Zondag 13/06/2021

Difficiele faciliteiten

Rode en Ronse. Een gemeente en een stad, allebei met faciliteiten voor Franstaligen. De ene haalde vorige week de nationale pers met communautaire heibel, de andere bleef onbewogen toen daar jaren geleden op de faciliteiten werd beknibbeld. Een verhaal van twee werelden.

Sybille Decoo / foto's Filip Claus

Ik ben momenteel niet thuis. Gelieve een boodschap in te spreken na de biep. Ik bel u zo spoedig mogelijk terug. Et pour les francophones, la même chose." OCMW-ondervoorzitter Pol Kerchkhove van Ronse heeft een aardje naar zijn vaartje, de burgemeester van de stad. "Da's een grap hoor. Pol heeft veel Franstalige vrienden," verontschuldigt Walter Kerckhove zijn telg.

De straatnaamborden die aan het brein van de burgemeester zijn ontsnapt zijn geen grap. Als Franstalige moet je gezichtsvermogen uitmuntend zijn wil je hier je weg vinden. De sociaal-democratische burgervader vond er niets beter op dan de Nederlandstalige namen op de verplicht tweetalige borden in grote letters te vermelden en de Franstalige versie in onooglijk kleine. De Vlamingenweg is aan zijn alziende oog ontsnapt (zie foto), de Walenweg aan de andere kant van de stad niet. Trots is hij ook over zijn spitse vondst om de informatiebrochure van de stad door een privé-uitgever te laten verspreiden. Op die manier kon hij ontsnappen aan de verplichting om gemeentelijke meldingen in de twee talen op te stellen.

De aanpak kenmerkt het betuttelende vingertje van de schoolmeester. Kerckhove belandde als onderwijzer in Ronse in 1957. Gepromoveerd tot docent psychologie en pedagogiek kent hij ook de knepen van de toegepaste psychologie. Of is het de concrete aanpak van stadsheld Ovide Decroly, de in 1932 overleden vooruitstrevende pedagoog, die hem inspireerde? Zelf schrijft Kerckhove zijn Vlaamsgezindheid toe aan de taalstrijd uit het begin van de jaren zestig, "toen het hier elke dag 1302 was".

Dat Ronse toen faciliteiten voor Franstaligen kreeg is eigenlijk een vergissing. Bij de betwiste, want volgens de Vlamingen door vooringenomen tellers gemanipuleerde talentelling uit 1947, haalde Ronse de drempel van dertig procent Franstaligen omdat de textielarbeiders onder druk van hun franskiljonse patroons voor het Frans kozen. Het Frans was toen nog de cultuurtaal bij uitstek, een noodzaak om de sociale ladder te beklimmen. Ook veel Vlamingen bekenden zich toen nog tot het Frans, omdat dat chic stond. Maar intussen zijn de meeste textielbarons vertrokken en is het franskiljonse er bij de Vlamingen af.

Wat meteen verklaart waarom Ronse, zoals alle andere faciliteitengemeenten aan de taalgrens - op het Voeren van Happart na - uitblinkt in onverstoorbaarheid. En waarom het roomsrode gemeentebestuur al jaren geleden zonder veel erg kon invoeren wat Vlaams minister van Binnenlandse Zaken Leo Peeters (SP) nu wil opleggen aan alle faciliteitengemeenten, en wat al maanden voor opstoten van communautaire koorts zorgt rond de zes in de Brusselse Rand. Al enkele jaren krijgen de Ronsenaars hun gemeentelijke documenten in het Nederlands. Op de tienduizend aanslagbiljetten voor huisvuilbelasting vroeg slechts een veertigtal mensen een Franse versie. Ronsenaars zijn dan ook traditioneel tweetalig. Of spreken het dialectisch mengelmoesje dat hier Ronses heet. Ze huwen gemengd en gaan vaak naar school in een andere dan hun moedertaal.

