Zaterdag 23/10/2021

InterviewAmir Bachrouri

‘Die toxische mannencultuur vind je niet alleen bij moslims: ook bij Joden en extreemrechts bestaat die’

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Natuurlijk weet ik dat identiteitscontroles gevoelig liggen bij jongeren met Marokkaanse wortels, maar ik móét Amir Bachrouri om een persoonsbewijs vragen: ik kan niet geloven dat hij nog maar 18 is. Zonet heeft hij me twee uur lang onderhouden over zijn kijk op de samenleving. Een eloquente woordenstroom is het geweest, een talig bombardement van scherpzinnigheden en volwassen nuance. Maar het is waar: Bachrouri, sinds dit jaar de voorzitter van de Vlaamse Jeugdraad, is nog maar 18.

In april van vorig jaar begon het allemaal voor jou: toen werd je de pennenvriend van Ben Weyts (N-VA), Vlaams minister van Onderwijs.

Amir Bachrouri: “Ik zat in het zesde middelbaar en maakte me zorgen over de eindexamens. Die zouden georganiseerd worden zoals altijd, terwijl het helemaal geen normaal schooljaar was geweest: in de maanden ervoor hadden we ons vooral met afstandsonderwijs moeten behelpen. Voor mij was dat niet zo’n probleem, ik kan goed zelfstandig studeren. Maar ik zag leeftijdsgenoten die wegkwijnden, die de leidende hand van leerkrachten misten en het moeilijk hadden om thuis in hun eentje de leerstof te verwerken. Of die een praktisch probleem hadden: geen laptop of internetverbinding. Ik vond het niet rechtvaardig om dan examens te organiseren alsof er niets aan de hand was – er moest rekening gehouden worden met de aparte situatie, vond ik. Dat beargumenteerde ik in die brief, en enkele klasgenoten vuurden me aan om die naar de krantenredacties te sturen. Het stuk werd opgepikt, bij Studio Brussel mochten we met een groepje in debat met Ben Weyts, en de bal ging aan het rollen.”

Vóór die open brief was er nauwelijks aandacht geweest voor wat scholieren en studenten te lijden hadden tijdens de pandemie.

“Tot dan gaf de politiek geen fuck om jongeren. Een klasreisje missen, even niet naar school kunnen: zo erg was dat toch allemaal niet? Maar het was de opeenstapeling van dingen die woog. Zeker voor kwetsbare jongeren was de situatie rampzalig. In Antwerpen werd 25 procent niet bereikt met de preteaching – nieuwe leerstof die online gedoceerd werd, en later in de klas herhaald zou worden. En wie moest het allemaal oplossen? De leerkrachten en de jeugdwerkers. Sommigen gingen thuis bij jongeren aanbellen om ze toch mee te krijgen. Dat heeft de politiek pas heel laat ontdekt. Benjamin Dalle (CD&V), Vlaams minister van Jeugd, heeft dat ook eerlijk toegegeven: in de eerste weken van de pandemie lag de focus integraal op het virus terugdringen. Wat ook logisch was, want haast iedereen dacht toen nog dat de maatregelen een kwestie van drie of vier weken zouden zijn. Maar toen het maanden in plaats van weken werden, hadden we ook een beleid nodig dat zich toespitste op de pijnlijke gevolgen van die maatregelen.”

Die open brief bracht ook jou – je was toen 17 – voor het eerst in beeld.

“Zonder corona en zonder dat opiniestuk was ik nu allicht niet de voorzitter van de Vlaamse Jeugdraad geweest. Ik wist niet eens dat die bestond! Maar toen ik een aantal stukken geschreven had, wezen enkele mensen me erop dat die raad misschien wel iets voor mij was. Er waren net verkiezingen voor de adviesraad, en ik besloot om me kandidaat te stellen. Zo rolde ik in de werking, en toen er later voorzittersverkiezingen waren, werd ik aangeduid. Het was allemaal niet met voorbedachten rade, nee, het was eerder een toevallige samenloop van omstandigheden.”

De Vlaamse Jeugdraad is het officiële adviesorgaan van de Vlaamse regering voor alles wat jongeren aanbelangt. Ja, ik heb research gedaan voor dit interview.

