Rekenen is hopeloos. Hij zit daar met een blaadje en hij tekent wat. Hoe frustrerend moet dat niet zijn? Hij beseft dat hij al die dingen niet kan, hoe hard hij ook probeert. En dan wordt hij boos en agressief. Ook dat beseft hij soms, en het maakt hem kwaad en verdrietig.’

‘We zijn blij dat Noah voorlopig in de instelling mag blijven, zolang we niet de juiste plek voor hem hebben gevonden. Ik mag er niet aan denken dat ze daar zeggen dat het niet meer gaat, dat hij weg moet voor de veiligheid van de kinderen en de begeleiders. Waar moeten we dan heen met hem? Stefan heeft overwogen om een persoonlijke-assistentie-budget aan te vragen: dan krijgt hij een uitkering van de overheid om thuis te blijven en voor Noah te zorgen. Maar ook daarvoor is er niet genoeg geld en is de wachtlijst enorm. En stoppen met werken kunnen we ons financieel niet permitteren.’

‘Stefan en ik brengen Noah samen naar de Kruiskenshoeve. De hele rit bonkt hij met zijn hoofd tegen de achterbank. Hij wil het zo graag goed doen in de boerderij. 'Mama, ik wil zo graag flink zijn, zoals de andere kindjes.' Als we voor de verkeerslichten staan, voelen we de auto schudden. Stefan en ik schieten in de lach, want het heeft ook iets komisch: 'Zouden de mensen nu denken dat we een vluggertje hebben voor het rode licht?’’

‘De jongens genieten van ons bezoek aan Sea Life, maar ik weet hoeveel moeite het Noah kost om zich goed te houden tussen de rumoerige kinderen. Ik moet flink zijn, denkt hij aldoor, en dat vraagt heel veel energie.’Beeld Koen Bauters

27 FEBRUARI: UIT HET DAGBOEK VAN SASKIA

‘De hele ochtend zijn de kinderen rumoerig, want we gaan straks met Casper en Noah naar Sea Life, het reuzenaquarium in Blankenberge. Zulke uitstapjes doen we niet zo vaak meer, omdat Noah het niet volhoudt. Hij komt een dag in een pretpark niet door zonder een crisis. Een rustige binnenactiviteit tussen de vissen kan nog net met dit slechte weer. Hoewel, rustig. Iets na tweeën staan we in de lawaaierige inkomhal van Sea Life, tussen dichte drommen onstuimige kinderen en hun ouders.’

‘Noah en Casper willen eerst de haaien zien. En de platvissen! Ze kijken hun ogen uit tijdens de show van de zeeleeuwen en drukken hun neuzen tegen het raam van de zeehondenkliniek, waar een ziek kleintje ligt. Dan willen ze de piranha's zien, en de zeepaardjes. De jongens genieten ervan, maar ik weet hoeveel moeite het Noah kost om zich goed te houden tussen de rumoerige kinderen die zich voor de aquariums verdringen. Ik moet braaf zijn, ik moet flink zijn, denkt hij aldoor, en dat vraagt heel veel energie. Hij loopt de hele tijd aan mijn hand, dat houdt hem rustig.’

‘Wanneer we na het bezoek nog iets drinken in de cafetaria, zie ik plots een bekend gezicht tussen het volk. Is dat niet Wouter Beke? De Vlaamse minister van Welzijn, met wie ik zo graag eens een hartig woordje zou spreken, loopt een paar meter verder naar de uitgang met zijn kinderen. Stefan leest mijn gedachten: 'Ja, schat, dat is Wouter Beke. En nee, je gaat niet naar hem toe.' - 'En waarom niet?' - 'Schat, die man is hier met zijn gezin. Nee, alstublieft. Hij moet zijn commentaar geven in het parlement. Niet tussen de vissen.’’

‘De moeder van Noah kreeg zes kinderen van vijf verschillende vaders. Ze werden allemaal geboren met een zware drugsverslaving’Beeld Koen Bauters

‘Wouter Beke is intussen al naar buiten gewandeld. Ik had hem willen vragen waarom hij me nooit heeft geantwoord. Vijf maanden geleden heb ik in De Morgen een open brief aan hem geschreven. Het was de week van de pleegzorg, en ik wilde hem erop wijzen hoeveel pleeg-ouders zich in de steek gelaten voelen door de overheid. Op de wachtlijsten die alsmaar langer worden. Op het gebrek aan zorg voor onze kinderen in instellingen waar niet genoeg plaats en niet genoeg personeel is.’

‘Investeer in die kwetsbare jongeren, wil ik hem vragen. Investeer in kinderen als Noah, die nu geen zicht op een menswaardig leven heeft. Dat is hem vóór zijn geboorte afgenomen door zijn moeder. En het wordt hem ontzegd door een maatschappij die er niet in slaagt voor een geschikt kader voor hem te zorgen. Wij zijn niet alleen, er zijn zoveel ouders die op wachtlijsten staan. En keur dat wetsvoorstel goed, zodat er geen drugsbaby's meer worden geboren.’

‘Ik heb hem de brief ook persoonlijk gemaild. Er is nooit een reactie op gekomen. Zelfs geen beleefd ontvangstberichtje. Niks.’

28 FEBRUARI: UIT HET DAGBOEK VAN STEFAN

‘Casper en Noah zijn een vermoeiend duo, elk met hun eigen handleiding. Mijn twee simkaartjes, noem ik ze soms. Daar is ook een hoekje af. We proberen er het grappige van te zien, omdat het anders zo triest is.’

‘Drie weken geleden heeft Noah Saskia geslagen toen ze hem onder de douche waste. Daar was ze altijd al bang voor. 'Als hij dat doet, is het gedaan. Dan stoppen we ermee,' zei ze vroeger altijd. En nu had hij het gedaan. Daar had ze het heel moeilijk mee. We kennen veel pleegouders, en velen hadden het in onze plaats al opgegeven. Maar wat moet er dan van hem worden?’

‘Is Noah gelukkig? Soms, denken we. Maar niet meer dan 20 procent van de dag. Meestal loopt hij gefrustreerd en opgejaagd rond, hij moet alles zien en horen, en hij slaapt heel weinig. Hij kan nooit echt genieten van waar hij mee bezig is, omdat alles wemelt in zijn hoofd. Wij zitten als pleegouders soms op ons tandvlees, maar Noah moet het allemaal dragen. Het is zíjn rugzak, waarmee hij verder moet leven. Wij proberen die lichter te maken, we zoeken een setting waar hij rust kan vinden in zijn hoofd, en gewoon kan 'zijn'. Om die plek te vinden, willen we bergen verzetten. Het is wat ons overeind houdt om het niet op te geven.’

(*) Noah en Casper zijn schuilnamen.

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234