Woensdag 11/12/2019

Dirk Roofthooft over zijn gevecht tegen de eindigheid 'Leef ik wel het juiste leven?'

Intens. Dat is het minste wat je kunt zeggen over een gesprek met acteur Dirk Roofthooft. Hij had het ook zo aangekondigd: 'Als ik een interview geef, maak ik daar een project van. Want ik wil dat het goed is. Anders begin ik er liever niet aan.'

Steven Heene

Foto's Stephan Vanfleteren

Eind deze maand gaat Pleure pas, Germaine in première, een film van Alain de Halleux, die daarmee zijn regiedebuut in het fictiegenre maakt. Roofthooft speelt een vader van vijf kinderen van wie er een gestorven is: het meisje viel van een brug maar het is niet duidelijk of ze sprong dan wel uitgleed of geduwd werd. Voor de vader en zijn Spaanse echtgenote begint een zoektocht naar de waarheid die het gezin terugvoert naar Spanje, het land waar de vermoedelijke dader rondloopt.

Voor zijn vertolking in Pleure pas, Germaine kreeg Roofthooft onlangs de prijs voor de beste acteur op het filmfestival van Miami. De productie kaapte ook de publieksprijs weg op het festival in Mannheim en werd recentelijk meermaals bekroond op het filmfestival in Gent. Nog voor de première in de Belgische zalen lijkt het dus al een feit dat Roofthooft, een acteur met een neus voor kwaliteitsprojecten, zich weer met succes heeft laten leiden door zijn intuïtie om dit project te kiezen.

Het vaderschap is hem in ieder geval niet vreemd: Roofthooft heeft zelf een dochter en die verantwoordelijkheid draagt hij met een bezorgdheid die hem naar eigen zeggen soms parten speelt: "Ik ben sowieso iemand die bang is voor pijn en verdriet. Die angst is dubbel zo groot sinds ik een dochter heb: sindsdien maken de berichten over verkeersongevallen en branden op het nieuws mij ziek en controleer ik soms drie, vier keer voor het slapengaan of het gasfornuis wel goed uit is."

Dit gezegd zijnde verklapt Roofthooft me in de loop van het gesprek dat hij overwoog om de avond voordien zijn 14-jarige dochter bij haar grootouders te laten logeren, kwestie van zich in de voormiddag beter op het interview te kunnen voorbereiden. Dat vindt plaats bij ondergetekende en begint wanneer ik hem een lp van PVBA Elektron voorhoud: een souvenir uit mijn tienerjaren met de liedjes die Frank Dingenen zong in het gelijknamige, satirische BRT-programma. Voor de jonge Roofthooft betekende PVBA Elektron een geslaagde entree op de nationale televisie, goed voor dolle pret aan de zijde van Dingenen, Jo Van Damme en Myriam Thys. Hun kapsels en jeugdige blos op de hoesfoto's liegen er niet om: dit was begin jaren tachtig en die lijken nu, een schamele poging tot revival ten spijt, ver weg.

Roofthooft kijkt vertederd: "Fantastisch dat jij die plaat nog hebt. Ik heb alleen de hoes, ergens. Maar ik word nog vaak over dat programma aangesproken. Vorige zaterdag nog. Ik zat in een restaurant in Leuven en daar was een vrouw die mij proficiat kwam wensen voor al het werk dat ik nu doe, waarbij ze zei: 'Maar we weten allang dat ge goed zijt, want de eerste keer dat ge ons getoucheerd hebt, was in PVBA Elektron.' Blijkbaar hebben daar indertijd toch veel mensen naar gekeken.

"Maar het eerste wat ik denk als ik mezelf op die foto zie, is dat ik oud geworden ben. Wij allemaal trouwens. Zo'n foto confronteert u met hoe rap de tijd voorbijvliegt."