“Klopt, en dat gaat heel breed: van mentaal welzijn over politieke participatie tot klimaat, en alles daartussen wat ook maar enigszins met jongeren te maken heeft. De kabinetten zijn verplicht om via ons te passeren voor een advies: de Jeugdraad is niet zomaar een protocollair dingetje.

“We nemen ook zelf initiatief. In september willen we bijvoorbeeld met een breed gedragen advies komen over de relatie tussen jongeren en de politie.”

Maar hoe maak je zo’n advies ‘breed gedragen’? Jongeren vormen toch geen homogene, in één richting dansende massa?

“Da’s waar. Links of rechts, stedelijk of landelijk, werkend of studerend, met migratieroots of zonder: het is een brede, heel gevarieerde groep. We hebben zo’n tweehonderd vrijwilligers die ons helpen om het hele plaatje helder te krijgen. De jeugdwerkorganisaties uit de steden zijn vertegenwoordigd, maar ook de klassieke spelers als de Chiro en de scouts. We zetten ook enquêtes op en gaan zelf het terrein op, naar jeugdhuizen en scholen.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Je begon in januari aan een mandaat van drie jaar. Heb je een concreet idee van wat je wilt verwezenlijken?

“Ik vind dat een heel moeilijke vraag, omdat de actualiteit zo onvoorspelbaar is. Wie had in 2019 gedacht dat de Jeugdraad nu een standpunt zou moeten innemen over mondmaskers voor jongeren, of over virustesten bij de aanvang van een jeugdkamp?

“Mijn voorgangers hebben stuk voor stuk iets concreets gerealiseerd waar ze met trots op kunnen terugblikken. Alexandra Smarandescu zat in het Maatschappelijk Relancecomité dat het leven na corona probeert vorm te geven, en heeft daar de belangen van kinderen en jongeren kunnen verdedigen. En haar voorgangster, Nozizwe Dube, haalde het stemrecht vanaf 16 jaar binnen bij de Europese verkiezingen. Natuurlijk wil ik graag ook zo’n thema dat aan mij blijft kleven, een terrein waarop ik een verschil kan maken. Maar ik ben niet op zoek naar een persoonlijke trofee, wel naar iets wat voor veel mensen waarde heeft.

“Als voorzitter van de Jeugdraad past ook wel enige bescheidenheid: je zit niet zelf aan de knoppen. Maar je kunt wel proberen om mee te bepalen in welke richting de knoppen gedraaid worden.”

Op het feestje ben je niet de dj...

“...wel die ene iets te enthousiaste danser die met een zekere hardnekkigheid plaatjes komt aanvragen bij de dj-booth, ja. (lacht)

IEDEREEN EEN DIPLOMA

Je zat dus in je laatste jaar van het middelbaar toen corona de samenleving insneeuwde.

“Ik had erg uitgekeken naar onze Italiëreis met de klas, maar die werd twee weken vóór het vertrek afgeblazen. Ook onze honderd dagen hebben we niet op de normale manier kunnen vieren, en onze proclamatie was heel bescheiden – geen feest met toeters en bellen. Ik heb weleens gevloekt, ja: ‘Verdomme, waarom wij?’ Je verwacht van je laatste jaar als scholier dat het iets glorieus is, hè, een tijd waar je later met zoete nostalgie op terugkijkt.

“Wat me nog het meest in de weg zat, was dat de fysieke infodagen van de universiteiten waren weggevallen. Ik wilde mijn studiekeuze grondig maken en niet over één nacht ijs gaan: naar zo’n infodag gaan, er rustig rondlopen en veel vragen stellen. Dat moest nu allemaal online. Ik heb tot september gewacht om m’n keuze te maken – toen was er toch weer een fysieke infodag. Pas op de eerste dag van het academiejaar heb ik me ingeschreven: het is rechten geworden.

“Ik heb vooral machteloosheid gevoeld in 2020, en ik zocht iets wat me meer grip op de situatie zou geven.”

Dat werd uiteindelijk die open brief waar we het over hadden.

