Zondag 15/12/2019

Interview Lieve Joris

‘Die kleine oorlogen van de familie Joris, dat zijn scènes die zich in heel veel families afspelen’

Lieve Joris: ‘Het verhaal van mijn broer Fonny lag altijd al ergens te sluimeren.’ Beeld Hilde Harshagen

In het voor de BookSpot Literatuurprijs genomineerde Terug naar Neerpelt vertelt Lieve Joris (66) openhartig over de kleine oorlogen in het woelige gezin van negen waarin ze opgroeide. En over de tragiek van haar drugsverslaafde broer Fonny: ‘We hebben allemaal op onze manier ons hoofd afgewend van hem.’

“Zorg je wél dat de deur goed in het slot valt.” Het zijn de eerste woorden van Lieve Joris (66). Vermanend spreekt ze me toe vanaf de ellenlange, steile trap van haar Amsterdamse kadewoning. “Hang je jas daar aan de kapstok, in het gangetje”, draagt ze me vervolgens op. Ik onderga gedwee haar Nederlandse directheid, ongetwijfeld het resultaat van meer dan veertig jaar wonen boven de Moerdijk.

Maar zodra we in haar met Afrikaanse kunst omzoomde huiskamer zitten, toont Joris zich de charme zelve en laat ze haar gedecideerdheid voorzichtig varen. Er staan versnaperingen, nootjes, dadels, koekjes. En speciaal aangeschaft appelsap. “Wil je ook een broodje? Want je zult wel uitgehongerd zijn.” Ze moet zelf lachen met haar neiging tot doordrammen of panikeren. Of zoals het ergens in Terug naar Neerpelt staat: ‘Ik vlieg op mijn bezem door het huis.’ Joris: “Zo zijn de Jorissen. Een klein incident kan enorme proporties krijgen. Tijdens het schrijven van dit boek ontdekte ik op een dag dat er schimmel stond in onze kelderkruipruimte. Als een razende liep ik naar boven. Het was alsof er aan mijn wortels werd gevreten. Mijn vriend Marek reageerde droog: ‘Kan dat niet wachten tot morgen?’”

Je ziet het zo voor je. Met haar melodieuze, wendbare stem weet Joris ook mondeling taferelen tot leven te wekken.

* geboren in Neerpelt op 14 juni 1953, als vijfde in een gezin van negen

* studeerde journalistiek in Utrecht en woont sinds midden jaren 1970 in Amsterdam

* schreef tien jaar voor o.a. de Haagse Post en NRC

* debuteerde in 1986 als schrijfster met De Golf

* haar werk is journalistiek en literair, waarvoor ze de wereld rondreist

* auteur van o.a. Terug naar Kongo, De poorten van Damascus, Mali Blues, Het uur van de rebellen en Op de vleugels van de draak

* publiceerde vorig jaar Terug naar Neerpelt, over haar familie en het drama dat zich daarin afspeelde

* sinds 1978 samen met de Poolse fotograaf Marek Stawski

Joris is in haar nopjes. Als enige Vlaamse is de non-fictiecoryfee genomineerd voor de BookSpot Literatuurprijs, de vroegere AKO- en ECI Literatuurprijs, en maakt ze kans op de 50.000 euro in de categorie non-fictie. Terug naar Neerpelt, haar vorig jaar verschenen queeste naar het nest waar ze uitfladderde, met het tragische relaas van haar drugsverslaafde broer Fonny, blijft lezersharten veroveren. Ook in Frankrijk waar de vertaling uiterst lovend werd onthaald. Dat is tegenwoordig niet elk boek zomaar gegund, beseft Joris. “Zo’n nominatie is als een lampje dat iemand weer op je boek richt, net op het moment dat het dreigt te verdwijnen. Ik merk het tijdens lezingen: Terug naar Neerpelt heeft nog een publiek te winnen. Al ben ik niet zo’n fan van dat prijzencircus. Literaire prijzen doen je je onschuld verliezen.”

Toch is zelfs de hele familie blij met de hernieuwde aandacht. “Bij alle Jorissen heerst het gevoel: dit is toch ook ons boek, we mogen er trots op zijn. Mijn uitgever heeft nu zo’n kartonnen Fonny laten maken voor de boekhandel. Het doet me wat als ik erop stuit. Het zou Fonny plezier doen, dat hij toch de weg heeft gevonden naar het grote publiek.”