"Na de eerste aflevering van PVBA ben ik bijna buitengevlogen, wist je dat? Mijn personage heette Bernard Beperkt en ik had het altijd over 'degoutantisme', over wat ik degoutant had gevonden in de afgelopen maand. Voor de eerste aflevering had ik mij laten inspireren door een jaar- of seizoensoverzicht van Sportweekend. Een van de hoogtepunten in dat programma was hoe hooligans andere supporters in elkaar sloegen. Mijn commentaar daarop was: is dat nu een hoogtepunt in de sport? En dat het een schande was, enzovoort. Ik was toen nog totaal onbekend als acteur. Ik was tweeëntwintig, PVBA was een van mijn eerste jobs. Twee dagen later vernam ik via de kranten - ik geloof dat De Morgen het bericht eerst bracht - dat mijn ontslag werd geëist door de chef van de dienst Sport. Ook Rik De Saedeleer was zeer kwaad, blijkbaar, en het woord 'nestbevuiling' stond groot in een van de koppen. Nochtans had ik het over hooliganisme gehad, en niet over de BRT of zo. Hoe dan ook, de dagen daarop liep ik met kloppende keel door het omroepgebouw. Ik had net werk gevonden en nu al werd mijn ontslag geëist - wegens nestbevuiling dan nog wel (lacht).

Gelukkig is Tom Huybrechts, de producer, voor mij in de bres gesprongen. We hebben het conflict kunnen oplossen door voor te stellen dat mensen van de sportdienst mij in een volgende uitzending van PVBA belachelijk mochten maken - voorzover ik zelf al iemand belachelijk had gemaakt, maar goed. Als ik mij niet vergis heeft Carl Huybrechts toen die taak op zich genomen.

"Tussen haakjes: als we over vroeger praten, kun je de namen en data beter even checken, want mijn geheugen is een zeef wat dat betreft. Mijn hoofd zit veel te vol met wat ik nu meemaak. De rest valt overboord. Maar wat ik wel nog weet, is dat ik die videotape van Carl Huybrechts moest ophalen op de sportredactie. Al die mannen zaten daar, onder wie ook Rik De Saedeleer, naar wie ik trouwens al jaren opkeek. Bijna niemand wou mij helpen toen ik op het bureau binnenkwam, en in mijn herinnering was het de meest stuurs kijkende van allemaal, Ivan Sonck, die mij zonder iets te zeggen aanwees waar de tape lag. (lacht)

"Op welke manier ze mij toen op de korrel hebben genomen, herinner ik me niet meer. Ik was in die jaren een nogal driftig manneke - misschien hebben ze dat geparodieerd.

"Je ziet: ik vergeet veel dingen, zelfs al maken ze op het moment zelf indruk op mij. Het strafste op dat gebied is wel het volgende: ik heb ooit vijftig keer Don Carlos gespeeld bij De Tijd, een voorstelling van vier uur. Zes, zeven jaar later ga ik naar een Don Carlos-productie door studenten kijken in Leuven en zit ik opgewonden in de zaal omdat ik denk dat ik een stuk zal zien dat ik nog niet ken. Het derde bedrijf is bezig en ik zeg tegen mezelf: 'Straks komt de stiefmoeder binnen.' Dat gebeurt warempel nog ook. Pas op dat moment besef ik dat ik zit te kijken naar iets dat ik zelf heb gespeeld.

"Ik denk dat ik veel te gulzig in het nu leef om veel te onthouden. Ik ben te gulzig en te multidimensionaal bezig met wat ik nu doe, waardoor het teveel aan water met visjes en al uit mijn bokaal gutst. Ik kan ook moeilijk dingen combineren. Daarnet nog: toen jij me voorstelde om muziek op te zetten, heb ik 'liever niet' gezegd omdat de combinatie muziek en een interview voor mij niet gaat. Ik heb ook graag complete stilte als we repeteren, om mij volledig te kunnen concentreren. Maar het is meer dan dat: ik kan gewoon geen twee dingen tegelijk doen."

"Zelfs als toeschouwer ben ik bijzonder geconcentreerd. Toen ik onlangs in Gent kwam kijken naar Broere van Bart Moeyaert, zei mijn dochter achteraf: 'Papa, hoe gij u verroert en beweegt tijdens een voorstelling...' En dat is dan niet omdat Bart Moeyaert een vriend is of zo, ik kruip als het ware in het stuk en leef helemaal mee. Als de voorstelling niet goed gaat, lijd ik samen met de acteurs, en omgekeerd ben ik blij als ze het goed doen. De frons op mijn voorhoofd verdwijnt pas na het applaus.