“Inderdaad, want naast de maatschappelijke discussie was er ook een concreet resultaat: in mijn school, het atheneum van Berchem, ging de directie de discussie aan. We vonden een compromis: in de tijd die restte vóór de eindexamens, zou de focus liggen op het herhalen van leerstof, niet op snelsnel nieuwe dingen in onze hoofden pompen. En we moesten alleen examen afleggen voor de hoofdvakken. Uiteindelijk is iedereen afgestudeerd. Ik ben er behoorlijk zeker van dat dat níét was gelukt als het oude examensysteem behouden was gebleven.

“Toen we na een reeks gesprekken tot die mooie, haalbare consensus kwamen, voelde ik iets van bevrijding. Voor het eerst had ik ervaren dat het kán, je voor een hoger doel inzetten en daarmee ook echt iets bereiken. Je moet weten: vroeger stond ik heel sceptisch tegenover alles wat met politiek, beleid en hiërarchie te maken heeft. Ik zat bijvoorbeeld ook niet in de leerlingenraad. Het leek me windowdressing: de suggestie van inspraak, zonder dat er ooit écht naar je geluisterd wordt. Maar na dat opiniestuk kwam de klik. Ik was plots veel minder fatalistisch.”

Waar kwam dat fatalisme vandaan?

“Rond mijn 13de vond ik samen met enkele vrienden dat ook de jonge tieners uit de buurt een lokaal in het plaatselijke jeugdhuis hoorden te hebben. Het is toen een hele strijd geweest om gehoord te worden. Ook op school werd er weleens meewarig gedaan als ik een maatschappelijk thema wilde aansnijden: ‘Goh, daar ben je toch nog wat te jong voor. Hou het maar bij wat op het bord staat.’ En in de publieke opinie voelde ik een zekere neerbuigendheid tegenover jongeren. Je werkt nog niet, je betaalt nog geen belastingen, je staat nog niet op eigen benen – en dus ken je nog niets van de wereld, mag je geen eigen mening hebben, en hoor je vooral niet te zeuren. Met als ultieme dooddoener: ‘Ze zouden de dienstplicht opnieuw moeten invoeren!’ (lacht)

“Na verloop van tijd werd het een selffulfilling prophecy: als ik iets wilde voorstellen, deed ik het toch maar niet omdat ik ervan uitging dat er niet geluisterd zou worden. Pas toen ik met de Vlaamse Jeugdraad aan tafel zat met Benjamin Dalle en ik merkte dat die ons heel serieus nam, had ik voor het eerst het gevoel dat het wél kon. Het heeft me een andere ingesteldheid opgeleverd, en ik heb de kunst van het compromis leren waarderen.”

Terwijl niemand het een 18-jarige kwalijk zou nemen als die níét opgewonden wordt van consensus.

“Ik zie de waarde in van een goed afgewogen compromis: iets bereiken is beter dan niets. Maar het betekent niet dat ik in alles wil meegaan. Als iemand zegt dat jongeren het helemaal niet moeilijk hebben tijdens de coronacrisis en er dus geen extra budgetten nodig zijn, ga ik die daar niet in tegemoetkomen: sommige dingen zijn voor mij wél zwart of wit. (denkt na) Soms heb ik het gevoel dat politici zich te veel hebben overgeleverd aan het consensusmodel. Het lijkt wel alsof vechten voor je principes verdacht is geworden: wie opkomt voor iets waar hij rotsvast in gelooft, wordt al snel verweten een roeper te zijn, iemand die weigert om samen te werken. Terwijl er toch niets mooier is dan hartstochtelijk je ideeën verdedigen?”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

TE KORT GEROKT!

Waar ligt de kiem van je engagement?

“Thuis, in Borgerhout. Daar zag ik naast het mooie ook het lelijke: armoede, jongerenwerkloosheid, overlast, drugscriminaliteit. En ik zag ook hoe móéilijk het is om je naar een volwaardig plaatsje in de maatschappij te knokken als je als kind met een lege brooddoos naar school moest, je ouders je niet konden helpen en je geen netwerk had dat je de weg toonde. Naar mijn gevoel doet het jeugdwerk op dat vlak heel goeie dingen, maar schiet het onderwijs vaak nog tekort. Het is niet de trampoline voor talent die het zou moeten zijn. Vaak zag ik bij jongeren wel een droom – in de journalistiek gaan, bijvoorbeeld – maar werd die verdronken in de omstandigheden.

