Zaterdag 16/10/2021

Discussies achter de schermen domineren theaterjaar

danswereld exploreert nieuwe werk- en presentatievormen

Brussel / Van onze medewerkers

Peter Anthonissen / Sally De Kunst

Sinds 1 juli steekt de Vlaamse Gemeenschap de podiumkunsten 39 procent meer structurele middelen toe dan in de periode 1997-2001. In het theater trokken vorig jaar echter vooral monologen en dialogen áchter de schermen de aandacht. Voor de danswereld geldt het tegendeel. In publieke discussies vaak afwezig, lieten choreografen zich op het podium wel opmerken.

In de eerste helft van het jaar 2000 woedde in Vlaanderen een heftig subsidiedebat, dat onder meer leidde tot het ontslag van de Beoordelingscommissie voor Nederlandstalige Dramatische Kunst. Vlaams minister van Cultuur Bert Anciaux (VU&ID, nu Spirit) verbaasde echter vriend en vijand door ruim een half miljard frank (12,40 miljoen euro) extra te vinden voor de podiumkunsten. Zodoende telt Vlaanderen sinds 1 juli elf theater- en vier dansgezelschappen meer, die voor een periode van vier jaar worden gesubsidieerd. Voeg daar de sociaal-artistieke projecten aan toe waarvoor Anciaux geld vrijmaakte, de 'gewone' gesubsidieerde theater- en dansprojecten én alle niet-gesubsidieerde voorstellingen, en het resultaat laat zich raden. In de tweede helft van 2001 waren er meer Vlaamse podiumproducties te zien dan ooit tevoren, met tot een dozijn premières in één weekend. Een aantal waar het hoofd van buitenlandse theater- of dansliefhebbers van gaat tollen! Om echter correct te kunnen inschatten of het potentiële publiek dat aangesproken wordt daardoor ook is toegenomen (toch de droom van Anciaux), is het nog te vroeg.

Binnen het theater liet zich wel al gevoelen dat structurele middelen niet noodzakelijk een garantie zijn voor meer kwaliteit. Het betere jonge werk bijvoorbeeld werd niet afgeleverd door gevestigde theaters die hun deuren al te graag voor pas afgestudeerde makers opengooiden of door de nieuwe gesubsidieerde gezelschappen, maar door groepen die zich buiten het structureel gesubsidieerde bestel ophouden, zoals Lampe (Het litteken lip), de Queeste (Locked-in) en de tandem Action Malaise - SKaGeN (Survival of the fittest). Bij de volgende subsidieronde wacht de subsidiënt en de theatersector een netelige situatie. Het zal dringen worden, want dat de structureel aanwendbare middelen voor theater nogmaals zullen toenemen, lijkt onwaarschijnlijk. Vraag is of het koepeldecreet waarop Anciaux momenteel broedt, daarvoor een oplossing biedt.

Intussen maakten twee van de drie stadstheaters een overgangsjaar door. Na het ontslag van Franz Marijnen en het onverwachte overlijden van Jean-Pierre De Decker kregen de bottelarij/KVS en het Nederlands Toneel Gent (na de fusie met Arca Publiekstheater Gent) een nieuwe leiding met respectievelijk Jan Goossens - Danny Op de Beeck en Dirk De Corte. Bij de presentatie van hun toekomstplannen viel op hoe beide huizen voortaan bij een collectief beslissingsmodel zweren. Het Toneelhuis zit na drie moeizame jaren artistiek in de lift enerzijds door bedrijfszekere coryfeeën als Johan Simons en Gerardjan Rijnders in te schakelen en anderzijds door Jan Decorte een vaste plek als huisregisseur te geven. Met amlett toonde die laatste aan dat een grotezaalvoorstelling à la Decorte ook een groot publiek kan aanspreken. Net als Theater Zuidpool stelde het Antwerpse stadstheater opnieuw een vaste spelerskern samen. De vaststelling dat de amper 47-jarige Han Kerckhoffs daarvan de ouderdomsdeken is en dat de bottelarij/KVS en het Publiekstheater Gent hun ensemble drastisch inkrompen, voedde de discussie over het gebrek aan werkgelegenheid voor vooral oudere acteurs, die in deze krant op gang kwam en uitmondde in een door de vakbonden georganiseerde Staten-Generaal.