"Ik heb eens een kaartje gehad na De keizer van het verlies (zijn recentste theatermonoloog bij Jan Fabre, SH). Iemand schreef: 'Het lijkt alsof u vijf dimensies meer hebt, alsof u het opperste genot van elk gevoel kent.' Ik heb zelf een vraagteken achter het woord 'genot' geplaatst, omdat het zeker niet altijd een genot is. Het is ook lastig en vaak pijnlijk om in alles zo diep te gaan. Bij mij is het echt alles of niets. Daarom ben ik heel kieskeurig in het aanvaarden van opdrachten, omdat het zoveel van mij vraagt. En daarom ben ik na De wijze van zaal zeven (een monoloog van Hans Aarsman, SH) en De keizer van het verlies eventjes van het toneel verdwenen: ik was helemaal uitgeteerd. Ik kan niet iets half doen - dat is tegen mijn natuur. Gerard Mortier zei het onlangs nog. Ik heb vorige zomer bij hem in Salzburg gespeeld op een cultuurmanifestatie tegen Haider en zijn partij. Er was veel volk - ruim tweeduizend man. Ik kwam als bijna laatste gast in de rij en ik heb mijn tekst twee keer na elkaar gebracht. Die tekst was 'Nature morte' van Joseph Brodsky en ik zei hem twee keer omdat ik naar mijn gevoel nog niet genoeg intensiteit behaald had tijdens de eerste keer. Mortier zei me achteraf: 'Bij u lijkt alles zo dringend te zijn, zo urgent.' Dat is ook zo - voor minder doe ik het niet.

"Door die manier van werken en leven dreigt er wel een constant gevoel van uitputting, ook in mijn privé-leven. Dan heb ik het niet alleen over mijn geliefden, maar over mijn 'privé-ik' tegenover mijn 'professionele ik'. Ik put vooral mezelf uit.

"De ervaring leert bovendien dat meer tijd voor iets vrijmaken - hetzij voor mijn werk, hetzij voor mijn privé - niet per se meer kwaliteit oplevert. Je leven wordt er niet per definitie rijker of gestoffeerder door, toch niet in mijn geval. Vaak ben ik dan nog verder van huis dan voordien, toen ik voor hetzelfde doel minder tijd kon vrijmaken. Geef mij meer vrije tijd voor mijn privé-leven en de chaos daar wordt nog groter."

"Ik heb als kind altijd gedacht: later zal ik weten hoe het moet, maar ik weet nu eigenlijk nog minder dan toen ik achttien was. Als ik tachtig ben, zal ik het nog altijd niet weten: hoe je je moet verhouden tegenover je medemens en tegenover de wereld. In relaties bijvoorbeeld wordt er doorgaans nogal wat gemanipuleerd: je wilt dat de ander hetzelfde voelt als jij, of je probeert de werkelijkheid aan te passen aan je droom. Daar komen moeilijkheden van. Maar in het theater, daar betalen de mensen driehonderd frank om een acteur gedurende anderhalf uur zijn droom te zien realiseren. Op het toneel wordt dat meer aanvaard dan in de werkelijkheid.

"Die tekst van Brodsky in Salzburg: dat ging erdoor als een mes door boter. Het was muisstil in de zaal. Normaal doe ik niet zo snel mee aan manifestaties of betogingen, omdat die dingen snel verzanden in een soort alibi om samen plezier te maken of om gezien te worden, waarbij er bovendien zelden gezegd wordt waar het écht over gaat. De meeste manifestaties werken niet inzichtelijk - dat is toch mijn ervaring. Maar daar in Salzburg was het toch goed raak: 'Nature morte' is een scherpe dissectie van wat er fout gaat tussen ons allemaal. Het is een pleidooi van een man voor dingen en niet voor mensen, want dingen bevatten noch kwaad, noch goed.