“Als 16-jarige deed ik vrijwilligerswerk in het jeugdhuis. Ouders die geen of ontoereikend Nederlands spraken, hielp ik met brieven en mails. Het was iets kleinschaligs, maar het werkte, en ik voelde me nuttig: ik betekende iets voor mensen. En het lag in het verlengde van wat m’n moeder me had voorgedaan. Ze is indertijd zelf van Marokko naar België gekomen, heeft de taal geleerd en werk gevonden. Kinderen met ouders die geen Nederlands spraken, kwamen vaak bij haar voor hulp.

“Mijn moeder heeft niet voor de makkelijkste weg gekozen. Het is zwoegen en zweten geweest – taalles volgen, de weg vinden in dat nieuwe land, werk zoeken – maar het is haar gelukt, en uiteindelijk lag er op het einde van elke maand een loonbriefje. Tegenover mijn zus en mij – ze heeft ons in haar eentje opgevoed – heeft ze altijd benadrukt dat je achtergrond een bepalende factor is, maar niet de énige. ‘Jullie zullen moeten knokken, maar jullie kúnnen dat’: zo luidde haar boodschap.

“Ik voetbalde vaak met vrienden op het pleintje in de buurt, maar de regel was duidelijk: zodra het donker werd en de straatverlichting aanging, moest ik naar huis. Mijn moeder benadrukte het belang van boeken lezen, van een verzorgde taal, van engagement ook. En ik moest absoluut algemeen secundair volgen en aan de universiteit studeren. Hoge verwachtingen, zeker, maar dat voelde niet als een probleem: ik heb die dingen zelf ook altijd gewild.”

Je bent moslim. Wat betekent je geloof voor je?

“Ik bid vijf keer per dag, ik doe mee aan de ramadan, ik drink geen alcohol en ik ga naar de moskee. Maar ik vul mijn geloof niet dogmatisch in. Ik denk niet dat er een juiste manier van leven bestaat, dat je ergens onderweg op de absolute waarheid kunt stoten. Nee, het leven is zoeken en tasten, en hopen dat je een houvast vindt. Voor mij is dat houvast mijn geloof. En natuurlijk word ik ook weleens overvallen door existentiële vragen. Stel dat ik niet in een gelovig gezin was geboren, zou ik dan ook moslim zijn? Zou ik op dezelfde manier naar de samenleving en haar problemen kijken? Dat houdt me dan even wakker, maar wat altijd de overhand krijgt, is de comfortabele gedachte dat mijn religie me iets geeft – een basis, rust, het gevoel een deel van een groter geheel te zijn.

“Mijn geloof is iets individueels. Ik wil het niemand opleggen. Dat ik me vijf keer per dag naar het oosten richt, betekent niet dat ik het westen de rug toekeer. Het gebeurt dat ik met vrienden op café ga en als enige van het gezelschap geen alcohol drink – en dat is prima, in beide richtingen.”

Daarmee benoem je een ongevaarlijk verschil. Maar er zijn ook fundamentele waarden – vrouwenemancipatie en de aanvaarding van homoseksualiteit, om er twee te noemen – die moeilijk lijken te liggen binnen de islam. En voor alle duidelijkheid: dit leg ik je voor omdat je een moslim bent en er mogelijk iets zinnigs over te vertellen hebt, níét omdat ik vind dat je je ervoor moet verantwoorden.

(glimlacht) «Je hoeft niet zo voorzichtig te zijn, hoor. Ik ben het helemaal met je eens: een samenleving kan veel verschillen herbergen, maar moet wel een sokkel van gedeelde fundamentele waarden hebben. Vrouwenemancipatie en de aanvaarding van homoseksualiteit horen daarbij, net als de scheiding van Kerk en Staat. Dat zijn principes waar je niet aan mag tornen, en zo heeft mijn moeder me ook opgevoed. Ze benadrukte bijvoorbeeld vaak dat ik tegenover mijn zus of andere meisjes nóóit opmerkingen mag maken over de kleren die ze dragen. Niks ‘Te kort gerokt!’, niks ‘Je moet een hoofddoek op!’: mensen dragen wat ze willen dragen, punt.