Terug naar Neerpelt is voor Joris, onvermoeibaar continentenreiziger en wegbereider van literaire non-fictie, een atypisch boek. En ook weer niet. “Je kon toch wel bedenken dat ik – die onderweg altijd naar het intieme leven van mensen keek – ook eens de blik op mijn eigen familie wilde richten?”, zegt ze. Het relaas van Fonny, ooit artistiek begaafd maar al snel in de greep van alcohol en drugs, raakt je hard. Maar is ook soms tongue in cheek opgeschreven, met veel schakering én gevoel voor delicate familieverhoudingen. Joris, die in 1986 debuteerde met het Midden-Oostenboek De Golf, tekent er ook haar eigen parcours van braaf kostschoolmeisje naar journaliste en schrijfster uit. En bovenal haar drang om uit te breken, de wijde wereld in.

‘De Joriskes zijn wel wat gewend. Wat wil je, met een nest van negen kinderen, een jongen die zijn weg niet vindt in de wereld en Hildeke, een meisje met Down?’ Beeld Hilde Harshagen

Wie Terug naar Neerpelt ter hand neemt, krijgt soms de indruk dat hij vier boeken tegelijk aan het lezen is. Het is nog vrij compact voor alle geschiedenissen die in dit boek schuilen. Het verhaal van uw familie, uw eigen ontworsteling, het tragische lot van uw broer Fonny, de opdringerige jaren 1960…

Lieve Joris: “Stoort dat het leesproces? Nee, toch? Eén ding was zeker: ik wilde me niet zomaar autobiografisch laten leeglopen tot een onpubliceerbare turf van 800 pagina’s. Dat dreigt wel eens te gebeuren als non-fictieschrijvers proberen hun familie in kaart te brengen. Het is misschien dense geschreven, maar ik heb het toch vooral opgezet als een levendig theaterstuk. Hup, vanaf de eerste scène iedereen het podium op. En als je je afvraagt wie die personages allemaal zijn, maak je geen zorgen, daar kom je als lezer later wel achter. Ik wilde uittesten of ik, wat ik door de jaren leerde over schrijven, kon toepassen op mijn familie. Want familiegeschiedenissen grijpen ons uiteindelijk toch allemaal bij de kraag?”

Toch is Terug naar Neerpelt allerminst een zwaartillend boek geworden.

“Die laconieke humor moest erin zitten. Dat is wat wij Belgen gemeen hebben; dat licht burleske verbindt Vlamingen en Franstaligen. Het alziende oog dat meekijkt naar een situatie... Mijn Franse uitgever zei: ‘Je bent erin geslaagd een autobiografisch boek te schrijven dat toch weer wemelt van de stemmen van anderen, deze keer die van je familieleden.’ Ik heb veel herinneringen uit de periode 1992-1998, waarin het boek zich afspeelt, grondig getoetst. Ik heb fotodozen geplunderd, brieven van mijn moeder gelezen, research gedaan, mijn broers en zussen gesproken… Mijn eigen redacteur Tilly Hermans zei, toen ze een derde van het manuscript had gelezen: ‘Dit boek gaat over het menselijk tekort.’ Dat vond ik wel een mooie manier om het uit te drukken.”

Het boek laat zich ook lezen als oral history met veel dialogen. Daar zie je volop de romancier in Lieve Joris aan het werk?

“Natuurlijk is Terug naar Neerpelt ook een literaire constructie. Julian Barnes leerde me in The Sense of an Ending dat herinneringen veranderen door wat je later in je leven meemaakt. Herinneringen zijn erg verraderlijk. Tijdens het schrijven werd ik soms ook op sleeptouw genomen. Zat ik twintig pagina’s verder voor ik het in de gaten had. Precies omdat ik alles leek te herbeleven. Na een tijd werd ik echt voortgestuwd.”

‘Zo’n nominatie is als een lampje dat iemand weer op je boek richt, al ben ik niet zo’n fan van dat prijzencircus. Literaire prijzen doen je je onschuld verliezen.’ Beeld Hilde Harshagen

‘Intieme drama’s hebben me vaak geholpen drama’s op het wereldtoneel te begrijpen, net zoals grote drama’s me een beter inzicht gaven in de kleine’, schreef u eind 2018 in een kerstessay in De Standaard. Wilde u dit verhaal een zo universeel mogelijke lading geven?