"Ik heb altijd problemen gehad om mij achter een groepsgedachte te scharen. Zelfs met mensen van wie ik hou, ben ik bang om het individuele te schaden. Daarom ben ik freelancer. Zo heb ik met Jan Fabre een van de beste samenwerkingen in mijn leven meegemaakt, maar toen hij me vroeg om meteen na De keizer van het verlies ook Het nut van de nacht te doen, brak het zweet me uit. Ik heb liever dat er een tijdje tussen zit, en kijk: nu ben ik weer hongerig als een wolf om met Fabre te werken. Dat zal binnenkort ook gebeuren, want ik speel in een productie die volgende zomer op het festival in Avignon in première gaat. Jan is uitgenodigd om er iets te maken op de Cour d'Honneur. Daarna gaan we De keizer van het verlies hernemen in het Engels en op langere termijn is er een vervolg gepland. Het wordt opnieuw een monoloog: De koning van het plagiaat."

Afgaand op de titel wordt dat een reactie op het vermeende plagiaat in De keizer van het verlies? Fabre zou zinnen van de dichter Leonard Nolens hebben gepikt.

"Over die twist wil ik nu liever geen commentaar kwijt. Sta mij toe dat te sparen tot die productie er komt. Maar ik heb het altijd een heel pijnlijke historie gevonden, zeker omdat ik beide heren goed ken. Je moet weten dat ik voor de televisie nog een portret heb gemaakt van Leonard Nolens, nog wel tijdens de periode waarin ik De keizer speelde. Het was in ieder geval geen zaak om via de pers bekend te maken: veel te privé en te pijnlijk en te broos. De discussie die daarover achteraf in de media ontstond, vond ik dan weer wél interessant. Dus: je mag een scherp statement verwachten in die volgende monoloog.

"De voorstellingen die ik gespeeld heb na die berichtgeving waren trouwens de beste: scherper en dus nog beter. De mensen reageerden heel solidair om De keizer zijn kracht te laten behouden en ik wou me mijn voorstelling ook niet laten afpakken. Fabre zei ooit: ik realiseer me nu pas dat die voorstelling ondertussen helemaal van u is, en wel omdat ik de tekst echt geïncorporeerd had. Voor mij is dat sowieso een voorwaarde: een project moet van mij kunnen worden. Ik moet mijn persoonlijkheid er als het ware aan kunnen uitlenen, of anders gezegd: het moet voor mij levensnoodzakelijk worden dat ik mij in die bepaalde voorstelling kan uiten.

"Verder ben ik van mening, net als Jan Fabre, dat we als mens de optelsom zijn van alles wat we weten en al gezien en gevoeld hebben. Als ik studenten toneel begeleid, zeg ik nooit dat ze zich moeten voorbereiden op een voorstelling door thuis hun huiswerk te zitten maken. Toen ik zelf op Studio Herman Teirlinck zat, ging ik bijna elke dag naar een voorstelling of een film of een tentoonstelling. Als ik nog tachtig frank op zak had, ging ik liever naar een museum en kocht ik wel een appel of niertjes als avondmaal. Waarom? Omdat leren voor jezelf waarom je iets goed of niet goed vindt, voor jezelf een mening 'filteren' met andere woorden, veel leerrijker is dan piekeren over de juiste intonatie van een zin. Het gaat om zelfstandig denken en om dat altijd opnieuw te durven herformuleren. En of ik nu, terwijl ik dat doe, lijk op Damiaan De Schrijver, Lou Reed of op een voetballer die net gescoord heeft, dat maakt eigenlijk allemaal niet zoveel uit. Iedereen is vrij om een vertelling te interpreteren zoals hij of zij dat aanvoelt.

"Bij mij is het zelfs zo dat ik de regisseur absorbeer: zijn manier van denken, van werken... Misschien begin ik na verloop van tijd wel zoals hij te spreken, maar dan komt er wel een ander regisseur die door overheen walst. In die zin is alles wat ik nu zeg waar - maar dan ook alleen maar nu, vandaag. Misschien, als ik het interview over een paar dagen lees, dat ik denk: ho. Maar dat is niet erg, het is juist goed.

"Als acteur moet je je volkomen identificeren met de tekst, en in mijn geval is dat nog nooit zo goed gelukt als in De keizer van het verlies. Maar die identificatie kan op veel verschillende manieren gebeuren. Het opwindende aan theater is juist dat je elke avond opnieuw kunt beginnen. Daarom ben ik zelden zenuwachtig, alleen maar opgewonden. Theater is het heden, en wat voorafgaat, mag je vergeten. Meer nog: moet je vergeten. Je moet als acteur telkens van voren af aan beginnen, en meestal slaag ik daarin: als ik speel, denk ik niet meer na over de voorstelling van gisteren, of die nu goed of slecht was. En ik denk zéker niet na over de redenen waarom ze goed of slecht was. Ik creëer gewoon een nieuwe voorstelling.