“In het algemeen merk ik een evolutie in twee richtingen op. Langs de ene kant zie ik veel meer seculiere en liberale moslims die zich roeren, mensen die binnen hun geloofsgemeenschap een lans breken voor de gelijkwaardigheid van man en vrouw en voor homoseksualiteit. Dat heeft zeker ook te maken met de mooie evolutie die Borgerhout de afgelopen jaren heeft doorgemaakt: er zijn rijkere, witte mensen komen wonen – de bakfietsers, zoals ze weleens genoemd worden – en je ziet nu ook koppels met een verschillende culturele achtergrond. Dat heeft de microsamenleving daar verzacht. Veel mensen met een migratieachtergrond gingen denken: tiens, we worden niet meer naar een donker hoekje van de stad gedreven waar de hele kwetsbare klasse in kleine, onderkomen huisjes mag wonen. Ze willen met ons sámenleven. We staan er niet langer buiten.’

“Daarnaast is er helaas ook de tegengestelde beweging: ik zie veel moslims weer conservatiever worden, ook jonge en hoogopgeleide mensen. Het is een cocktail van verschillende problemen, waardoor jongeren zich buiten de samenleving plaatsen: onderwijs dat niet het beste in hen aanboort, de arbeidsmarkt die niet de geschikte talenten weet te vinden, een zoektocht naar een identiteit. En gecombineerd met reële discriminatie – op school, op de arbeidsmarkt, op de woonmarkt – leidt dat soms tot mensen die zich terugplooien op zichzelf, en heel conservatieve waarden aannemen.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Je kunt ook zeggen dat het een probleem van mannen is, eerder dan van godsdienst: het stugge patriarchaat als rode draad.

“Dat is een goed punt, want je vindt die toxische mannencultuur niet alleen bij moslims: ook bij Joden en wit extreemrechts bestaat die. Maar goed, daar wil ik me niet achter verschuilen: het is ook binnen de islam een probleem, en een probleem moet opgelost worden. Ik voel me bijvoorbeeld ongemakkelijk bij de invloed van Saudi-Arabië in onze moskeeën hier. Imams die geïmporteerd worden vanuit Marokko, geen Nederlands spreken en heel conservatieve vrijdagpreken houden: dat is kwalijk. Niemand kan zijn medemens verbieden om te geloven, een hoofddoek te dragen of naar een moskee te gaan. Maar omgekeerd moeten in die moskee dan wel de basisregels van de samenleving gerespecteerd worden. Daar mag dus níét verkondigd worden dat vrouwen niet dezelfde rechten hebben als mannen. Een moskee moet binnen de maatschappij staan, niet erbuiten.

“Het is ook onze verantwoordelijkheid als samenleving om de juiste imams op de juiste plaatsen te krijgen – denk aan iemand als Khalid Benhaddou – maar ook om ervoor te zorgen dat iedereen de kans heeft om Nederlands te leren, volwaardig onderwijs te krijgen en een deftige job te vinden.”

Daarmee komen we bij datgene waar haast elk debat over de diverse samenleving op sterft. Links zegt: er worden te weinig kansen geboden, het is de samenleving die faalt. Rechts antwoordt: mensen weigeren om kansen te grijpen, het is het individu dat faalt.

“En het zijn de twee, natuurlijk. Ik ben voor intolerantie: intolerantie tegenover homofobie en misogynie, tegenover de weigering om je in een samenleving te integreren, én tegenover racisme en de discriminerende mechanismen die daaruit volgen.

“Racisme moet bestreden worden – ik vind het walgelijk. Tegelijk mogen jongeren met een migratieachtergrond zich niet in een slachtoffercultuur settelen. Niet álles is racisme. Onlangs maakte een witte vrouw in de tram een opmerking over een gekleurde jongen die zijn mondmasker niet droeg. Daar kwam een scène van: die vrouw was een raciste! Terwijl het helemaal niet over racisme ging: in de tram geen mondmasker dragen is onbeleefd en asociaal, en als die vrouw die jongen er niet op had gewezen, had ik het hem wel gezegd.”

