Dinsdag 06/12/2022

Dikke memmenin een vellen frak

'Kist men kloeiten, de stad schrijft verder aan haar hekeldicht. In de pissijn van een stationscafé pist iemand op mijn schoenen. Kist men kloeiten. Op de toog danst een man met alleen nog een lederen tangaslip aan. Op zijn afzichtelijke kwabben staan twee ajuinen getatoeëerd. Kist men kloeiten''Hoeveel boeken dienen er te worden geperforeerd om deze hoeveelheid confetti bij elkaar te krijgen? Zou iemand ze eerst hebben gelezen?'

Dimitri VerhulstFoto's Tim Dirven

Ieder jaar, als de krokussen hun kop opstaken, sneed mijn vader zijn snor af en dat voelde aan alsof ik een heel klein beetje minder vader had. Hij was een van de zeldzame mannen van wie ik vond dat een snor zijn portret eer aandeed. Hij zat in zijn onderbroek voor de spiegel, en zodra zijn snor op de grond lag, schoor hij zijn benen met een elegantie die ik niet van hem gewend was. Daarna trok hij de kleerkast van mijn moeder open en sprong hij in haar pikantste kleren. Dat mijn moeder bijvoorbeeld hoerige jarretelles droeg, heb ik alleen maar geweten omdat mijn vader er open en bloot mee over straat liep. Zijn lippen gestift, zijn nagels gelakt, geparfumeerd. Mijn moeder een beha minder, onze fruitschaal twee wijnappelsienen armer.

Mijn vader was een prachtige vrouw, zijn benen waren die van een passer maar ze dichthouden kon hij niet, dat moet ook gezegd. Zijn lijf stak in een dood konijn, de bobbel in zijn kruis verried zijn mannelijkheid. Als hij dan uiteindelijk zijn ene blote been over het kader van zijn postfiets smeet en met hoge hakken en o-benen en een handtas vol poedertjes en tampons de Merestraat uitreed, dan begreep ik voor minstens drie dagen ontslaan te zijn van z'n gezag.

Hij was een voil jeanet, op weg naar carnaval.

In het dierenrijk heb ik altijd neergekeken op zalmen. Niet dat het in mijn aard ligt mij boven een andere diersoort verheven te voelen, maar een zalm, en ik geloof dat ook een paling daar last van heeft, heeft de verwerpelijke drang zich voort te planten waar hij zelf geworpen werd. Voor mij zou dat betekenen dat ik terug moet naar de oevers van de Dender, naar de stank van het dode water en de fabrieken, naar de kroegen waaruit de jukebox nog steeds niet is verbannen en waar het gewicht van het gemoed is neergeploft op een barkruk.

Maandag is een goede dag om te verlaten en een maandag was het toen ik Aalst verliet. Weerkeren liet ik over aan de jojo's, weerkeren deed ik om mijn vader er in mannenkleren te begraven.

Maar de zalm in ons is sterker dan we denken, dan we willen, en Aalst heb ik gezocht in andere steden. Gezocht en gevonden in Dublin. Waar de Dender de Liffey is en met eenzelfde belabberde debiet de kaart in tweeën splijt. Ook daar pronkt een bierbrouwerij aan de rivier, ook daar lopen de arbeiders vele onderbetaalde uren per jaar in het gareel van de fabrieksbaronie en zijn kroegen de tempels van de taal en oorden van een collectief vergeten. Denken aan Dublin is denken aan Aalst, is denken aan regen. Er gaat een hoop troosteloosheid uit van deze steden, O'Connell Bridge en de Zeebergbrug zijn tevergeefse wegen naar elders.

Onverzettelijk is het zalmschap, het neemt met geen gelijkenis vrede, en wanneer Aalst, mijn Aalst dat ik liefheb, mijn Aalst dat ik haat, zich opmaakt voor carnaval, trek ik de kleerkast van een ander open, en keer ik weer.