"Nu begrijp je ook waarom ik huiver als men een acteur weer eens een 'uitvoerend' kunstenaar noemt. Onzin, een acteur is een creërend kunstenaar, misschien wel de creërende kunstenaar bij uitstek. Omdat hij live creëert, terwijl de mensen er zijn, waardoor hij het risico van te falen erbij neemt. Als een schrijver daarentegen aan een boek werkt, gooit hij twintig vellen weg, net zoals een schilder niet alles uit zijn atelier tentoonstelt. Maar twintig slechte voorstellingen krijgt het publiek wel te zien. Vandaar dat theater zo schoon is: er wordt iets ter plekke gecreëerd, hier en nu."

"Het is dat tijdelijke karakter van theater dat mij boeit, maar merkwaardig genoeg heb ik het een stuk moeilijker om met het tijdelijke van het echte leven om te gaan. Vroeger - nu is het al wat verminderd - kon ik echt droef worden als ik nadacht over de vergankelijkheid van alles. Als ik foto's van vroeger zie bijvoorbeeld, dan vind ik het zo spijtig dat mensen ouder worden. Ik ben gisteren Kerst gaan vieren bij mijn ouders en die mensen zijn dan wel nog steeds gezond, je ziet ze wel ouder worden. Het verdriet gaat eraan komen, dat weet je. Het gluurt al om de hoek, en dat vind ik vreselijk, onaanvaardbaar eigenlijk. In dat verband is het theater een excellente oefening om het tijdelijke te aanvaarden."

Beschouwt hij zichzelf als een romanticus?

"Absoluut. Ik ben in wezen een zeer romantische ziel en prijs me ook gelukkig dat ik toneel mág spelen. Het is zo'n wonderlijk fenomeen dat je samen met andere mensen zo'n intieme schoonheid mag creëren, ontdekken en beleven... Ik en die pakweg tweehonderd mensen beleven iets wat je nooit kunt navertellen.

"Dat is ook altijd mijn frustratie geweest met interviews: ik voel en weet wat ik doe, maar zodra je dat probeert na te vertellen, ben je het kwijt. Meestal kom ik na een interview buiten met een gevoel van: ik heb niet alles kunnen vertellen wat ik dacht of voelde, al weet ik dat dat laatste onmogelijk is: alles vertellen wat je voelt of denkt.

"Het staat er dan ook zo zwart op wit, terwijl een voorstelling veel meer ruimte voor interpretaties openlaat. Een theatertekst alleen al kan zwart, wit of grijs lijken, al naargelang de perceptie van de toeschouwer. Dat is nu net de kracht van kunst: dat iedereen er iets anders in kan zien. Om die reden hou ik ook meer van gefilmde interviews: dan zie je een man die het niet kan uitleggen. Iemand die struikelt over zijn woorden, die chaotisch denkt en spreekt... Dan mag men denken: 'Amai, die man heeft het moeilijk om iets uitgelegd te krijgen', dan geeft dat niet. Zo ben ik.

"Dat is een van de hoofdredenen waarom ik geen regisseur ben: omdat ik dan interviews moet geven en het stuk uitleggen nog voor het in première gaat. Dat zou een ramp zijn voor mij. Daarom ben ik een acteur, die weliswaar veel mee bepaalt in de voorstelling, maar dan zonder dat ik zogezegd de regie voer.

"Misschien ben ik wel een controlefreak, ja. Als ik op het toneel sta, controleer ik min of meer wat er gebeurt. Zeker tijdens een monoloog. Er zijn mensen die zeggen: 'Monologen, dat durf ik niet spelen. Dat durf ik pas als volleerd acteur, omdat het zo moeilijk is...' Ik vind een monoloog juist makkelijker: je bent alleen, en alleen iets moois maken, is makkelijker dan met vijf of zes tegelijk. Zoals het ook makkelijker is om alleen klaar te komen dan met vijf of zes tegelijk (lacht). Want eigenlijk is een voorstelling samen klaarkomen, een climax van schoonheid bereiken. Een climax die bovendien allang op voorhand geprogrammeerd is - om acht uur 's avonds op die bepaalde dag - wat eigenlijk per definitie al een slechte vrijpartij betekent. Die nieuwe voorstelling van Jan Fabre in Avignon: daar zullen we met zeventien mensen op het toneel op hetzelfde moment een climax moeten bereiken! Daarom denk ik dat het alleen maar mogelijk is als je openstaat voor wat er gebeurt.