De relatieve Franstaligheid van Ronse is nog het best zichtbaar in de politieke verhoudingen. Alleen de tweetalige liberalen van de LDR, de Liberale Democraten van Ronse/Renaix, komen nog op voor de francofone belangen. De LDR splitste zich van de VLD af toen de partij onder Verhofstadt te veel de Vlaamse kaart begon te trekken. Alle andere lijsten zijn eentalig Nederlands.

Ook de grote groep migranten onder de Franstalige Ronsenaars nuanceert de Ronsese francofonie. Zij zullen niet de pretentie hebben om Franstalige eisen te stellen. Hetzelfde geldt voor de kansarmen uit Wallonië, die zich met de hoop op werk in Ronse komen vestigen, zo'n kleine driehonderd per jaar. Ronse deelt dus, alle verhoudingen in acht genomen, de verfransing met de Rand rond Brussel, maar de Ronsese inwijkelingen hebben niet de mondigheid van hun rijke taalgenoten in Vlaams-Brabant. Waardoor burgemeester Kerckhove zich onbedreigd voelt: "Ze zijn welkom maar moeten zich aanpassen. En anders moeten ze maar naar Ath. Bij mijnheer Spitaels." De burgemeester zal zonder scrupules aan het OCMW voorstellen om de omzendbrief van welzijnsminister Luc Martens, die een replica is van die van Peeters en Franstaligen verplicht om documenten in het Frans telkens opnieuw te vragen, onverkort toe te passen.

In Ronse is nog veel Frans te horen. Opschriften in winkels en menu's in restaurants zijn er steevast in beide talen. De middenstand spreekt de taal van de klant, en die komt vaak uit Wallonië waar Ronse tegenaan ligt, diep tussen de heuvels van de groene Vlaamse Ardennen. Al wie boven de weg naar Gent woont, richt zich op het rijkere Oudenaarde.

Woensdagochtend. Op de markt van Ronse hangen beide talen in de lucht. Onder een loden hemel, die het aanschijn van dit werkliedenstadje triester maakt en de markt maar dunnetjes bevolkt, treffen we twee keuvelende koppels aan, volkse mensen die beide talen door elkaar praten. De uit Dinant ingeweken André, die maar een mondje Nederlands kent, heeft er geen bezwaar tegen dat de faciliteiten verdwijnen. "Ik zal mijn Nederlands wel opkrikken. Dat is toch normaal als je hier komt wonen?" Kennis Willy, die vlot in het Frans bezig was toen we hem onderbraken, vindt dat alleen de splitsing van België de oeverloze discussie over de faciliteiten kan doen stilvallen. "Maar enfin", protesteert Vlaamse Huguette, vrouw van André, "we moeten gewoon wat verdraagzamer zijn. Wij kunnen het wel!" Voor haar mogen de faciliteiten blijven bestaan. Denyse, die alleen Frans spreekt, hoopt hetzelfde. Haar gezicht springt op angst bij de gedachte dat haar Vlaamse man zou komen te sterven. "Dan mag ik wel verhuizen." Zou Nederlands leren dan niet eenvoudiger zijn? "A mon âge?"

Vervolg op de volgende pagina Vervolg van de vorige pagina

Waarom kent ze het na al die jaren nog niet? "Tja, nooit nodig gehad." Haar man, zie je.

Wat verderop klampen we een deftige vrouw aan. Eentalig Frans. Zij is niet zo te spreken over de politiek van de burgemeester - "hij verdedigt ons niet" - en over de omzendbrieven van de Vlaamse regering: "Men duwt ons in een carcan. We krijgen geen Franse missen meer en in de ziekenhuizen doet men alsmaar minder moeite om Frans te spreken. De mensen onderling hebben geen problemen. Mijn man is dokter en heeft zowel Franstalige als Nederlandstalige patiënten. Waarom aan die faciliteiten raken? De tweetaligheid is de rijkdom van Ronse!"

