Donderdag 01/10/2020

Die ochtend in de Vrijheidstraat

De stambewaarder

Op 28 maart wordt Walter van den Broeck vijfenzestig jaar. Ter gelegenheid van de verjaardag wordt zijn magnum opus Het beleg van Laken opnieuw uitgebracht in een felle tricolore cover. Een verjaardagsportret aan de hand van enkele flarden uit een schrijversleven. Door Johan Vandenbroucke

Walter van den Broeck

Het beleg van Laken

De Bezige Bij, Amsterdam, 996 p., 25 euro.

'Er overvalt mij plotseling een uitzonderlijk maar heel oud gevoel: Ik maak hier deel van uit! Ik ben Thuis!", zo staat er op de voorlaatste bladzijde van Het beleg van Laken.

En enige regels verder: "Thuis is een staat van vanzelfsprekendheid, denk ik. Met mijn schrijverij jaag ik haar vooralsnog na, en soms, zoals daarnet, heb ik haar onverwacht heel even te pakken. Zoals een jonge moeder, die op een bank in het park haar baby voedt, en plotseling gevoelt dat alles perfect is zoals het is - zij en haar kind, de bank, het park, de wereld, de hele kosmos - en daar vanbinnen warm van wordt."

Met thuis bedoelt de schrijver - het adres komt ook letterlijk voor in zijn werk - de Vrijheidstraat in Turnhout. En vroeger, in zijn kinderjaren, was 'thuis' de Koperstraat nummer 45 in de cité van Olen - dat weet elke lezer van Brief aan Boudewijn (1980).

Het werk van Van den Broeck is ooit autofictioneel proza genoemd: hij vermeldt talloze autobiografische weetjes en voert zichzelf en zijn familieleden vaak op als personages. Toch zijn zijn boeken geen pure memoires, hij schrijft niet om zijn leven te vertellen, wel put hij uit dat leven literatuur.

"Zijt gij Walter van den Broeck niet?", zo vraagt een personage aan Walter in het begin van Het beleg van Laken. De man had hem nog gezien als kleine jongen in de cité, lopend aan de hand van zijn moeder, toen een "pront wijf" in de fleur van haar leven. Die oude bekende vertelt hem vervolgens: "Later zijn wij al uw boeken gaan kopen, en 'k moet zeggen: 'Chapeau!' 'k Had nooit gedacht dat iemand van de cité dat allemaal kon. Gij zijt per slot van rekening toch ook maar uit een werkmansbroek geschud, hé!"

Verwijzingen naar de eigen schrijverij komen vaker voor in zijn oeuvre. In Brief aan Boudewijn vraagt het hoofdpersonage Walter bijvoorbeeld: "Wie? Zeg eens wie anders dan hij zal later verslag uitbrengen van deze onhullende reis? Wie anders dan hij zal deze cité voor de complete ondergang behoeden, door ze tijdig op schrift te stellen?"

Maar daarom is lang niet alles puur autobiografisch. Vooraan in de satire In beslag genomen (1972) stond: "Situaties en personen in dit boek beschreven, bestaan voorlopig nog uitsluitend in mijn verbeelding, inclusief de Walter van den Broeck die zich door de hoofdstukken heen beweegt. (De echte zou er niet aan denken met een rode sjaal rond te lopen.)" In latere romans luidt het: "Doordat ze in dit boek voorkomen zijn alle échte personen, plaatsen en gebeurtenissen net zo fictief als de personen, plaatsen en gebeurtenissen die ik verzonnen heb."

Het begon allemaal met stripverhalen. "Dat moet Suske en Wiske geweest zijn", antwoordt Van den Broeck, gevraagd naar welk boek hem tot de literatuur bekeerde. (Volk van Gerard Walschap bekeerde hem later tot het schrijven.) "Als er twee mensen zijn die me in mijn jeugd beïnvloed hebben", vertelt hij in een ander interview, "zijn het ongetwijfeld Willy Vandersteen en Marc Sleen." (Naast Dante, Shakespeare en nog veel anderen worden ze ook genoemd in Het beleg van Laken.)

Van den Broeck is heel zijn leven een verwoede lezer gebleven: gemiddeld honderd à honderdvijftig boeken per jaar, alle genres door elkaar. Ook is hij een cijferaar. Aan Humo vertelde hij dat hij, kranten en weekbladen niet meegerekend, "ongeveer twintigduizend bladzijden per jaar" las. En in Knack schreef hij ooit dat hij mistroostig kon worden van de nog te lezen boeken: "Nochtans, ik probeer twee stuks per week aan te houden. Dat lijkt mij, gezien al mijn andere besognes, lang geen kwaad gemiddelde. Helaas, bij dat tempo zal ik in zestig jaar slechts 6.240 boeken hebben gelezen. Bedroevend weinig vind ik dat."