“Men schijnt wel eens te vergeten dat ik altijd over de levens van mensen heb geschreven, ook in eerdere boeken als Mali blues of De poorten van Damascus. In wezen heeft het verhaal van Fonny altijd ergens liggen sluimeren. Je reist eromheen. En soms denk je dat je eromheen zult blijven reizen. Het is als een vlammetje waaruit al je werk ontstaat. Een vlammetje dat je bang bent om te doven.”

U torste dit verhaal onderweg voortdurend mee?

“De wereld waar ik vandaan kwam, bleef altijd levendig, ook als ik alleen reisde. Als er in mijn afwezigheid iets dramatisch gebeurde – de dood van mijn grootmoeder, de dood van Fonny – was het alsof ik er toch bij was, ze zaten in mijn hoofd. Die kleine oorlogen van de familie Joris, dat zijn scènes die zich in heel veel families afspelen. Tijdens mijn reizen zag ik hoe conflicten, ruzies tussen herders en landbouwers bijvoorbeeld, tot echte burgeroorlogen leidden. Toen dacht ik wel eens: stel dat wij wapens zouden hebben? Dan zouden we elkaar misschien ook door de kop schieten (lacht).”

Maar waarom zo lang gewacht om deze histories op te tekenen?

“Ik had niet, zoals Marieke Lucas Rijneveld met De avond is ongemak of Lize Spit met Het smelt, in mijn eerste boek meteen al kunnen schrijven over familiedrama’s of jeugdtrauma’s. Eerst moest ik leren schrijven. Ofwel: schaamte overwinnen door stijl, zoals iemand het ooit zo mooi zei.”

Misschien zijn de tijden veranderd, gaan schrijvers sneller en schaamtelozer aan de slag met autobiografisch materiaal? U had daar lang geen behoefte aan?

“Toen ik begon te schrijven was ik, vrees ik, heel sentimenteel. Op de School voor de Journalistiek publiceerde ik in de schoolkrant een gedicht waarover docenten zeiden: ‘Dat is geliteratureluur. Ga jij maar eens de straat op, ga luisteren naar wat andere mensen te zeggen hebben.’ Dat heb ik volop gedaan en dat heb ik lang volgehouden.”

‘Wij rookten allemaal hasj, het waren de sixties, hè. Maar ik ben nooit verslaafd geweest. Uiteindelijk bleef ik toch het gedisciplineerde kostschoolmeisje.’ Beeld Hilde Harshagen

Zo belandde u in de literaire reisjournalistiek?

“Ik liep stage bij de Haagse Post. En op dat moment floreerde New Journalism volop, met figuren als Norman Mailer, Truman Capote en bladen als The New Yorker, Rolling Stone… Je kon zes weken bezig zijn met één verhaal of stuk. Those were the days, een mooie tijd voor de literaire journalistiek, zeker! Het was een ongelooflijke leerschool. Later, tijdens mijn reizen, leerde ik ook dat je als journalist moet vermijden al te snel te oordelen. Dan kom je namelijk niets te weten.”

Over families schrijven is en blijft natuurlijk wel explosief. Kijk maar naar Edouard Louis of Dimitri Verhulst. Was u niet bang dat de hele familie zou uiteenspatten?

“Nee, want Terug naar Neerpelt is nooit op poten gezet als een afrekening. Onze familiegeschiedenis is heel anders dan die in Weg met Eddy Bellegueule of De helaasheid der dingen. Er zitten misschien harde passages in mijn boek, maar ik heb het met liefde en mededogen geschreven en ik had mijn broers en zussen enigszins voorbereid. De Joriskes zijn wel wat gewend. Wat wil je, met een nest van negen kinderen, een jongen die zijn weg niet vindt in de wereld en Hildeke, een meisje met het downsyndroom?

“Van jongs af aan traden wij door hen een andere wereld binnen. Via Fonny leerden we de stoere Leon met zijn Porsche kennen, die prachtig Chopin kon spelen. Via Hildeke kwamen we in contact met andere gehandicapte kinderen. Het doet wat met je als je zo’n zaal vol ziet zitten met kindjes met Down. En we zijn en blijven een familie die erg aan elkaar hangt. Omdat we een beschermende reflex hadden. Tegenover Fonny, tegenover Hildeke. Die familiereflex manifesteerde zich gelukkig ook toen dit boek verscheen.”

Maar dat beschermende was soms ook wel verstikkend. Het was een familie met veel tentakels. Hoe moeilijk was het om jezelf los te wrikken?

