Vrijdag 14/08/2020

Boeken

Dimitri Verhulst: ‘Het is goed in mijn petoet’

Dimitri Verhulst: 'Ik beleef dubbel sportief genot aan al die emmers koffie die ik onophoudelijk in mijn gezicht gooi.' Beeld Joris Casaer

Van zijn schrijftafel naar de plaspot is het 42 stappen. Blijven bewegen is belangrijk, schrijft Dimitri Verhulst (47). Dus houdt hij al de stappen bij die hij zet in zijn Franse paardenstal, lieflijk ook weleens huis genoemd.

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers wel. In de reeks ‘Schrijvers in hun werkkamer’ nemen ze ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door hun werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat in 1794 deed in zijn boek ‘Reis door mijn kamer.’

Er waren best wel wat vrienden die niet begrepen waarom ik een paardenstal had gekocht. En minder nog begrepen ze dat ik van plan was om in die paardenstal te gaan wonen. Een veel te grote, lompe ruimte, een stenen doos waarin sinds 1885 hoofdzakelijk werd gezeken en gescheten door aanstaande biefstukken, met een lap grond eraan die eertijds gewoon werd kaalgevreten maar nu dus dient te worden onderhouden door een intrinsieke luilak met niet eens heel erg groene vingers. Bovendien ligt het hier zo verdomde afgelegen, in het immer doodse deel van Frankrijk, pandemie of geen pandemie, in wat heet: De Diagonaal van de Leegte.

Klinkt goed, vind ik, de diagonaal van de leegte. Daar wou ik volgaarne wonen. Terug in het land van mijn moeder. Terug in het land van mijn alleroudste moedertaal. De taal waarin ik voornamelijk zwijg, eindelijk zwijg. Veel te veel heb ik gepraat. En veel te weinig geschreven.

De vermaledijde gezondheidsapp op mijn telefoon vertelt mij dat ik gisteren 5.040 stappen heb gezet, oftewel 2,9 kilometer. Geen idee hoe mijn telefoon weet hoe lang mijn benen zijn. Dat hadden meer stappen kunnen zijn, aangezien ik enkele uren op een ladder heb doorgebracht, raamkozijnen vervend. We zullen de wereld proper achterlaten als we vergaan. Ik denk aan de ramen in de steden, waar iedereen de hele dag alleen maar heeft door te staren, en hoe helder die uit verveling weer zijn gelapt. Als nieuw.

Traagsprinten

Het gros van mijn stappen leg ik af tussen mijn schrijftafel en het espressoapparaat. 66 stappen zijn dat, enkel, ik heb het zopas geteld. Dat geluk beleef ik aan mijn cafeïneverslaving, ze houdt mij fit. In feite beleef ik dubbel sportief genot aan al die emmers koffie die ik onophoudelijk in mijn gezicht gooi, aangezien ik van dit pekzwarte goud moet pissen als een kameel. Een hyperkinetische blaas, alles heeft een naam.

Van mijn schrijftafel naar de plaspot: 42 stappen. Met nog wat handen wassen erbij loop ik een verhoogde kans op kuitkramp.

Blijven bewegen is belangrijk, zeker in tijden van lockdown: lezen doe ik in een schommelstoel.

Druk, druk, druk.

Geen wonder dat mijn conditie buitenaards is. Zonde eigenlijk, dat die Olympische Spelen zullen worden afgelast, ik zag me al uitblinken in de lelijkste sport die ooit werd bedacht, het snelwandelen. Als dat mag bestaan, dan moet traagsprinten ook mogen bestaan.

Ik doe het soms, traagsprinten, onder meer wanneer mijn telefoon gaat en die, in tegenstelling tot ik, nog in de slaapkamer blijkt te liggen. Ik haal het nooit, dat weet ik bij voorbaat. Veel te ver, dat bed, 78 stappen vanaf het espressoapparaat. Ik zie daar dan ook vaak tegen op en raak er moeilijk in ’s avonds. Tegen de tijd dat ik eindelijk die telefoon beet heb is mijn correspondent allang het antwoordapparaat aan het vol leuteren. Maar toch trek ik dat sprintje, uit burgerzin of zoiets, en ik doe dat meteen in slow motion, dan hoeft de herhaling niet meer. Ergens onderweg kom ik dan mijn piano tegen, net op het moment dat de ringtone ophoudt met lelijk te wezen. Tja, dan weet je het wel.