De nog ongelezen boeken staan in een grote kast, vertelde hij aan De Standaard Magazine: "Ik heb uitgerekend dat ik met mijn leestempo nog acht jaar toekom zonder het huis uit te moeten. Ja, dat is een zeer behaaglijk gevoel, dat geef ik toe. Ik mag er niet aan denken dat ik langer dan vijftien seconden niets te lezen zou hebben. Als kind las ik bij gebrek aan beter de etiketten van azijnflessen of melkdoosjes."

Andere jeugdherinneringen zijn minder idyllisch. "Als kind had ik het meeste angst voor de homerische ruzies tussen mijn ouders", vertelt hij in een Humo-serie over kinderangsten: "Ik zat te wachten, doodsbenauwd, tot de laatste harde woorden waren gevallen - vaak duurde zo'n ruzie een uur of langer - waarna mijn ouders uitgeput de strijd staakten, en dan volgde er een lang, verstikkend zwijgen. En dan zei mijn vader opeens: 'Is er nog koffie?', alsof er niks was gebeurd. Op dat moment liep er binnenin in mij een ballon leeg. De angst was weg. Ik kon hen alleen laten."

Hoe vaak in zijn werk maakt Van den Broeck niet gewag van ouderlijke ruzies, meestal over geld, dat er niet was, of dat zijn vader in de kroeg had uitgegeven? In Brief aan Boudewijn wordt dezelfde scène ietwat omfloerster aan de koning verhaald, inclusief de uiteindelijke vraag om koffie van de vader. Maar, zo merkt de schrijver op in een interview, "misschien heb ik uit de ruzies van mijn ouders wel de techniek van de theaterdialoog geleerd".

Al in zijn debuut De troonopvolger (1967) ging het over de vaderfiguur. In deze debuutroman - opgedragen aan zijn vader (en zijn zoon) en oorspronkelijk in eigen beheer gepubliceerd - vermoordt de hoofdpersoon letterlijk zijn vader. In een vroeg toneelstuk, Greenwich (1974), draagt een personage een onzichtbare last en kreunt hij: "Vader! Ga van mijn rug af!"

Het derde deel van de koningscyclus, Het gevallen baken (1991), beschreef omstandig de turbulente relatie tussen zijn ouders. En ook in de laatste romans nadien komt de vader almaar terug. Een lichtgevoelige jongen (2001) bevat enkele harde passages en de recentste roman De beiaard en de dove man (2004) is een lange tirade van de bijna veertigjarige hoofdfiguur - de handeling is gesitueerd in december 1980 - "die dove, betweterige, zelfingenomen, egoïstische, tirannieke vader van me!" Die roman kan overigens, aldus de schrijver, geschoven worden tussen twee regels van de koningscyclus, vlak voor de zin: "Op kerstdag kwam er een kentering in hun verhouding", wat meteen ook de samenhang binnen het oeuvre illustreert.

Naast de kolerieke vader is ook de oudere, naar Amerika (en Mexico) geëmigreerde broer een terugkerend personage. Grote broer Jules, in De dag dat Lester Saigon kwam (1974) - waarin ook brieven van Jules werden opgenomen - kwam hij voor als een soort reddende engel die de depressie kwam verdrijven.

Zowat vijftien jaar later, eind jaren tachtig, publiceerde Van den Broeck een wekelijkse column in deze krant onder de titel '!Querido hermano! Brieven aan Jules in Mexico'. Later verklaarde hij: "Onder het mom van dat geschrijf naar Jules kon ik via sluikse wegen weer schrijven over dat verleden, de jeugdherinneringen, de nostalgie, de politiek."

Toen het gelijknamige boek verscheen, deed uitgeverij Houtekiet samen met de krant een actie om Jules - van wie lezers zich afvroegen of hij wel bestond - naar België te halen. Die maandag verscheen er geen 'Querido'-column wegens bezoek van Hermano.

Ook zijn gezin kreeg een plaats in Het beleg van Laken: "Eén vrouw, die voor zeven telt: Eliane, en drie mannen: de oudste zoon, de jongste en ikzelf."

Cherchez la femme. Toen de schrijver in 1988 door zijn jongste zoon Karl geïnterviewd werd voor Humo bekende hij: "Maar ik geef ook toe dat je een beetje geluk moet hebben. Niet iedereen vindt op zijn weg een Eliane de Winter, nietwaar?!"