WANDELEN MET JAMBON

Ik heb vaak het gevoel dat mensen zich met argumenten sluieren als het over de gekleurde samenleving gaat: ze gebruiken terechte bezorgdheden – zoals die over de emancipatie van de vrouw, bijvoorbeeld – om hun ingebakken racisme te rationaliseren.

(knikt) De altijd terugkerende discussie over een hoofddoekenverbod is een goed voorbeeld. Het belangrijkste argument is vaak de vrouwenemancipatie. Maar als het je écht om de positie van de vrouw te doen is, dan los je toch niets op als je dat symbool op straat of op het werk verbiedt? In wezen zeg je dan: ‘Doe het maar thuis. Als we het niet zien, is het ook niet erg.’

“Het is een complexe discussie, maar ik vind dat één argument moet primeren boven alle andere: in een liberale samenleving kun je vrouwen niet verbieden om een bepaald kledingstuk te dragen. Ik ken behoorlijk wat sterke vrouwen die uit vrije wil een hoofddoek dragen, en heel geëngageerd in de samenleving staan. Maar dat betekent niet dat ik wegkijk van de sociale druk om een hoofddoek te dragen. Die bestaat. Ik ken het verhaal van een meisje dat door haar moeder verplicht werd om een hoofddoek te dragen. Om de hoek gooide ze die af, deed ze haar make-up op en sprak ze af met haar vriendje. En ’s avonds kwam ze netjes met een hoofddoek thuis. Toen de moeder daarachter kwam, leidde dat tot hoogoplopende ruzies. Maar uiteindelijk zijn ze er wel samen uit geraakt. Zo zijn er meer verhalen: meisjes die op straat worden aangesproken door jongens die zeggen dat ze er te sletterig bij lopen, dat ze een hoofddoek moeten dragen… Daar moet je duidelijk tegen optreden, en dat begint in het onderwijs. En voor al die thema’s geldt: maak duidelijk dat de sociale regels niet vanuit een witte superioriteit komen, maar vanuit de oprechte bekommernis om een leefbare en voor iedereen veilige samenleving te garanderen.

“De scheiding van Kerk en Staat? Leg uit hoe die er historisch gezien gekomen is, hoe ze kaderde in een klassenstrijd met de katholieke kerk als onderdrukker van de arbeiders. Dat heb ik dit jaar pas geleerd in de colleges van Herman Van Goethem (hoogleraar en rector van de Universiteit Antwerpen, red.), terwijl iedereen dat al op de middelbare school mee zou moeten krijgen. Zwarte Piet? Leg uit dat het kwetsend is, dat het herinnert aan een verleden van kolonialisme en slavernij, dat het niet meer van deze tijd is om de zwarte consequent als de knecht van de witte man af te beelden. Maar doe het grondig en empathisch. Kijk niet neer op mensen, en zet ze niet automatisch weg als platvloerse racisten.”

null Beeld Geert Van de Velde
Beeld Geert Van de Velde

Politici en journalisten kijken vaak door een witte hogeremiddenklassebril. Het zou al helpen, geloof ik, om te beseffen dat niet iedereen in een vrijstaand huis met tuin leeft, en dat er ook in België best veel mensen leven die de stand van hun zichtrekening tot twee cijfers na de komma kennen.

“Herinner je je die fameuze versoepeling van de coronamaatregelen nog, toen tuinfeesten tot veertig man werden toegelaten – ‘maar alleen als je een cateraar inhuurt’? Toen dacht ik: oei, dat is behoorlijk wereldvreemd. Want zóveel mensen hebben geen tuin, en al helemaal niet het geld om een cateraar te betalen. Hetzelfde met de discussie aan het begin van de zomer over de preventieve coronatesten bij jongeren die op kamp vertrekken. Dat klinkt heel billijk en logisch, maar zo’n test kost 60 euro. Voor veel gezinnen is dat een groot bedrag. Als de federale overheid dan niet bijspringt, kunnen de rijke kinderen wel en de arme kinderen niet op kamp.