Ik heb een afspraak met mijn piano: telkens als ik haar passeer, zal ik haar bespelen. Desnoods maar twee minuten. Die toch wel weer twintig minuten worden.

Deze week heb ik mij op een song van Paul Weller gesmeten, die ik dan als een volkomen mislukte Brad Mehldau zit te verjazzen. Aangekomen bij de zin ‘People fly by in the traffics boom’, schiet ik in de lach.

Eigenlijk zou mijn schatje nog eens gestemd mogen worden; ik kan mijn lievelingsakkoord, b-mineur, niet meer al te zuiver spelen. Schandalig is dat. Weinig is mooier dan een b-mineur-akkoord. Daarom vroeg ik een volmacht van mijn karma, om in mijn volgende leven een b-mineur-akkoord te mogen zijn. Of dat zal zijn gelukt, laat ik iedereen te gepasten tijde weten. (In mijn vorige leven was ik een boule de Berlin, ik geef het maar even mee. Maar men begrijpt, het was even wennen voor me om opeens een mens te zijn.)

Gefrustreerd over de mij te droge aanslag van enkele pianotoetsen gaat het van de piano heel vaak naar de accordeon. Beide instrumenten bevinden zich op 13 stappen van elkaar. De accordeon dus, een Italiaanse. Daar trek ik dan een beetje aan. Franse chansons. Ik bak er niks van, padam, padam, padam, in de Parijse metro zouden ze mij met recht en reden doodslaan, maar ik word zo onverklaarbaar gelukkig met dat dikke ding op mijn buik gebonden.

Ik zou mooi zwanger zijn, dat denk ik wel.

Wonende op een appartementje hoefde ik het niet te doen, vermoed ik, aan die accordeon sleuren. Mijn bovenbuur, die de pech zou hebben niet doof te zijn, zou al snel zijn geweer laden en zijn vloer vol gaten schieten. Maar hier kan ik, als ik dat zou willen, alles ongestraft in mijn mond stoppen: het blaasstuk van een quadrotrombone, de pijp van een Asturische doedelzak. Ik zeg maar wat. Het enige wat er zou gebeuren met mijn dichtste buur is dat die ineens zure melk zou geven.

Dit huis heeft ramen, zij kunnen open, ik kan de wereld naar binnen laten waaien, en dan hoor ik in dit seizoen onder andere de kikkers kwaken, uit voortplantingsdrift. Zij hebben billen die de Fransen gaarne weten baden in de knoflookcrème en in de peterseliejus. Zij kennen het lot van de kok, hij zal hoesten voor zijn zonden. Alle lepels liggen achter gesloten luifels, in het culinaire land bij uitstek zijn de restaurants potdicht. Ik hoor die vreugde in dat gekwaak, een oeroud leedvermaak.

Ook de nachtegaal zit weer uren al zijn partituren naar een soortgenoot van lekkerder kunne te fluiten.

De mensheid zit in z’n zesde en hopelijk laatste periode van extinctie, je hoort die hoop uitgeroepen door de oehoe, je hoort haar worden uitgeblaat door ieder, vanaf morgen voor immer ongeschoren blijvend, schaap. En ook de egels, die ineens niet meer tot straattapijt worden gereden, paren luidruchtig van de pret.

Het is geen gevangenschap, te kunnen schrijven voor zo’n open raam. Ik hoef nergens heen, ik ben er al. En ik ben er niet alleen.

Het is hier goed in mijn petoet. Ik deel mijn cel met de enige met wie ik het zou kunnen. De enige met wie ik het zou willen.

Is dit het huis waaruit ik in een kist naar buiten zal worden gedragen? Je denkt er weleens aan. Het is een mooi huis, ik heb het gevuld met geluk. Met liefde ook. Van mij mag het. Maar niet nu. Nu niet. Ik heb hier nog een paar stappen te zetten.

Dimitri Verhulst • geboren in Aalst op 2 oktober 1972 • is schrijver van o.m. Problemski Hotel (2003), De helaasheid der dingen (2006), Kaddisj voor een kut (2014) en De pruimenpluk (2019)

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234