“Opgroeien in de jaren 1960 heeft me daarbij vast geholpen. Ik moest weg en ik was niet de enige: mijn oudere broers, Fonny voorop, gingen me voor. Zij zetten de deur op een kier en ik glipte mee naar buiten. Mijn ouders begonnen in die periode ook hun grip te verliezen op zaken waarmee ze vertrouwd waren, zoals het geloof. De twijfel sloop binnen en er kwam niets nieuws voor in de plaats. Ze wisten ook bitter weinig over psychologie, dat vergeten we soms te makkelijk. Tegenwoordig weet iedereen daar wel iets van af, we worden ermee gebombardeerd. En vergeet niet wat dat betekent, een gezin van negen kinderen – de ogen van je ouders kunnen niet overal tegelijk zijn. Al waren er in de buurt ook gezinnen van elf, dertien of zelfs tweeëntwintig.”

‘Je licht je anker niet ongestraft: weggaan heeft nu eenmaal consequenties. Maar had ik een schuldgevoel? Nee, ik kon niet anders dan zo handelen.’ Beeld Hilde Harshagen

Hoe kon u dan enige privacy koesteren, in zo’n gezin van negen kinderen?

“Jij komt zeker niet uit een groot gezin, als je zo’n vraag stelt? Ah, je bent een nakomertje, nu begrijp ik het. (lacht) Nou, ik zal je eens de voordelen opsommen van een groot gezin. Het is best ook aangenaam. Toen ik in Mali enige tijd op het erf van de muzikant Boubacar Traoré leefde, zwermden zijn kinderen overal in het rond. Elke generatie speelde met elkaar, daar hoefde je niet naar om te kijken. Bij ons was dat in feite ook zo: wij voedden elkaar op. Het is ook een warm bad hè, zo’n grote familie. Tussen de oudste en de jongste was veertien jaar verschil. Ik zat ertussenin, kon zowel naar boven als naar beneden kijken.”

De lezer zou zich niettemin kunnen afvragen of u dit boek ook vanuit een posterieur schuldgevoel hebt geschreven. ‘Heb ik voldoende gedaan voor Fonny?’, dat soort sentiment. Of dat u de bekommernis te zeer aan uw zussen of vader en moeder overliet?

“Nee, ik heb altijd het gevoel gehad dat ik het juiste heb gedaan. Enerzijds licht je je anker niet ongestraft, zoals ik in Een kamer in Cairo heb geschreven. Weggaan heeft nu eenmaal consequenties. Ik heb er nog steeds spijt van dat mijn grootmoeder, mijn bomma, bij wie ik deels opgroeide, stierf toen ik in de Verenigde Staten verbleef. Anderzijds: you can’t have your cake and eat it too. Had ik een schuldgevoel? Nee, ik kon niet anders dan zo handelen. En dat had ook zijn voordelen.”

Wat bedoelt u daar precies mee?

“Geloof me, we hebben allemaal op onze manier ons hoofd afgewend van Fonny. Je kon geen 100 procent van je tijd aan hem besteden, want je kon zijn probleem niet oplossen. Ik ben wél altijd bezig geweest die eindjes aan elkaar te knopen: waar ik vandaan kwam en waar ik heenging. Ik heb mijn broers en zussen ook altijd laten weten hoe erg ik het waardeerde dat ze er waren toen ik op reis was. Maar je ziet wel vaker dat iemand wordt opgeofferd binnen een familie en de zorgfunctie opneemt.”

Fonny had een radar maar kon zich niet lang inspannen, merkt u een aantal keer op.

“Hij brandde op als een lucifer. Ik zag ze hier in Amsterdam ook rondlopen, de Fonny’s; ik herkende ze aan hun manier van bewegen, de blik in hun ogen. Toch was Fonny ooit een alert iemand, hij had alles vlug in de gaten. Maar hij was zeer ongeduldig. Had hij ADHD? We wisten daar nog niets van. Hij had wél veel talenten. Ik heb zelfs altijd het gevoel gehad dat Fonny meer talenten had dan ik. De gitaar die hij pakte, zijn mooie stem…

“De Congolese rebel over wie ik een boek schreef (‘Het uur van de rebellen’, 2006, red.), zei me, nadat hij de Franse vertaling van Terug naar Neerpelt had gelezen: ‘Hij had zomaar Johnny Hallyday kunnen worden.’ Fonny was ook een aantrekkelijke jongen, vrouwen liepen zijn leven in en uit. Maar hij kon zijn weg niet vinden. Ik ben veel plichtsgetrouwer. Een doorzetter. Ik laat me niet gauw ontmoedigen. Ik heb het geluk dat ik ook mensen vond die aan mijn zijde staan, zoals mijn vriend Marek. Fonny was in wezen eenzaam.”