"De voorbereiding ligt in de attitude om het moment, de voorstelling, aan te kunnen. En als er dan iemand kucht in de zaal, speel ik voor die persoon die kucht; als er iemand slaapt, speel ik ook voor hem. Al die mensen neem ik mee in de voorstelling, want ze maken allemaal - of ik het wil of niet - deel uit van die specifieke avond.

"De interessantste acteurs zijn diegene die je op de avond zelf voelt denken. Stel je voor dat jij nu zou horen dat ik een lesje op zit te zeggen, dat zou toch oersaai zijn? Daarom zijn veel praatprogramma's ook zo slecht, omdat iemand een lesje opzegt of, wat misschien nog vaker gebeurt, de interviewer een vragenlijstje afwerkt."

Zijn pleidooi voor theater als moment is vurig, maar hoe tijdelijk is film in zijn ogen?

"Het momentane in de film wordt doorgedreven tot in het absurde. Er worden soms scènes opgenomen van drie seconden - drie seconden van één reactie tijdens een gesprek bijvoorbeeld. Om een bepaald moment te kunnen pakken, wordt het in zoveel fracties, in zoveel shots onderverdeeld. Natuurlijk heb je dan geen 'nu'-ervaring zoals in het theater, maar ik probeer toch om datzelfde gevoel over te brengen. Dat heb ik stiekem geleerd van Jan Decleir tijdens de opnamen van Klein Londen, klein Berlijn (een BRT-serie, SH). Daarvoor was ik iemand die zich uitgebreid voorbereidde op elke take, als een vlijtige student. Als er toen een camerastandpunt werd vastgelegd dat ik niet verwachtte, lag heel mijn voorbereiding overhoop, dus erg handig was dat niet. Van Jan heb ik geleerd om zeg maar 'gewoon' op de set te arriveren, van mij 'gewoon' te laten beïnvloeden door wat er tijdens de opnamen zo allemaal gebeurt. Dat is ook het 'nu'-moment. In die dagen heb ik geleerd wat zelfs een rug, gezien door een camera, kan uitstralen. Ik ben me nu ook veel meer bewust van waar de camera's staan. "Als filmacteur komt er natuurlijk de frustratie bij dat anderen over het eindproduct beslissen. Het is al vaker gezegd: in de montage kun je van een goed acteur een waardeloos acteur maken en omgekeerd. Je begrijpt dat ik het liefst ook in de montagekamer erbij zou zijn. Ik heb daar een beetje ervaring in (Roofthooft maakte drie jaar geleden voor de VRT een aflevering van Liefhebber, portretten van vier mensen die hij bewondert, SH), en ik moet zeggen: ik zag direct mijn toekomst als monteur voor de komende jaren. Want monteren is zonder twijfel ook een creërende job, een ambacht waarbij je kunt liegen of momenten van schoonheid kunt creëren.

"Tussen die twee gaat het altijd: leugen of waarheid. Mijn zwakke plek is dat ik soms nog tijdens de voorstelling nadenk over iets dat niet helemaal goed zat, waardoor de hele tekst niet meer 'waar' dreigt te worden. Een voorbeeld: ik ben heel scherp zin per zin. Ik hoor van mezelf of ik een zin denk of niet, of hij waar is of niet. Wel, als ik tien zinnen na elkaar slecht zeg, blijf ik daarover nadenken en treur ik, waardoor de volgende tachtig zinnen ook slecht zijn. Door zo'n denkproces zijn er dus al snel honderd zinnen slecht en ruïneer ik de voorstelling."