LDR-fractieleider André Deruyver, moedertaal Nederlands, is dezelfde mening toegedaan. Hij loopt al enkele weken met een witte jodenster op zijn jasje: omdat Peeters van de Franstaligen 'tweederangsburgers' wil maken. Als rasechte Ronsenaar bekoort het romantische flamingantisme hem niet. Hij wil geen uitbreiding van de faciliteiten, zoals de Franstaligen in de Brusselse Rand dat vragen, maar een correcte toepassing ervan. "Niemand mag zich meester maken van de wetten die hijzelf heeft gemaakt, zegt een Latijnse spreuk. Als het de bedoeling was om de faciliteiten te laten uitdoven, zoals de Vlaamse regering beweert, waarom zijn ze dan in '88 in de grondwet verankerd? Waarom moest Peeters zo nodig een steen in de kikkerpoel werpen? Er wàs nu eens communautaire rust. Ik heb het moeilijk met dat Führer-gevoel van Vlaanderen. Is het zo erg dat er op een beperkt gebied faciliteiten bestaan?"

Tussen Ronse en Rode ligt een wereld van verschil. Het is een reis van volks naar mondain, van communautaire rust naar spanning, van samenleven naar segregatie. Ongeveer dan toch. Want mondain zijn in Sint-Genesius-Rode alleen de Franstalige en Europese inwijkelingen van boven de spoorweg. Het lager gelegen dorp in de uiterste hoek van het grondgebied van de gemeente, die ook minder rijke Franstaligen huisvest, verschilt in wezen niet van een doordeweekse gemeente in Vlaanderen. En in Ronse hebben de Franstaligen ook aparte culturele kringen - de Cercle Emile Verhaeren, Exploration du Monde, Les Amis du Beau Langage - maar zij trekken met hun activiteiten vele Vlamingen aan. Wat de communautaire spanning betreft zijn Ronsenaars en Rodenaars het roerend met elkaar eens: het zijn altijd buitenstaanders als TAK en politici die keet schoppen.

Boven de spoorweg in Rode, voorbij het gehucht De Hoek, kom je terecht in een wijk bezaaid met grote villa's. Koninklijke rust, doodse leegte. Als om het onderlinge contact te ontmoedigen zijn de hagen hoog en de straten - die hier 'lanen' heten- breed, er loopt geen kat. De bewoners zijn heus niet afgezakt naar de woensdagmiddagmarkt in het houthakkersdorp dat Rode vroeger was.

Aan de andere kant van Upper-Rode zijn de wegen dan weer smaller en de villa's meer op mensenmaat. Hier kwam de inwijking van rijke Franstaligen uit Brussel jaren geleden op gang. Claire, vooraan in de veertig, heeft zoals de meesten hier haar baan en sociale leven in Brussel. We moeten op het Frans overschakelen want haar Nederlands is abominabel, ondanks een jarenlang verblijf hier. De vriendelijkheid zelve, maar als we het over de omzendbrief van Peeters hebben, vertrekt haar gezicht in een kramp. "Dat men ons onze vrijheden laat," verwoordt ze de mening van vele Franstaligen. "Ik vind die Vlaamse regering dictatoriaal, imperialistisch." Elk jaar werkt ze met een Vlaamse uit het dorp samen om geld in te zamelen voor de 11.11.11-actie. "Wij hebben met elkaar geen problemen. Als ik haar nodig heb bereid ik een paar zinnen voor in het Nederlands."

Vlamingen waren 'medeplichtig' aan de verfransing in de Gordel. Velen hebben poen geschept door gronden aan Franstaligen te verkopen. Dat gaat tot vandaag verder. "Mijn zus had drie stukken grond. Ze heeft ze verkocht aan Franstaligen. Als die meer bieden, wat moet je dan doen?" Marguerite Meers en haar man Guillaume Engels, allebei zestigers die in Rode zijn geboren, hebben hun dorp grondig voelen veranderen. Telde hun smalle straatje in De Hoek begin jaren vijftig slechts twee Franstalige families, dan is er nu nog maar een handvol Vlamingen overgebleven. De bejaarden die in de beluiken wonen sterven en worden vervangen door Franstaligen die migrantenrijke Brusselse gemeenten als Molenbeek en Anderlecht achter zich laten. Ze hebben daar veel geld voor over. Een piepklein arbeidershuisje met het toilet op de koer gaat in Rode voor drie miljoen van de hand. Vele van die beluiken worden volop gerenoveerd.