‘Je kon toch wel bedenken dat ik – die onderweg altijd naar het intieme leven van mensen keek – ook eens de blik op mijn eigen familie wilde richten?’ Beeld Hilde Harshagen

Weigerde hij in zekere zin volwassen te worden?

“Fonny schreef ergens: ‘Ik ben een foetus van 47 jaar.’ Hij voelde zélf dus maar al te goed dat er iets scheelde. Al had hij in die periode al heel wat drugs gebruikt, waardoor hij natuurlijk ook erg veranderd was. Het deed me verdriet toen ik dat las. Altijd weer was er dat veertje dat sprong. En weet je (plots fluisterend en samenzweerderig), er waren ook bakerpraatjes in de familie. Mijn moeder zou een injectie hebben gekregen tijdens haar zwangerschap, de geboorte zou problematisch zijn geweest. Misschien had hij een kleine afwijking door zuurstoftekort? Wie weet was zijn gedrag met rilatine makkelijk bij te sturen geweest. Wie zal het zeggen?”

Niettemin opende Fonny een tijdlang andere, verlokkelijke werelden voor u. Hij was een gangmaker. U schrijft zelfs dat u enigszins op hem verliefd was.

“De jaren 1960 kwamen bij anderen maar mondjesmaat aan de deur morrelen. Maar bij ons woeien ze in volle kracht over het gazon heen. Via Fonny kwam het rebelse binnen gedonderd, ook via de muziek. Ik was daar extra gevoelig voor. Al was onze familie over het algemeen wel vrijgevochten, geloof ik. Dat hoor ik ook van anderen. Als ik in Neerpelt een lezing geef, komen er soms mensen naar me toe die zeggen: ‘Bij jullie was het de zoete inval en jullie mochten meer dan wij.’ Misschien is dat wel eigen aan grotere families. Je kunt iedereen niet zomaar onder controle houden. En we leefden op een groot domein aan de rand van het dorp, waar je lekker kon verdwijnen als het nodig was.”

Tragisch maar erg teder is ook hoe u de vaderfiguur typeert. Een man die de kant van Fonny blijft kiezen en bijna stelselmatig zijn verslaving met de mantel der liefde bedekt.

“Mijn vader was totaal niet uitgerust om een familie van negen kinderen te besturen. Zijn vader vocht aan het front tijdens de Eerste Wereldoorlog en overleed ten gevolge van gasvergiftiging toen mijn vader vier maanden oud was. Hij was omringd door weduwes, van zijn moeder tot zijn grootmoeder, al zijn ooms waren geestelijken of broeder, geen man met een lange broek in zicht. Dat werkte generaties door. Het wegkijken van mijn vader is tragisch, maar hij groeide daardoor ook uit tot een echt romanpersonage. Alicja Gescinska zei me: ‘Jouw vader is een toonbeeld van vergeving.’ Al waren er ook lezers die vonden: ‘Dat is toch niet te doen, hoe hij het hoofd afwendt!’ Mijn vertaalster noemde het boek ‘een Griekse tragedie’.”

Misschien is dat ook typisch Vlaams, dat onder de mat vegen van problemen en gevoelens?

“Het is iets courant in kleine gemeenschappen, geloof ik, vooral in die tijd. En als je er dan over schrijft, dan ben jij diegene die de vuile was buiten hangt! (fel) Maar, zoals de schrijfster Manon Uphoff in een interview terecht eens zei: ‘Wie heeft de was vuil gemaakt?’ Het menselijk opzicht en een enigszins misplaatste fierheid speelden voor de generatie van mijn ouders een belangrijke rol. Voor mijn vader was Fonny bovendien de bijbelse ‘verloren zoon.’ Toen hij al dementerend was en in een verzorgingstehuis woonde, bladerden we eens samen door een fotoalbum en stuitten op een foto van Fonny die mijn vader zelf had gemaakt. ‘Dat is een heel speciaal jongetje’, zei hij. En later, bij een foto van zijn ouderlijk huis: ‘Daar is iets ergs gebeurd.’ Het was onthutsend, alsof ik zó de tunnel van zijn leven in kon kijken.”