Toen Eliane later ook door Humo werd geïnterviewd, verklapte ze hoe ze als zestienjarige meisje haar toekomstige had leren kennen: "We liepen allebei school op het atheneum van Lier en op een dag kom ik daar de trap afgestormd en loop Walter van de sokken. Terwijl hij daar nog ligt, zegt hij tegen zijn vriend: 'Heb je dat meisje gezien? Wel, daar ga ik later mee trouwen.' Raar, hé. Hij liet me daarna via tussenpersonen briefjes bezorgen waarin hij om een afspraakje smeekte." (Walter vertelt in een recenter Humo-interview dezelfde anekdote, waarbij hij zijn voorspelling later situeert, maar het verhaal van Eliane is sterker.)

Koninklijke schrijver & volksverteller

Na het succes van Brief aan Boudewijn - met dank aan Kurt van Eeghem, die in een televisie-uitzending meesterlijk de koning imiteerde - en zeker na het eerste deel van Het beleg van Laken (1985) werd Van den Broeck niet alleen als de meest royalistische auteur van Vlaanderen beschouwd, maar ook als een expert van het koningshuis. Ten onrechte, aldus de schrijver, die naar eigen zeggen alle informatie over de koning haalde uit Story en aanverwante familiebladen: "dingen die iederéén weet dus".

Hoe hij zijn boek naar het hof verstuurde en of hij ooit een antwoord heeft gekregen, heeft hij beschreven in Het beleg van Laken en intussen al meermaals herhaald in allerlei vraaggesprekken.

Voor de auteur was Brief aan Boudewijn vooral "een eresaluut aan al die eenvoudige citébewoners van weleer, die mij het belangrijkste hebben geleerd wat een mens kan leren: liefde, solidariteit, samenhorigheid". Vervolgens werkte hij meer dan tien jaar aan de vierdelige koningscyclus Het beleg van Laken. Toen hij eraan begon, had hij de hele structuur uitgetekend: "Dat was niet simpel: ik moest er bijvoorbeeld rekening mee houden dat koning Boudewijn kon aftreden." Achteraf merkte hij dat hij zijn blauwdruk getrouw had gevolgd, "in die zin dat ik er niets uit weggelaten heb. Maar schrijvenderwijs zijn er wel allerlei gebeurtenissen uit de actualiteit ingeslopen".

"En dan krijg ik bij wijze van godsgeschenk de hele abortuskwestie in de schoot geworpen. Een mooiere gelegenheid om de troonswisseling in mijn verhaal te bewerkstelligen had ik me niet kunnen voorstellen. Mulisch zou zeggen: dat is geen toeval, dat is gewoon talent, en daar ben ik het volkomen mee eens (lacht)."

In Een lichtgevoelige jongen (2001) keert Van den Broeck terug naar Olen. Het is het verhaal van een jeugdherinnering en van een inwijding. De hoofdpersoon Stijn woont in de Koperstraat, hij is genoemd naar een van Van den Broecks voorgangers in de Vlaamse verteltraditie. Het boek is ook aan hen opgedragen: Cyriel (Buysse), Stijn (Streuvels), Nest (Claes), Felix (Timmermans), Gerard (Walschap), Lowie (Boon), Piet (Van Aken), Hugo (Claus) "en al de anderen". Aan het slot van de roman denkt de dertienjarige hoofdpersoon: "Iemand moest toch op wacht staan en voor al die nietsvermoedende mensen de wereld bij elkaar blijven liegen, zodat ze ongestoord konden slapen en morgen weer opgewekt aan de slag konden."

Verdwaalde post (1998), de eerste roman na de koningscyclus, werd ten onrechte soms als een boek over Dutroux besproken, terwijl dat slechts een subthema is. Veeleer gaat het boek over een tijd waarin misleidende reclametechnieken overheersen. In interviews na de roman uit hij zijn pessimisme over het economische model dat iedereen "in de tang houdt" en over de willekeur van de markt: "Het is één grote samenzwering die moet verhinderen dat mensen gaan nadenken over wat er echt aan de hand is en vervolgens gaan revolteren. Want als dat zou gebeuren, kunnen diegenen die winst aan het maken zijn, niet ongestoord winst blijven maken waar ze dat willen, wanneer ze dat willen en hoe ze dat willen."

Zelf wil hij het goede van weleer behouden in combinatie met het goede van vandaag: "Als ik mijn lezers tot die afweging kan gaan bewegen, gaan ze misschien inzien dat het zogenaamde succesverhaal van de huidige economie compleet vals is."