De beminnelijke Marguerite en Guillaume hebben niet zoveel contact met de buren. "Bonjour en bonsoir. Wij moeten wel Frans spreken, anders wordt er helemaal niets gezegd!" Kleinzoon Tim heeft andere ervaringen. Op zijn school zitten al veel Franstalige kinderen. Ze spreken goed Nederlands en Tim mag bij hen naar feestjes. Bij de volwassenen lukt dat nog niet. Vooral wegens de sociale verschillen is het culturele en verenigingsleven hier helemaal gescheiden.

De sociale verdringing vanwege de sterk gestegen vastgoedprijzen is een bekend fenomeen in de Brusselse Rand. En het fonds Vlabinvest dat de Vlaamse regering met jaren vertraging oprichtte - officieel om daar iets aan te doen maar eigenlijk als instrument in de strijd tegen de verfransing; men moet een culturele band met het dorp kunnen aantonen - is niet meer dan een druppel op een hete plaat. De eerste dertien appartementen in de Nieuwstraat van Sint-Genesius-Rode staan er verlaten bij. Tien ervan wachten nog op bewoners. De huurprijs bedraagt gemiddeld twintigduizend frank. "Niet voor mijn klanten," zucht OCMW-secretaris Frank Bundervoet.

Het OCMW heeft ook veel Franstalige steuntrekkers. Het cliché dat de Rand alleen rijken telt klopt dus niet. Rode zit zowel voor de hoogste als voor de laagste inkomenscategorie ver boven het gemiddelde van Vlaanderen.

Voor de omzendbrief van Martens heeft Bundervoet weinig mooie woorden over. "Laat ons redelijk blijven. Wij hebben een totaal andere verhouding met de mensen. De kansarmen integreren zich trouwens zeer goed. We hebben er dit jaar al 47 Nederlands geleerd." Het OCMW moet heel vaak brieven sturen om te melden dat de poetsvrouw komt of dat ze warme maaltijden kunnen krijgen. Als daar voortaan een bureaucratische rompslomp van komt omdat de mensen ze niet verstaan komt de dienstverlening in het gedrang. Later vernemen we dat de OCMW-secretarissen hebben afgesproken de taalaanhorigheid van hun cliënten elk jaar na te gaan bij het sociaal onderzoek en vervolgens alle communicatie in die taal te laten verlopen, omzendbrief of niet. De OCMW's zijn namelijk ook wettelijk verplicht zich tot de mensen te richten "in een begrijpelijke taal".

Na de heisa in de gemeenteraad vorige week is de rust weergekeerd in het dorp. Schepen An Sobrie (CVP) zindert nog na in rabiate taal. Ze is het eens met Peeters omdat het de Franstaligen kan ontmoedigen. Opgewonden vertelt ze over een Franstalig gezin dat het communautair gedoe beu is en van plan is naar het naburige Waterloo te verhuizen. "Dat is toch de bedoeling!" Sobrie lokte als enige Vlaamse schepen een beslissing van de gemeenteraad uit om de omzendbrief niet toe te passen door de consensus in het schepencollege te doorbreken. Als de gouverneur van Vlaams-Brabant de beslissing vernietigt en de gemeenteraad opnieuw wordt gevat, kan een heuse carrousel op gang komen.

Burgemeester Myriam Rolin (PSC) maakt een wat aangeslagen indruk. Ze wil niets liever dan "pacificatie". De Franstaligen beginnen zich volgens haar wel aan te passen. "De mentaliteit verandert. De aanpassing zal lang duren maar alleen lukken via aangename maatregelen. Zoals het voorstel van minister Van den Bossche om al in het eerste leerjaar te beginnen met lessen Nederlands. Dàt vind ik positief. De omzendbrief verpest de sfeer. De Franstaligen zullen radicaliseren. Ik ben geen vragende partij voor aanhechting bij Brussel, maar als het stoken doorgaat, zullen we daar wel moeten over spreken."

