Maandag 29/11/2021

DIE ZAK VAN EEN SINTERKLAAS

Schrijver Dimitri Verhulst ontsnapte dit jaar niet aan Sinterklaas. Samen met zijn dochter trok hij naar Antwerpen, alwaar de boot van de goede heilige man zou aanmeren.

Dimitri Verhulst / Foto Yann Bertrand

Als er roze wolkjes aan de hemel hangen, is dat een teken dat Sinterklaas speculaas aan het bakken is. Beweert mijn dochter. Nonsenspoëzie, daar is ze goed in. Ondertussen zit ze al drie kwartier moed te verzamelen om een spruit in haar mond te steken en zou ik kunnen afdalen in haar denkwereld en zeggen "de Sint bakt geen speculaas voor kinderen die geen spruiten willen proeven", maar ik ga nooit mee in die onnozelheid. De Sint is een uitvinding voor ouders zonder gezag en voor klein grut is hij de eerste grote les in hoererij: dingen doen die men niet wil doen, uitsluitend om iets te krijgen. Kinderen hebben mijn mededogen, omdat ik geloof dat ze ongelukkig zijn, altijd maar te moeten dansen naar de pijpen van een ander, te moeten gehoorzamen. Maar daar houdt het op, ik hoef ze niet in de buurt voor mijn plezier. Bij het woord 'kindervreugd' moet ik aan instellingen denken, nooit aan vreugd.

Kinderen, je kunt ze maken met iemand die je niet graag ziet, het zou niet mogelijk mogen zijn. En omdat zo'n kind veel te makkelijk gemaakt is, stond ik dit jaar op de kade in Antwerpen, het eigen voortplantsel aan de hand, te wachten tot de boot van de goede heilige man zou arriveren. Kennissen hadden me gezegd beter op tijd te zijn, want dat er bij een vorige intocht 15.000 mensen aanwezig waren, en meer hoefden ze niet meer te zeggen om mij te ontmoedigen. Maar ik ben al zo beperkt in mijn talenten om een kind heel eventjes gelukkig te maken, als een acteur met een opgekleefde watten baard mij daarin nu helpen kon, moest ik deze kans met beide handen grijpen. Omdat het typisch voor mij zou zijn om pas in Antwerpen te arriveren wanneer de Sint daar alweer verdwenen was, ben ik dat kind een dag eerder gaan afhalen. Zo doe ik dat. Een kind afhalen. Alsof het een pizza is. Haar moeder zegt dan nog iets als "braaf zijn bij papa dit weekend", en vanaf dat ogenblik speel ik vadertje. Vraagt kindje voor het slapengaan nog een verhaaltje dan denkt papa: 'Literatuur, meisje, dient niet om mensen in slaap te lullen maar om hen wakker te schudden', en leest hij uiteindelijk toch een verhaaltje voor. Want zo'n kind, dat is natuurlijk misselijk van de zenuwen daags voordat het de Sint zal zien, je legt dat niet zomaar neer in bed. Er zijn mij prachtige sinterklaasverhalen bekend, Pierre Platteau heeft een pakkende sinterklaasscène in zijn School N° 1 neergezet, maar uiteindelijk werd het toch iets over idiote kabouters met sprekende huisdieren.

Ben ik niet te laat, dan veel te vroeg. Sints boot zou pas over een dik uur aanmeren, maar als we dat wensten, stonden we wel op de eerste rij en hoefden we geen seconde van het hele gebeuren te missen. Het enige wat we nog in rekening moesten brengen was de kou, die om beweging vroeg en de blaas in werking zette, en het feit dat zo'n wachtend kind iedere minuut vraagt hoe lang het nog wachten is.

Terwijl het nieuw-samengesteld-weekendgezinnetje overleg pleegde, werden we ingesloten door rolstoelen. Daarin: kinderen van mindere goden, geestelijk dan wel lichamelijk gekloot voor het leven, vanuit hun instellingen in busjes naar hier gereden omdat de Sint hen heel even hun miserie kan doen vergeten. Ik kan daar niet tegen. Mensen die het zouden verdienen zijn zelden gehandicapt, en ik begrijp de woede van de natuur, maar niet haar blindheid. Het onrecht. Als ik nog een uur tussen die rolstoelen moest staan ging ik kapot. En de Sint, die had uit zijn zak voor die stakkers uiteraard geen nieuw stel benen steken, want met die hoop waren deze kinderen ongetwijfeld ook dit jaar weer de kade op gerold. Zeker weten, goede benen was wat in al hun brieven stond geschreven. Bij de bank heb ik een aantal lopende opdrachten voor goede doelen staan, en misschien zou ik inderdaad wat meer kunnen geven dan ik nu doe, maar ik koop er mij wel het recht mee af om de fysieke confrontatie met de ellende zo nu en dan te ontwijken.