Waarom te schrijven? De vraag komt vaak expliciet aan bod. Om een antwoord te formuleren op "het gevoel van ontheemd zijn", zoals hij in Aantekeningen van een stambewaarder stelt, of om sporen na te laten, zoals een van de antwoorden luidt in Het beleg van Laken. Schrijven als sociale actie, is ook een antwoord, want: "Schrijven alleen volstond dus niet. Er moest zó worden geschreven, dat je de wereld een ietsje beter achterliet dan dat je hem had aangetroffen. Dat was het strikte minimum."

Het slot van Het beleg van Laken kan ook als zijn credo worden gelezen: zijn geloof in de kracht van het woord en de macht van de verbeelding als verweer tegen een chaotische en bedreigende wereld.

"Zo zie ik mijn straat het liefst, als ze volop ligt te straten", staat er ook op het einde van Het beleg van Laken, als Walter eindelijk weer thuis komt. In een Humo-column beschrijft hij de ontroering die de straat in haar banale glorie kan veroorzaken: "Het is tien uur in de ochtend. Buiten is er niets te zien. Alleen twee huizenrijen en hier en daar een auto voor de deur. Elke dag om tien uur deed ik het raam open en keek naar dat bijna volstrekte niets tot ik erin oploste."

Die ochtend in de Vrijheidstraat, over die vreemde ontroering spreekt hij ook in een recent interview met De Morgen: "Als ik naar de straat kijk vanop een hoge toren, zoals God die uit zijn venster hangt, krijg ik echt de tranen in de ogen. Zie ons bezig, we doen allemaal zo goed ons best, we zijn allemaal tegelijkertijd op weg naar ergens, en we eindigen allemaal in een put. En we zijn de enige diersoort die dat ook weet. Dat vervult mij met mededogen."

De jarige

"Voor mijn verjaardag heb ik niets moeten doen, alleen maar lang genoeg ademen", zei hij vijf jaar geleden in een verjaardagsinterview: "We houden blijkbaar van ronde getallen. Dat doet me altijd aan Gerard Walschap denken die op zijn tachtigste zei: laten we mijn vijfentachtigste maar overslaan, want het gaat te vlug."

Naar aanleiding van zijn zestigste verjaardag publiceert hij in Knack een ontroerend stuk: "Zestig? Hoezo? Oké, ik ben grijs, word kaal en ben twintig kilo zwaarder dan toen ik mijn legerdienst deed. Oké, ik word wat hardhorig, heb al enige jaren twee brillen en een kunstgebit." Eerlijk analyserend verhaalt hij hoe hij omging met ouder worden - "Omstreeks mijn dertigste had ik behoorlijk last van mijn zenuwen. Ik voelde me toen vaak tachtig!" - en hoe hij er intussen over dacht. "Als ik in de spiegel kijk, vind ik dat ik er als achttienjarige al bij al uitstekend in geslaagd ben mij als een geloofwaardige zestiger te vermommen." En ook: "Als ik gezond mag blijven, wil ik best heel oud worden. Samen met mijn vrouw liefst. Want wij zijn zo onderhand een soort Siamese tweeling geworden."

Of hij bang is voor de dood? "Ik kijk er niet bepaald naar uit, maar ik denk er wel veel minder aan dan op mijn dertigste en mijn vijfenveertigste." De schrijverij, zo vervolgt hij, is misschien ook een soort bezweringsritueel: "Dat je tegen de dood zegt: 'Nee Piet, ik heb nu nog geen tijd om dood te gaan. Eerst nog even dit trilogietje afwerken.'"

En nu? In een recent interview vertelt hij nog: "Boven op mijn schrijftafel heb ik een drietal schriftjes liggen. Daar staat in wat er allemaal nog in moet, ooit. Soms ligt het twintig jaar te liggen, en plots tikt dat dan tegen het raam: 'Walter, ik wil geschreven worden.'"

Johan Vandenbroucke

Na Het beleg van Laken werd Van den Broeck als een expert van het koningshuis beschouwd. Ten onrechte, aldus de schrijver, die naar eigen zeggen alle informatie over de koning haalde uit Story en aanverwante familiebladen: 'dingen die iederéén weet dus'Hoe vaak in zijn werk maakt Van den Broeck niet gewag van ouderlijke ruzies, meestal over geld, dat er niet was, of dat zijn vader in de kroeg had uitgegeven? Maar, zo merkt de schrijver op in een interview, 'misschien heb ik uit de ruzies van mijn ouders wel de techniek van de theaterdialoog geleerd'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234