“Je kunt een minister niet verwijten dat hij iets ís – dat hij tot een bepaalde klasse behoort, dat hij veel materieel comfort heeft. Je kunt zo’n minister wel verwijten dat hij niet alles zíét. Of je nu verantwoordelijk bent voor onderwijs, of voor jeugd, of voor welk departement dan ook: je vertegenwoordigt iedereen, en dus moet je de héle samenleving in ogenschouw nemen. Ik vind het belangrijk om politici vriendelijk op de realiteit te wijzen. Je zult mij nooit tegen Jan Jambon (N-VA) horen zeggen: ‘Ach, jij bent een wereldvreemde man uit Brasschaat.’ Neen, ik zal zeggen: ‘Kom eens met mij in Borgerhout wandelen, dan kunnen we praten, kijken en luisteren.’”

Ik vind het knap dat je zo oprecht in een betere wereld gelooft.

“Er zijn veel meer mensen van goeie dan van slechte wil. Dat geloof ik echt.”

Ben je niet bang voor de volgende verkiezingen? Vlaams Belang lijkt populairder dan ooit, en die partij schijnt niet de allergrootste supporter van de gekleurde samenleving te zijn.

“Er is gelukkig nog veel tijd. Maar inderdaad: als het zo verder gaat… De boosheid van veel mensen wordt onderschat. Bij jongeren zie je het Schild & Vrienden-discours bijvoorbeeld aan populariteit winnen.”

Wat doe je daarmee?

“Ik vind dat je moet luisteren naar wat er opborrelt, dat je de frustratie ernstig moet nemen. Maar je moet natuurlijk grenzen stellen. Naar ‘Alle Marokkanen terug naar hun eigen land’ wil ik niet luisteren, dat is geen valabele mening. Naar ‘Ik begrijp de samenleving niet goed meer, en ben bang voor m’n persoonlijke toekomst’ wil ik wel luisteren: dat is een logische hartenkreet.

“Ik durf geen grote voorspellingen te doen, maar ik huiver bij de gedachte aan een scenario waarin we afglijden naar Amerikaanse toestanden, waarbij twee kampen tegenover elkaar komen te staan en alleen nog hun eigen waarheid willen horen. De zaak rond Jürgen Conings en de manier waarop hij massaal op het schild werd gehesen, heeft me toch zenuwachtig gemaakt. Ik weet dat het niet erg hip klinkt voor een 18-jarige, maar mijn grootste bezorgdheid is: dat het fatsoen mag blijven. Dat we de andere niet als de vijand gaan zien. (ferm) Ik kan het me ook echt niet voorstellen, dat mensen uit mijn stad mij als de vijand zouden zien, gewoon omdat ik Marokkaanse wortels heb. Ik voel me verdorie meer verwant met een witte man uit Antwerpen dan met een Marokkaan uit Kortrijk. En ik weet meer over mijn stad dan de gemiddelde Vlaams Belanger uit Ninove.”

Jij wordt een politicus, hè?

(stellig) Neen.”

Neen?

“Ik ben bang voor de strijd die je met jezelf moet aangaan als politicus in een particratie: je moet meebuigen, je principes afvlakken, het spel meespelen. Als iemand me op straat vraagt waar ik voor sta, wil ik dat graag helder en eerlijk kunnen zeggen. Ik weet niet of dat als politicus in het huidige systeem wel kan. Je wordt de partij, en ik wil niet de partij zijn. En als je toch je eigen koers volhoudt, word je een buitenbeentje – dat is charmant, maar het brengt je doorgaans niet op de plekken waar de dingen beslist worden.

“Nu goed: ik ben nog jong, hè. Goed mogelijk dat ik daar over tien of twintig jaar helemaal anders over denk.”

Maar een baan is belangrijk, dus laten we in de tussentijd naar iets anders zoeken. Wat dacht je van: de eerste hoofdredacteur van Het Laatste Nieuws met een migratieachtergrond? Je bent ontzettend talig.

“Hm, neen, ook niet. Ik heb een aantal stukken voor het jongerennieuwsagentschap StampMedia geschreven. Dat was boeiend, maar toch niet echt iets voor mij. Nee, ik weet het nog niet. Ik heb net m’n eerste jaar rechten achter de rug, maar ik wil geen advocaat of rechter worden. Iets bij de VN misschien, of bij de NAVO? Ik wil alleszins midden in de samenleving staan, en maatschappelijke impact hebben. Want voor elk steentje dat je kunt verleggen, moet je de moeite doen.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234