Bleef ik hier staan tot de Sint weg was, dan liep ik nog een week te janken. Dus liepen we op zo'n podium af waarop allerlei mij onbekend bekends liedjes zong. Sinterklaasliedjes, want die moesten nog gauw worden ingestudeerd en gerepeteerd. Jongens en meisjes van Ketnet, de dochter kende hun namen. Ik kende alleen die buikspreekhond, na al die jaren nog steeds niet overreden. Dat verstaat de dochter niet, dat haar vader en zijn geliefde al die Ketnetsterren niet kennen. Eén of andere speculaasfabrikant had ons ondertussen vlaggetjes in de handen gestopt, waarmee we vrolijk dienden te wapperen zodra daar een rode mijter aan de kim verscheen. Daarom hou ik van de kou, men kan zich dan met muts en sjaal compleet onherkenbaar maken.

Ik rookte alweer meer dan vanuit pedagogisch standpunt goed zal zijn, keek een beetje om me heen. Al die kinderen, jakkes. En al die ouders waaraan je niet kon merken of ze elkander nog een heel klein beetje gaarne zagen, maar die desalniettemin nog bed en andere boedel deelden. Hier en daar een bleitmuil, elders een kakbroek. Veel ouders ook met fototoestellen, om al die kindervreugd vast te leggen tot in de eeuwen der eeuwen. Maar als er iets goeds was aan de Sint, dan dat hij hier alle lagen van de bevolking had samengebracht. Arm en rijk, parvenu en marginaal, links en rechts, roze en bruin, het stond daar allemaal vreedzaam naast elkaar met het nageslacht te wachten op de stoomboot uit Spanje. Het is prachtig wanneer de mensen worden samengebracht, al hoef ik daar zelf niet altijd bij aanwezig te zijn.

Veel te laat op schema natuurlijk kwam dan die verrekte boot eraan, en op dat ogenblik had de wet van de sterksten zich allang voltrokken en zag mijn dochter niets dan ruggen waar ze de Schelde had moeten zien. Haar dan maar in mijn nek gezet. Tegen de tijd dat die boot hier eindelijk aankwam, zouden mijn schouders naar de knoppen zijn, maar voor dit kind en haar Sint: alles zeker? Dat er gezongen moest worden blafte iemand door een microfoon, en het liefst een beetje luid. Zong al dat geboefte dus 'Zie ginds komt de stoomboot', en ik had het gevoel dat er van mij verwacht werd dit alles ontroerend te vinden. Er schoot mij integendeel een zin te binnen uit een smerige mop waarmee men eind jaren negentig hele kroegen plat kreeg: "Wie braaf is krijgt lekkers, wie stout is Dutroux". Om eerlijk te zijn, deze versie is beter. Welk kind kent er nou de roe? Maar ik hield mij in. Opvallen was hier wel het laatste van mijn gedachten.

Mijn schouders wáren naar de knoppen toen de witte Flandria van de onsterfelijke bisschop eindelijk aanlegde. Zo'n honderd Zwarte Pieten huppelden over het dek, sprongen en jongleerden, eentje zag ik zelfs zotte toeren uithalen op een fitnesstoestel, en ik dacht: die kerels zitten met een trauma. Bij elkaar geronseld uit amateurtoneelgezelschappen, onder de schoensmeer gestopt, losgelaten op een koffer verkleedspullen. "Kijk, daar!", zei de dochter: "Daar is Concetta!" Dat mens bleek de huishoudster te zijn van de heilige man, andere kinderen traden haar daarin bij. Ik wist niet dat hij een huishoudster had. "Ja, die kookt voor hem. En ze wast zijn kleren en kuist zijn huis." Dat is waar, meisje, en af en toe zal hij er wel eens opkruipen ook. Het vlagje waarmee ze wapperde, stak daar al voor de derde maal in mijn oog. En toen Sinterklaas voet aan wal zette, had ik al helemaal spijt naar hier te zijn afgezakt. We waren namelijk bedrogen. Dit was niet de echte Sinterklaas. Daarvoor was hij veel te nuchter.

Een jaar of zes moet ik geweest zijn toen ik de eer en het genoegen had om samen met Sinterklaas in het toilet te staan. Misschien dat ik nog op de tippen van mijn tenen stond, maar in elk geval: ik was reeds een grote jongen, kon net als de grote meneren mijn plas lozen in een pissijn. Bij deze sloot ik een periode af waarin ik door mijn moeder op een damestoilet werd gezet, zij naar mij keek terwijl ik het nodige deed, dit zonder de deur te sluiten, en vervolgens veel te hard papier over mijn kont wreef hoewel dat, gezien de kleinheid van mijn boodschap, allesbehalve nodig was geweest. Je moeder van je afschudden, dat was groot worden, en dat ik nu zelfstandig voor mijn ballast naar de pissijnen kon, beschouwde ik als een grote stap, en een triomf.