Dat de Grote Theaterfestivalprijs ondertussen naar Josse De Pauws üBUNG ging, een voorstelling met zes kinderen tussen tien en veertien jaar, was een staaltje van ongewilde ironie. De theaterwereld werd vorig jaar overigens vaker beheerst door discussies die door pers en politiek werden aangewakkerd. Anciaux' pleidooi voor meer maatschappelijke relevantie bijvoorbeeld vertaalde zich in een groeiende aandacht voor het sociaal-artistieke. Of sommige theaters uit overtuiging dan wel opportunisme die weg insloegen, was niet altijd even duidelijk. Ook het daaraan verwante participatiedebat liet zijn sporen na. Zelfs Kaaitheater, in de ogen van velen een tempel van de avant-garde, stelde voor de subsidieperiode 2001-'5 de "publieksverbreding" als voornaamste doel.

De danswereld bleef in al die debatten opmerkelijk afwezig. Nochtans is er ook daar werk aan de winkel voor de subsidiërende overheid, als gevolg van de steeds toenemende internationale instroom van choreografen, onder meer via Anne Teresa De Keersmaekers dansschool P.A.R.T.S. en via grotere gezelschappen als Ultima Vez, Damaged Goods en Les Ballets C. de la B. Dat laatste collectief wil zich, nu artistiek leider Alain Platel als choreograaf een stapje terugzet, herdefiniëren en ruimte bieden aan jonge makers om zonder de druk van een avondvullende voorstelling aan korte performances te werken. Het is een tendens die op steeds meer plekken ingang vindt. Dans in Kortrijk organiseerde in 2001 met succes twee edities van Dans@Tack, een festival dat kort op de bal wil spelen en de artistieke creatie centraal stelt, en ook bij het sinds 1 juli structureel gesubsidieerde Brusselse kunstencentrum Nadine en bij Les Bains::Connective, het socio-artistiek laboratorium in het voormalig zwembad van Vorst, ligt de klemtoon veeleer op het proces dan op het eindresultaat.

In het kielzog van Meg Stuarts Highway 101 (2000) rezen het voorbije jaar voorts diverse locatieprojecten en parcours als paddestoelen uit de grond, gaande van een tiendaagse bezetting van de Brusselse BSBbis door choreograaf Tom Plischke en bevriende kunstenaars tot het intieme Too shy to stare van Davis Freeman en Lilia Mestre. Centraal in veel van deze onderzoeken stond de relatie performer-toeschouwer, een inzet die vaak tot interessantere resultaten leidde dan menige theatervoorstelling.

Het jaar 2001 zal tot slot de geschiedenis ingaan als het jaar waarin 'Vlaamse' theatermakers en choreografen meer dan ooit door het buitenland begeerd werden. Guy Cassiers en vooral Dirk Tanghe werden in hun tweede thuishavens Rotterdam en Utrecht toegejuicht, Ivo van Hove oogstte als kersvers directeur van Toneelgroep Amsterdam en als festivalleider van het Holland Festival daarentegen veel kritiek. Onder anderen Eva Bal (Singapore), Johan Dehollander (Nantes), Jan Lauwers (Hamburg), Luk Perceval (Hannover en München), Meg Stuart (Zürich) en Toneelspelersgezelschap STAN (Toulouse) werden door gereputeerde anderstalige theaters uitgenodigd om ter plekke een productie te maken. De grootste eer viel evenwel Jan Fabre te beurt, die op vraag van het Festival d'Avignon Je suis sang creëerde op de historische Cour d'honneur van het Palais des Papes, en er de op voorhand uiterst sceptische Franse pers mee wist te begeesteren.

Morgen in deel 8: Podiumkunsten (musical)

Verhoging van structurele middelen voor theater niet noodzakelijk garantie voor meer kwaliteit

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234