Carne. Vlees. Carnaval is de val van het vlees, een vastenavondfeest dat geen andere bedoeling heeft dan een schranspartij te zijn. Rome heeft de wereld een dieet van veertig dagen opgelegd, de wil van God, en die is wet. Maar meer nog dan een volk dat zijn maag preventief volpropt met vette trippen en liters pils moet carnaval worden gezien als een kolossale middenvinger naar alles en iedereen. Kust mijn kloten, kist men kloeiten. Alles wat de Aalstenaar op de maag ligt, moet eruit, langs alle gaten, in alle geuren, tegen gevels en deuren. De stad voelt het kookpunt van haar inwoners maar al te goed bereikt worden. Winkeliers ontruimen hun etalage, spijkeren houten planken voor hun ramen, alsof er een niemand en niets ontziende passaat te passeren staat. Maar de eerste ontlasting doet niet zo'n pijn en kan men kwijt in de vorm van een praalwagen. Maanden heeft men aan die wagen gewerkt, het heeft bloedbleinen, zweet en vele bakken Safir gekost om het gevaarte tijdig klaar te krijgen. Sommige wagens ruiken nog naar de verf wanneer ze door de straten trekken, er is de hele laatste nacht aan doorgewerkt. Geld en huwelijken heeft het gevergd, maar als die wagen er staat is men een gelukkig mens. Rijdende discotheken werden het, reizende schouwburgen vol technische snufjes waarop de acteurs - een minderheid reeds sufjes van het gerstenat - hun wrok presenteren. Aalst breekt de wereld af, dat sarcasme ziet het gerechtvaardigd in het feit dat ons belastinggeld dient om de politiek vierkant te laten draaien. Het hekeldicht wordt vlees. De teloorgang van onze nationale vliegtuigmaatschappij is een dankbaar thema. De migranten en de asielzoekers worden in hun hemd gezet. "Wij sijne niete mèrre fijlig, wij sijne bang! Wij willene komme narr te belovte lant' forr te doene kommérrs mette Pita, Kebap offe Nachtewinkel mette sigaret enne ttrank. Wij sijne mette fèelle en wij kommene fan overal." Ondertekend: Ashamirr Saccramalesj en Moestafa Sandall. Er mag dan wel door een aantal carnavalsgroepen overlegd zijn met de Turkse gemeenschap, de uitbeelding is een bewegende cartoon uit 't Pallieterke en het publiek lust het. Ook aartsrivaal Dendermonde (onrechtmatige bezitter van het Ros Beiaard, dat door een Aalstenaar in dwangarbeid werd gemaakt) wordt belachelijk gemaakt. Hun koninkrijk voor een houten paard. En het koningshuis wordt voorgesteld als een familie randdebielen. Aalst kiest tenslotte zelf zijn koningen en prinsen. Keizer Kamiel laat zich omringen door een meute veertienjarige nimfen wier kippigheid stijgt door een portie pluimen op hun kop; hun kontjes beschrijven ronde figuren in de richting van de pensioengerechtigde keizer.

Talrijk zijn de plassen kots nog niet wanneer het feest zich die eerste avond naar de Grote Markt verplaatst. Er is nog niet tegen iedere gevel gepist, maar daar wordt aan gewerkt. In een hels tempo. Ik hoef maar tot het strijklicht te wachten en zie al een steeg met neergezegen mannen geplaveid. Het regent. Als ze wakker worden, vullen ze hun tank weer bij.

Carnaval reduceren tot een gebeuren waarbij een stad en masse de lever naar de vuilnisbak zuipt, zou echter wat flauw zijn. Dat een achtjarig kind zich vorig jaar in een diepe coma heeft gedronken is ongelukkig toeval. Dat men zo nu en dan iemand met messteken moet afvoeren naar het ziekenhuis een spijtig anomalietje, en verwaarloosbaar. Niets hebben wij te kadijzen, niets mogen wij te kadijzen hebben op het Aalsterse carnaval. Hier heerst het anonimaat, zwaait de zotskap de scepter gedurende drie onwezenlijke dagen en nachten. Alleen: iemand die zich halsstarrig voordoet als een ander wordt het summum van zichzelf; zo'n wereld betreed je niet tenzij op eigen risico. Kist men kloeiten, de stad schrijft verder aan haar hekeldicht. In de pissijn van een stationscafé staat iemand op mijn schoenen te pissen. Kist men kloeiten. Op de toog danst een man met alleen nog een lederen tangaslip aan. Op zijn afzichtelijke kwabben staan twee ajuinen getatoeëerd, een roos konijn naait hem in de kont. Kist men kloeiten. Een vrouw, een echte, heft haar rokken op en laat de zeik uit haar zatte lijf sijpelen. Kist men kloeiten. Een uitgeput koppeltje heeft het echtelijke bed in het midden van de straat gezet en vangt er een uiltje, op de beats van het lied 'Hiete Treis' springt een vijftal smurfen ondertussen op hun matras. Kist allemool vierkantig men kloeiten!

'Het wonder is geschied, mijn kut is nat en 't regent niet.' Maar 't regent wel. Het giet. Het bloemenperk voor het stadhuis is veranderd in drek. Maar ze zijn niet te tellen, degenen die drijfnat van én de regen én de derrie die over hun hoofd is uitgekieperd staan te huppelen alsof hun bestaan ervan afhangt. De demagogie van de luidsprekers: 'Al wie da niet springt is homofiel'. Dus springen ze, ook de honderden venten met plastic borsten en gebruind bloot bovenlijf. Aalst zou geen carnaval hebben als men schuw was van een beetje februari, er zijn jaargangen geweest dat men hier half uitgekleed in de sneeuw heeft gedanst. Sommige ziekten zijn geneeslijk, de huisarts heeft alvast voldoende boekjes voor zijn wachtkamer gehamsterd.