Het tafereel speelde zich af in café Sportwereld, uitgebaat door Jacqueline en Clement, die me telkens toedekten met jassen als ik weer eens op hun biljarttafel een slaapje deed. Jaarlijks sprong de Sint daar even binnen, voor een goeie pint, en om een paar mandarijnen met malse, zwarte vlekken uit te delen aan de kinderen die daar toevallig waren. Jaarlijks was ik daar toevallig. En het was daar dat ik op een keer zo fier als een gieter grotemensenachtig de laatste druppels van mijn wiebel stond te schudden boven het pissijn, toen opeens Sinterklaas naast mij kwam te staan. Want heiligen moeten ook plassen, zo nu en dan. "Brave jongen", sprak hij plechtig, en ik was blij dat hij in mij een brave jongen had erkend, "brave jongen, zou jij mijn staf even willen vasthouden zodat ik ook eventjes kan plassen." Waar ik op dat ogenblik om bekommerd was, was mijn geloofwaardigheid. Want natuurlijk ging ik daags nadien op school vertellen wat mij overkomen was, dat ik samen met Sinterklaas in de toiletten had gestaan en zijn staf had mogen vasthouden. Geen kat die mij weer geloven zou. De klederdracht van Sinterklaas is natuurlijk niet van dien aard dat hij zijn plasser een-twee-drie tevoorschijn heeft gehaald. Hij moest al die rokken optillen, hoog genoeg, om dan zijn rits te zoeken. Sinterklaas liet daar een "godverdomme" vallen, en toen hij eindelijk zijn piezeloeter had gevonden en ermee aan de plas was geraakt viel al het textiel dat hij zo onhandig had op te houden naar beneden, zodat hij zijn hele gewaad bepieste. Vloeken kon Sinterklaas als de beste. Hij hield niet meer op, de godverdommes kenden geen einde. En zo bekend klonken mij deze vloeken dat ik ineens ook die stem herkende en wist: die man is hier verdomd mijn eigen vader. Maar dat zei ik niet, bang als ik was dat hij boos zou worden.

Hij stak een sigaret op, mompelde iets over zijn ellendige baardpruik, en maakte aanstalten om druipnat de toiletten te verlaten. "Sinterklaas!", riep ik. Hij draaide zich om, ik had de indruk dat hij mijn aanwezigheid vergeten was.

"Wat is er brave jongen?"

"Sinterklaas, je bent je staf vergeten."

Aan de manier waarop hij mij bekeek, kon je het voelen, hij dacht: "Stomme kloot, als je nu nog niet weet dat ik je vader ben dan is het de beenhouwer die jou heeft gemaakt." Wat moest ik doen, ik had hem niet willen beledigen. Hij nam zijn staf en liep er het café mee in, dat in een onderwereldse lachbui uitbarstte.

Mijn vader was dol op verkleedpartijtjes en heeft in zijn leven iets van een tien paar schoenen met naaldhakken versleten. Heks, dat deed hij ook graag, een keukenhanddoek op zijn kop en zijn kunstgebit eruit. Dat hij ieder jaar sinterklaasde, zal wel in het verlengde van zijn afwijking gelegen hebben, al is er reden om aan te nemen dat hij goed was in zijn rol. Tenminste, wie hem gevraagd had als Sinterklaas vroeg hem het jaar nadien terug.

Zo gebeurde het ook dat mijn vader de vaste Sint werd van een gesticht voor mentaal gehandicapten. Volwassen mensen, zot als een achterdeur, die tranen met tuiten schreiden wanneer mijn vader met zijn Pieten aan hen verscheen. Doodsangsten stonden ze uit wanneer ze op zijn knie mochten zitten, en dolgelukkig verlieten ze diezelfde knie als hij hen een geschenkje had gegeven. Vrouwen van veertig jaar die hem dankbaar zoenden nadat ze van hem een pop hadden gekregen. Mannen van dertig die met bonzend hart luisterden naar wat hij voorlas uit zijn grote, gouden boek. "Julien, ge zijt weer wreed braaf geweest dit jaar, maar de Sint zou toch graag zien dat gij wat minder tegenspruttelt wanneer gij uw pilletjes moet innemen." En die dan vol goede voornemens van zijn knie gleden met een puzzel en een pakje sigaretten. Hij was daar telkens kapot van, mijn vader, ik heb dat dus van hem. Al dat snot en kwijl had hem naar de strot gegrepen, en er was maar één methode geweest waarmee hij die miserie van zijn vel kon weken: drank. Na zijn sinterklaasoptreden zoop de man zich doodgewoon strontzat, er had niets anders op gezeten. Hoezeer hij dit ook deed met ziel en hart, het viel hem zwaar, zodanig dat hij na enkele jaargangen wist wat hem daar in dat gesticht te wachten stond en hij zichzelf reeds preventief gevoelloos dronk.