Het aanhechtingsidee is al oud. Tijdens de onderhandelingen die de taalkwestie definitief moesten beslechten, begin jaren zestig, stelde de roomsrode regering-Lefèvre in juni '63 voor om Rode samen met Wezembeek-Oppem en de vier gemeenten die al op basis van de taalwet van '32 van faciliteiten genoten - Kraainem, Wemmel, Drogenbos en Linkebeek - aan de Brusselse agglomeratie toe te voegen. Het ging om het tweede regeringsvoorstel. Het eerste, dat voorzag in faciliteiten in gemeenten van de Rand en op de nog vast te leggen taalgrens, had schipbreuk geleden onder het getouwtrek van de betrokken kampen om het in eigen voordeel om te buigen.

Het aanhechtingsvoorstel haalde het evenmin. Historici vragen zich zelfs af of Lefèvre het niet heeft gelanceerd in de wetenschap dat het voor Vlamingen onverteerbaar zou zijn en iedereen zou moeten toegeven dat het faciliteitenconcept het enige haalbare was. Nog een ander voorstel om alleen de sterk verfranste delen van gemeenten over te hevelen, in ruil voor het vrijgeven van Nederlandstalig gebleven stukken van Brussel aan de provincie (het zogeheten verkavelingsvoorstel), maakte nooit echt kans.

Uiteindelijk en na het ontslag, maar niet de val, van de regering, trok een groepje toppolitici zich terug op Hertoginnedal. Na een spel van geven en nemen rond het oorspronkelijke voorstel kwam er een pragmatisch compromis uit de bus met als belangrijkste deal de definitieve begrenzing van Brussel tot de huidige negentien gemeenten, in ruil voor faciliteiten voor de zes genoemde randgemeenten. Eerder had het parlement de taalgrens al definitief vastgelegd. Maar in plaats van een definitieve regeling te bieden, legde het compromis de grondslag voor latere communautaire problemen. Want wat Peeters ook mag beweren, nooit is gestipuleerd dat de faciliteiten tijdelijk waren. Vlamingen waren die mening wel toegedaan, maar omdat men het niet eens raakte bleven de teksten daarover zwijgen. Dat opende voor de Franstaligen en de beroepsverkavelaars perspectieven waar ze handig gebruik van maakten om de uitwijking van Brusselse Franstaligen naar de periferie een nieuwe impuls te geven.

In sommige ultrafrancofone en flamingantische kringen klinkt 'Hertoginnedal' ook vandaag nog als een vloek. Dat Peeters op de faciliteiten beknibbelt is voor de Franstaligen een reden om de begrenzing van Brussel opnieuw ter discussie te stellen, aangezien beide in een deal vervat zaten. Daarbij wordt soms verwezen naar de precedenten Ganshoren, Evere en Sint-Pieters-Woluwe, die in '54 bij Brussel werden gevoegd omdat minstens 50 procent van de bevolking zich in de talentelling tot het Frans had bekend. Nu zitten de zes allemaal boven die grens, sommige tellen 80 procent Franstaligen.

Vooral de PRL-FDF'ers, maar niet alleen zij, blijven dromen van een Groot Brussel. Niet zelden hebben ze een Vlaamse achtergrond en spreken ze perfect Nederlands. Zoals die PSC-verkozene uit Grimbergen, die werkzaam is in een van de zes faciliteitengemeenten, met de rug naar Vlaanderen staat en zijn blik begerig op Brussel laat rusten. Hij gruwelt van het feit dat hij zich voor provinciale zaken tot Leuven moet wenden en voor zijn kijk- en luistergeld tot Aalst. Of Vlaanderen dan zo'n verschrikking is, vragen we hem. Waarop hij zijn Nederlands laat varen en briest: "Mais j'en ai rien à foutre de la Flandre!" Is het misschien een mogelijke afscheiding die hem zorgen baart? "Ik denk dat niet alleen, ik stel het vast!" Hij werpt zijn armen naar beneden en kijkt ontzet naar de grond. Alsof die hem onder de voeten wordt weggemaaid.