Het regent en het blijft maar regenen. Het regent zoals het in Boons boeken regent. Waar het gaat over mensen die ergens diep in hun wezelhart hongeren naar de daver van het leven, maar er bang voor zijn. Ik kijk door de natte ruit naar de even natte straat en zie de daver, voel de daver, word één met de daver, omdat er niets anders opzit dan de maat van mijn wezelhart door de daver te laten bepalen. Pat-toem, patta-toem, pat-toem. Dat het regent. En dat de regen valt als een voile, als een pleureuse. Ik, verstopt achter mijn masker, verborgen achter mijn lamfer, kijk naar het schoonste van dit carnaval: een rad, met duizenden lampionnen, rode en blauwe, waarin niemand zit, en dat draait. Van het feest is de melancholie. Hier ben ik geboren, deze stad zal naast het jaartal voor het streepje op mijn doodsbrief staan, in deze daver kom ik telkens thuis. En trap in het braaksel van een ander. Het lijken mij frietjes te zijn, met curryworst. Ik stink. Mijn misantropie stond op een dag in dit fabriekshol in de knop.

Niet iedereen gaat slapen. Wie 's maandags nog wakker wordt heeft een houten kop, er zit niet veel meer in maar het weinige dat men erin aantreft doet pijn. Er staan emmers naast het bed, er liggen mensen in de lakens die na het ontwaken elkanders naam weer moeten vragen. Ze ruiken naar elkaar, ze zouden willen zoenen maar houden liever het deksel op hun bek. Alcohol. Looksaus. Gal. Een half pond confetti dwarrelt uit hun onderbroek. Misschien ontbijten ze samen, misschien verdragen ze elkaar ook zonder drank en zonder masker en schrikken ze zich een bult als ze samen in hetzelfde bad een boel smeerlapperijen van hun vel laten weken. En dan begint het hele gedoe weer opnieuw, de maandag doet de zondag na. De schunnigheid stelt zich burgerlijke partij voor het leed dat hen een veel te lang jaar lang is aangedaan. Weer trekt de stoet langs de asgrijze rijtjeshuizen van de binnenstad. Weer worden de kilowatturen besteed aan liedjes die de lof der dikke tiet bezingen. Weer kapt men beken in zijn strot, uit glazen waarin confetti en slingers drijven, tot het bier een papje wordt. Laat mij uw muis eens zien!

Hoeveel boeken dienen er te worden geperforeerd om deze hoeveelheid confetti bij elkaar te krijgen? Zou iemand ze eerst hebben gelezen?

De man die op dinsdagmiddag nog op zijn benen staat, hult zich in een nerts. Zijn lijkbleke gezicht zit onder een laag schmink, zijn lippen zijn niet beter geverfd dan het prentkaartje door een gehandicapte met zijn tenen. Hij heeft zich van kop tot teen bespoten met het goedkope parfum van een smerige del. Misschien is zijn onderbroek te zien, misschien ook niet. Hij duwt een kinderwagen voort, wat handig is als je overal die bakken bier mee naartoe wilt zeulen. Vele honderden mannen zijn dit, zij komen samen aan het stadhuis en vormen daar de stoet van de voil jeanetten. Iedereen mag meedoen, iedereen heeft recht op zijn dosis perversiteit. Ze hebben zetels bij zich, salontafeltjes, voegelmoiten, alle mogelijke brol wordt meegetorst. Ze krabben zich aan de kloten, leggen hun spellement goed en zoeken een vensterbank van waarop ze zich in de belangstelling kunnen showen. Hoe vettiger, hoe prettiger, maar de concurrentie is groot en het is doeltreffender de ongewassen mond voor een megafoon te houden.

Waar ik persoonlijk erg van schrik: na al die jaren staat dat paard nog altijd in de gang van buurvrouw Janssen. En ook die pompbak is nog steeds kapot.

De mars der dikke memmen in vellen frakken trekt zich op gang. Moeizaam, want het mansvolk mankt omdat het al zijn derde dag in hoerenbotten met hoge hakken op de hort is. Lelijkheid is lijden. Er bengelen smerige maandverbanden en rotte haringen aan een vislijntje, de toeschouwer die heel even niet oplet krijgt het goedje in zijn nek gekletst. Zo trekken ze onder de rook van de fabriek door, langs de strontbruine Dender, met als attributen een onbruikbaar grote dildo en een neukpop. Bijna is dit feest gedaan, bijna is de laatste kotsplas opgedroogd en zet men weer voor 362 dagen een masker op dat men met heel wat minder noten op de zang dragen kan. Maar het is goed geweest. De macht was heel even aan de kleine man, democratie was er weer voor iedereen. Het volk heeft gesproken, er is uitgekomen wat erin zat.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234