Goede Sinten zijn schaars, hun namen circuleren. Voor hij er zelf erg in had, stond mijn vaders agenda volgeboekt, daar moest ooit miserie van komen.

Hekelgem is een geschikte plaats om de miserie over de aarde te laten nederdalen. Het was daar dat mijn vader zich had laten strikken als kindervriend. Niet als Sinterklaas, maar als Sint-Maarten, het neefje van Klaas, bevoegd over de daken en schouwen van Aalst, Beveren, Ieper en Malmedy. Feestdag: 11 november. Reeds op voorhand stond vast dat deze avond een aparte vermelding zou krijgen in mijn vaders carrière als Sint, aangezien zijn optreden plaatsvond in een discotheek en tot in de puntjes was georchestreerd. Mantel en mijter waren van de beste kwaliteit, er was hem een ezel ter beschikking gesteld, en bij zijn aankomst zou een liveorkest een sintlied spelen en een volgspot zou hem onderdompelen in een aura van absolute heiligheid.

De organisatoren hadden vooraf de Sint en zijn Pieten uitgebreid laten tafelen in een chic restaurant, alwaar het gezelschap zo stevig in de wijn gevlogen is dat de Sint amper nog op zijn benen kon staan. Maar ze hadden die ezel waarmee men de belabberde toestand van de Sint nog enigszins kon camoufleren, en daar hebben ze hem dan ook maar op gezet. Opgewacht door vele ongeduldige kinderen kwam de Sint dan eindelijk, veel te laat, gezeten op zijn ezeltje de discotheek in. Volgspot op zijn kop. Kushandjes werpen lukte hem nog net. En toen het orkest een medley inzette, schoven Sint en ezel onderuit. Allebei plat op de dansvloer. Met mijn vader ging het nog, hij kreeg de slappe lach. Maar het was de ezel die bleef liggen en zodanig balkte dat de orkestleider zich moet hebben afgevraagd of hij zijn personeel moest opdragen om luider op die trompetten te gaan blazen. Het krijsende beest werd aan een onderzoek onderworpen, en veel anatomische kennis kwam er niet aan te pas om vast te stellen dat het twee poten had gebroken. Er werd wat heen en weer gediscuteerd, en drie minuten later ongeveer werd het dier ter plaatse afgemaakt met een pistoolschot in de kop, en nog een tweede in de nek voor alle zekerheid. Recht onder de mirrorball.

Terwijl het ezellijk bij de poten naar buiten werd gesleept mochten de opgedaagde kinderen plaats gaan nemen op de schoot van de heilige man, inmiddels uitgezakt en van het Lam Gods geslagen op zijn troon, maar zij werden door hun ouders al in hun warme jasjes gestopt. De eigenaar van de tent liep naar de deejay, zei: "Speel godverdomme iets vrolijks!", en begon alvast zelf te dansen om het goede voorbeeld te geven. Een twist, dat ging namelijk nog het makkelijkst met zijn voeten op een dweil.

Sinterklaas is gestorven in 1990, maar daar kan de commercie niet mee leven. Ze plaatsten zijn dubbelgangers in de warenhuizen, gaven hem een gedrocht van een standbeeld op de markt van Sint-Niklaas. En de stad Antwerpen loodst dat stuk surrogaat begin november reeds door haar haven in de wetenschap dat de pannenkoekenhuizen er die dag zeer wel bij varen. Een televisiestation dat zich met de hele zaak bemoeit, een stoet ballerina's en trommelaars in het kielzog van de hoge gast, een burgemeester die de afgezant van de hemel in zijn schoonste salon ontvangt, alles erop en eraan. Het zal wellicht zijn doel niet missen, er wordt in dit land jaarlijks voor 190 euro speelgoed geschonken aan een kind, en het gros daarvan ontvangt het op 6 december.

Voor 190 euro speelgoed?

De dochter wuifde even naar de Sint. Voorzichtig, met iets van angst. En ik kon alleen maar hopen dat ze dankzij deze goed georganiseerde onnozelheid gelukkig was. Ik wuifde dan ook maar eens naar de Sint, om het spelletje mee te spelen, om haar een plezier te doen. Onhandig als ik ben in mijn gebaren in het bijzijn van een kind. Ook voorzichtig, en ook met iets van angst. Ooit leek het zo gemakkelijk een betere vader te zullen worden dan mijn vader voor mij was. Maar ik kan het niet. Dag Sinterklaas. Dag Zwarte Piet.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234