Woensdag 13/11/2019

Disneydieren en marketingbeesten

Is het u ook opgevallen dat er na 2002 geen mythische jaartallen meer bestaan zoals George Orwell en Stanley Kubrick ooit in het leven riepen? Blijkbaar hebben zelfs artiesten het moeilijk een blik te werpen in het komende millennium. Hoewel, Toneelgezelschap Dood Paard draait zijn hand er niet voor om en situeert Blaat in Amsterdam anno 2009: een verontrustende kijk op een wereld waarin taal en kunst van vroeger eeuwen aan een overlevingstocht bezig zijn.

Consternatie vorige week in de Antwerpse Monty toen de acteurs van Dood Paard na amper een kwartier voorstelling al een pauze aankondigden. Wat had het publiek tot dan toe gezien? Hetzelfde vijftal dat eerder met Wie... (1996) en Titus (1997) opmerkelijke producties maakte die werden geselecteerd voor het Theaterfestival: ditmaal kettingrokend en pinda's krakend in een halve cirkel op het toneel, stopwoorden uitkramend zonder tot één volledige zin te komen. Genre "Man man nah nou heb ik...." Wat op dat moment een plaagstoot leek, won in de loop van de avond aan betekenis. Ik vermoed dat Oscar van Woensel, acteur en huisauteur van Dood Paard, dit eerste deeltje, Bieruur, schreef als prelude op Blaat, zijn tweede stuk en de hoofdmoot van de voorstelling. Plaats van handeling: tweemaal Amsterdam, eerst in 1999, vervolgens tien jaar later, in 2009. En hoe kan het anders: de mensheid zal er volgens Dood Paard niet op vooruitgaan.

In 2009 beschikken Van Woensels personages nochtans over een uitgebreidere woordenschat dan de generatie voor hen, die het moet stellen met een extremere versie van de uitgeholde taalvariant die Gerardjan Rijnders in zijn stukken zo graag gebruikt: alsof het Nederlands zich in die tussentijd, met de nodige invloed van het Engels uiteraard, opnieuw uitgevonden heeft. Maar schijn bedriegt: in Van Woensels nieuwspraak is er voor beelden en metaforen geen plaats meer en zijn grammaticale onregelmatigheden weggewerkt ("lesgegeeft" als voltooid deelwoord, niet "lesgegeven"). Het belangrijkste kenmerk zijn echter overvloedige woord- en klankverhaspelingen ("vrostelling" in plaats van "voorstelling"), die er voor een begrijpelijke communicatie verrassend weinig toe doen. De verschillende figuren drukken zich immers in dergelijke gemeenplaatsen uit dat hun verstaanbaarheid amper onder deze ingrepen te lijden heeft.

Niet altijd zijn Van Woensels woordspelletjes even fijnzinnig. Dat heeft te maken met zijn gulzigheid als auteur. Zowel wat het aantal stukken dat hij produceert betreft als in de selectie en de aanwending van materiaal is hij soms moeilijk in te tomen. Blaat is als tekst weinig gepolijst, maar ook zelden gratuit of sloganesk. Zo gaat Van Woensel de zelfkritiek niet uit de weg wanneer hij het milieu waarin hij opereert onder vuur neemt. Vlot zapt hij van de 'slabar' naar een plein of de foyer van een schouwburg, en komt er telkens kunstenaars en hun entourage tegen. Of hij nu een dichter, een performanceartieste of een architect portretteert, steeds gaat het om praatjesmakers die fuiven en recepties afdweilen en nooit tot de creatieve daad overgaan. Geïncarneerd als curatoren, critici en schouwburgdirecteurs krijgt echter ook het bestel er van langs.

Erg rooskleurig ziet Van Woensel de toekomst van de kunstwereld niet in: "marketingbeesten" zwaaien de plak, naar theater "komt geen kut meer koeken". Veelzeggend is de verschijning van een "actreur (sic) die feesten organiseert en reclames speelt" om de kost te verdienen. Het verontrustendst aan Van Woensels toekomstvisioen is echter het feit dat kunstenaars op straat vermoord worden, terwijl op de begrafenis van een van de slachtoffers zijn collega's slechts een schaarse traan wegpinken. De enkele parenthesen in het stuk waarin - dan plots in doordeweeks laat-twintigste-eeuws Nederlands! - de personages hunkeren naar liefde en tederheid, lijken meer droom dan werkelijkheid. Emoties tellen niet meer mee in een wereld waar de mensen niet langer weten "wat Disneydieren zijn".

Het is moeilijk om je Blaat met andere spelers voor te stellen dan met Sara De Roo, Gillis Biesheuvel, Oscar van Woensel, Manja Topper en Kuno Bakker, na twee producties samen een hecht en wendbaar kwintet. Uit hun mise-en-scène spreekt echter minder inventiviteit dan uit bijvoorbeeld Titus bleek. Dat ze met z'n vijven anderhalf uur lang op een stel stoelen staan te balanceren leidt de aandacht af en maakt hen als acteurs fysiek een stuk minder aantrekkelijk. Die vormgeving suggereert een theater dat een onmiddellijke werking beoogt. Het tegendeel is echter waar: Blaat jongleert met thema's die zich slechts langzaam een weg naar hart en hersenen banen. Tot je beseft dat het jaar 2009 niet zo ver weg meer is.

Peter Anthonissen

Dood Paard speelt Blaat op 12 en 13/1 in Vooruit (Gent); op 15/1 in De Werf (Brugge); op 18 en 19/1 in STUC (Leuven).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234