"Het blijft hoe dan ook een frustrerend bestaan. Ik vraag me soms af: waarom lig ik nu niet bij vrouw en kind te slapen? Waarom slaap ik in een hotel op vijfhonderd meter van mijn huis, om de komma's juist te zetten in zinnen zonder dat iemand daar iets van zal merken? Ik lig daar wakker van. Ik leef voor elke voorstelling, maar uiteindelijk is er zo weinig bevredigend resultaat - voor mezelf én mijn geliefden.

"Ik heb zo eens een onwaarschijnlijke huilpartij gehad in Parijs. Het was na een première: de kritieken waren enthousiast, het publiek ook en ik eindig die avond met vier mensen in een café. Voor een stuk beïnvloed door de drank begin ik daar ineens toch te huilen... Ze begrepen het niet. Ik vertelde hen hoe erg ik het vond dat ik voor een voorstelling zo hard kon werken, mét een schitterend resultaat die avond, zonder dat ik van die leerrijke ervaring iets kon toepassen op mijn privé-leven. Ik kom er als privé-persoon ook geen stap verder mee, met een goeie voorstelling. Een stap in welke richting? Die vraag kan ik niet beantwoorden. Misschien is het wel een stap in de richting van rust. Want ik ben een man die weinig rust kent in zijn leven. Ik zou graag iemand of iets kennen die rust kan brengen. Dan bedoel ik: rust in mijn woelige hoofd. Het zou daar een keer mogen stilvallen, al was het maar heel even.

"Mijn vrouw en kind zien mij soms maar zeventig nachten per jaar. Erg is dat. En waarvoor? Voor die ene mooie voorstelling, voor de schone theaterkunst. En dan is die voorstelling mooi, en dan ben ik nog niet gelukkig. Dat snap ik niet van mezelf.

"Daarom heb ik dat programma Liefhebber gemaakt: ik wou aan mensen die ik bewonderde, vragen of zij dat ook geen ongelooflijke wanverhouding vonden: tussen datgene waar zij dag en nacht voor werken en het vergankelijke van hun werk. Wat stelt het uiteindelijk allemaal nog voor, als iemand door bijvoorbeeld te laat te komen in het theater - iets waar ik een hartgrondige hekel aan heb - het moment van schoonheid waar jij zo naar streeft in een paar seconden tijd om zeep kan helpen?

"Ik heb die vraag in Liefhebber voorgelegd aan Stef Kamil Carlens van Zita Swoon, die ik toen nog niet persoonlijk kende; aan Leonard Nolens, die als een kluizenaar werkt aan zijn boeken die tussen andere boeken in de handel verschijnen en die misschien niet de impact zullen hebben die hij zich voorstelt; aan Laurent Fignon, die ooit tijdens de laatste rit in Parijs de Tour de France verloor; en aan Thierry De Cordier, die zich eveneens afzondert in de natuur om 'iets' te bereiken. Daar heb ik het met hen over gehad, en de vraag houdt me nog steeds bezig: leef ik wel het juiste leven? Ik vind dat ik de - voor mij - enige juiste manier heb gevonden om theater te beleven, maar ik weet niet of het wel de juiste wijze is om te leven.

"Ik hoopte dat die vier mensen mij daarover iets konden bijbrengen. Wat bleek? Stef Kamil en Leonard Nolens en Thierry De Cordier zijn zonder twijfel zielsverwanten en beschouwen de dingen op een min of meer gelijkaardige manier. Van de vier kon vooral Laurent Fignon ons labeur relativeren: 'Zo belangrijk is het allemaal niet.'