Eigenlijk kan je niet spreken over "dé zes". Drogenbos en het aangrenzende Linkebeek hebben niet meer dan 4.700 inwoners en kleven helemaal tegen Brussel aan. Vanuit de arbeidersgemeente Drogenbos kijk je uit op de flatgebouwen van Vorst. De tram uit Brussel komt zelfs tot hier, tot voor het immense domein waarin het kasteel van de burgemeester staat. Vanuit het pittoreske dorpje Linkebeek wandel je dan weer voor je het weet Ukkel binnen. Helemaal ten oosten van Brussel hebben Kraainem en Wezembeek-Oppem het karakter van residentiële gemeenten gekregen. Net als Sint-Genesius-Rode, de grootste van de zes. Daar is de geest van Brussel minder voelbaar, hoewel maar twee kilometer ver, maar Rode heeft een symboolfunctie. Ten zuiden van Brussel de ruimte opvullend tussen de hoofdstad en de taalgrens, is de gemeente de corridor naar Wallonië. Net zoals, helemaal in het noorden, Wemmel de toegangspoort is vanuit Vlaanderen.

De verhoudingen onder de bewoners verschillen dus sterk, evenals de lokale politiek. De zes burgemeesters zijn eendrachtig in hun verzet tegen de omzendbrieven maar hebben het daarom nog niet gemunt op hun Vlaamse onderdanen. In Rode zijn er wel klachten over pesterijen. Een toneelgroep en een filmclub hebben er de brui aan gegeven omdat ze de zaal in het cultureel centrum van de gemeente nooit voor langer dan één dag kregen, een jeugdclub werd het leven zuur gemaakt met voorwaarden die aan hun jeugdhuis werden gesteld. Maar het is niet burgemeester Rolin die daarvoor verantwoordelijk wordt geacht. Op straat is te horen dat het de invloed van FDF-schepen Georges Clerfayt is.

De hamvraag - waarom de Vlaamse regering de knuppel in het hoenderhok gooide - blijft inmiddels onbeantwoord. Rodenaar en Agalev'er Lode Van Oost heeft zijn bedenkingen. "Ik zat naast Peeters toen hij in Overijse het initiatief aankondigde. Meteen dacht ik: nee, dit is niet de goede manier. Dit maakt het voor Vlamingen niet gemakkelijker. Er is een lichte verbetering merkbaar in de wil tot integratie bij de Franstaligen. Op lange termijn ben ik dus niet pessimistisch. Maar deze demarche doet de gunstige evolutie teniet. Ik vrees dat het niet meer dan een bliksemafleider is, een jaar voor de verkiezingen."

Henri Coenjaerts, hoofdredacteur van de Randkrant, die de Europese vreemdelingen in de Rand voor de Vlaamse cultuur warm moet maken, heeft ook een hypothese. "Hier zit alleszins iets achter. Je gaat niet zomaar op een blauwe maandag de Franstaligen de gordijnen injagen. Voor mij heeft men de juridische procedures bij de Raad van State willen uitlokken, om een duidelijke uitspraak te krijgen dat dit zonder meer Vlaams grondgebied is. Zodat aan de Europese burgers het signaal wordt gegeven dat ze bij de gemeenteraadsverkiezingen in 2000 best twee keer nadenken voor ze op een Franstalige lijst stemmen. Het is ook niet voor niets dat de Vlaamse regering nu uitpakt met een luxueuze onthaalbrochure voor de EU-burgers."

In Rode is de zwarte pastoor Damase - als Nederlandstalige Kongolees een toonbeeld van integratie - nog iets heel anders opgevallen. De faciliteiten beletten hem Franse missen te geven, zelfs occasioneel, wat nochtans wel kan in Antwerpen, zijn vorige standplaats. In de winkels hoort hij Vlamingen Frans en zelfs Engels spreken. Hij legt zijn hand tegen de kerk: "Hier verplicht men zelfs God om Vlaams te zijn, maar de Vlamingen zelf schakelen op een andere taal over als er centen aan te pas komen. Kijk, die dubbelzinnigheid, dat irriteert me."

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234