"Pas op, ik zeg niet dat kunstenaars moeten lijden voor hun kunst. Dat vind ik echt flauwekul, absoluut. Het is omgekeerd: je wordt kunstenaar omdat je te veel voelt en te veel ziet en omdat je dat niet allemaal uitgelegd krijgt. Maar lijden voor de kunst? Als je ziet dat Jan Decleir twee minuten voor hij op moet, nog op zijn gemak een pintje kan drinken en daarna schittert als acteur, tja, dan weet je hoe het ook kan. "Voor mij is het duidelijk: ik kom het meest met mezelf overeen als ik speel. Dat vind ik als conclusie heel erg, maar alleen op het toneel heb ik het gevoel dat ik de dingen makkelijk kan uitleggen en dat ik makkelijk aanvaard word, omdat je nu eenmaal altijd voor mensen speelt die ervoor gekozen hebben om jou te zien. Bovendien is het een uitgesproken tijdelijke relatie: na twee uur laat je elkaar los en ben je ook van elkaar verlost. Misschien is dat wel de conclusie: dat ik alleen met zeer tijdelijke contacten kan omgaan. Intense contacten weliswaar maar juist omdat ze tijdelijk zijn. "Ik ben nog maar eenenveertig, en het zal wel pathetisch klinken, maar ik voel dat ik minder tijd heb dan vroeger. Dat heb ik altijd gehad: dat gevoel van eindigheid. Daarom las ik ook als jongen gedichten van Jotie t'Hooft. In mijn dromen heette hij Jotie Roofthooft, maar omdat hij dat zo'n lelijke naam vond, had hij die 'Roof' weggelaten (lacht). Maar op vakantie bijvoorbeeld: als we twintig dagen vakantie hadden, telde ik die af: 'Nog maar veertien dagen meer.' Ik heb ook altijd liever gestreefd naar gelukkig zijn dan gelukkig te zijn, want dan ben ik bang voor het einde van dat geluk.

"Die angst voor het tijdelijke, voor de eindigheid uit zich op veel vlakken. Zo zijn er toneelgezelschappen die zelf hun decors afbreken. Met alle respect: ik zou dat niet kunnen. Dat mooie decor afbreken waarin je minuten voordien nog hebt gespeeld. Eigenhandig de spijkers eruit trekken... Dat is iets wat ik absoluut niet zou aankunnen. Ik probeer zelfs dat moment te vermijden: ik ga de technici goeienavond wensen nog voor ze aan de afbraak beginnen, zodat ik daar niet naar hoef te kijken.

"Wat me ook parten speelt, is dat een voorstelling nog altijd iets geforceerder verloopt dan een repetitie. Ik voel me beter en meer ontspannen als ik repeteer - omdat er dan geen publiek is, natuurlijk. Als je een voorstelling hebt, ga je je ineens veel meer voorbereiden. Plots wil je douchen net voor de voorstelling en je wilt geen spruiten eten omdat die je darmen zouden belasten. Ik denk vaak: als we zouden kunnen spelen voor publiek zoals we repeteren, dat zou fantastisch zijn.

"Sowieso vind ik dat je als acteur zeer economisch moet omgaan met jezelf. Daarom leek het me ook beter om na de twee monologen en na Terug naar Oosterdonk (een televisieserie van Frank Van Passel, SH) en Hombres Complicados (een film van Dominique Deruddere, SH) even uit de schijnwerpers te verdwijnen. "Ik kan ook moeilijk omgaan met lof. Na afloop het publiek komen groeten bijvoorbeeld, daar ben ik nog het zenuwachtigst voor. Dan weet ik totaal niet hoe ik me moet gedragen. En als mensen achteraf zeggen dat het goed was, word ik beschaamd. Ofwel lijkt het alsof ik het daarvoor doe, wat ik een vorm van aanstellerij zou vinden, ofwel krijg ik een ongelooflijk schaamtegevoel omdat ik mij tijdens de voorstelling zo heb laten gaan. Pas op, tijdens de voorstelling zijn juist dat de machtigste momenten: die waarop je geen tijdsbesef meer hebt. Zoals bij het vrijen. Dan kom je als het ware uit jezelf: er gebeurt iets en dan, ineens, is het weg. Zo'n opmerking als 'U was goed vanavond' doet je plots weer in de realiteit staan. Dan heb ik eigenlijk nog liever dat iemand het niet goed vond en dat zegt: dan kan ik discussiëren over de voorstelling en zo blijf ik nog, heel eventjes, in mijn rol."

'Een acteur is een creërend kunstenaar, misschien wel de creërende kunstenaar bij uitstek. Omdat hij live creëert, terwijl de mensen er zijn, waardoor hij het risico van te falen erbij neemt. Als een schrijver daarentegen aan een boek werkt, gooit hij twintig vellen weg, net zoals een schilder niet alles uit zijn atelier tentoonstelt. Maar twintig slechte voorstellingen krijgt het publiek wel te zien' 'Ik heb als kind altijd gedacht: later zal ik weten hoe het moet, maar ik weet nu eigenlijk nog minder dan toen ik achttien was'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234