Hebt u nu het gevoel dat iets in uw oeuvre hebt afgesloten?

“Brusselse vrienden zeiden me toen ik begon na te denken over het schrijven van dit boek: ‘Maar Lieve, dat is véél te vroeg! Want wat ga je daarna nog doen?’ Zo kun je het ook zien, natuurlijk. Zeker, het is alsof ik iets heb afgerond en een dak op mijn schrijvershuis heb geplaatst. Maar anderzijds: ik ben niet het type auteur dat na het schrijven van een boek al twee of drie nieuwe boeken op stapel heeft staan. Dat komt ook doordat mijn onderwerpen doorgaans op het terrein ontstaan. Bovendien ben ik een trage slak.”

‘Ik kan niets bedenken aan mijn bureau. Ik moet naar buiten, tot ik arriveer op een plaats waar de atmosfeer aan me gaat kleven als dun papier.’ Beeld Hilde Harshagen

Joris’ gedachtegangen durven al eens van de hak op de tak te springen. Het ene moment zit ze nog te prakkeseren over haar ouderlijk huis, dan weer gaat het richting Afrika of stormt ze naar haar keuken om de waterkoker te laten sissen. “Er is een mooie uitspraak van Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul, die hij maakte naar aanleiding van Een bocht in de rivier, dat gesitueerd is in de Congolese stad Kisangani. Toen ik hem opzocht op zijn geboorte-eiland Trinidad en vroeg hoe dat boek ontstaan was, zei hij me: ‘Ik ben slechts achtenveertig uur in Kisangani geweest. Een Indiër kwam me ophalen op de luchthaven. Hij liet me een paar plaatsen zien, vertelde me iets over de mensen die er woonden. Het was alsof de stad aan me plakte als dun papier, in twee dagen zag ik het materiaal voor de roman voor me oprijzen.’ Zo is het bij mij ook. Ik kan niets bedenken aan mijn bureau. Ik moet naar buiten, de straat op, tot ik arriveer op een plaats waar de atmosfeer aan me gaat kleven als dun papier.”

“Volgend jaar heb ik een blanco jaar”, zegt ze met een twinkel in de ogen, zich volop verheugend om weer uit te breken. “Geen afspraken, geen toezeggingen, geen opdrachten. Ik ben die lege tijd nu stilaan aan het organiseren. Ik ga terug naar Mali, en naar Egypte, waar ik dertig jaar niet meer geweest ben. Daarna trek ik naar de Verenigde Staten, om te kijken hoe het de mensen die ik daar in mijn jonge jaren ontmoette, is vergaan. Gisteren zat ik te luisteren naar muziek van de Libanese componist Marcel Khalife, die ik meer dan veertig jaar geleden tijdens mijn eerste reizen door de Arabische wereld leerde kennen… Er liggen daar nog zovele kleine snaartjes onaangeroerd, die in beweging zullen raken. Eerst moet ik absorberen, dan gaat alles weer vibreren. En misschien dient zich dan ergens onderweg weer een onderwerp voor een boek aan. Toch merk ik dat ik tegenwoordig makkelijker kan reizen zonder meteen in een werkkramp te schieten. Als ik in Venetië ben met Marek, ben ik heel gelukkig dat ik niet over die stad hoef te schrijven, dat ik ze gewoon kan ondergaan en beleven.”

U spreekt geen oordelen uit of heft nergens het vingertje. Maar anderzijds: je zou kunnen zeggen dat dit boek toch wel een stevige wake-upcall is voor wat drugs kunnen aanrichten?

“Moeten mensen daarvoor mijn boek lezen? Dat nu ook weer niet, denk ik. Kijk, hier in Amsterdam hoor je verhalen over advocaten op de Zuidas, die in het weekend partydrugs gebruiken, bij wijze van ontlading. Het is een fenomeen dat blijkbaar in alle milieus voorkomt. Mensen hebben nu eenmaal soms de behoefte van de rails af te gaan. Vroeger wisten wij veel minder over de consequenties van het gebruik van drugs. In het grensgebied met Nederland waar wij woonden, was het makkelijk aan hasjiesj te komen. Die randgebieden van een land, waar mensen ernaar verlangden om van alles mee te maken en waar zo weinig gebeurde… En hop, daar gingen ze.”

U ook?

“Ook ik, ja (lacht schalks). Wij rookten allemaal hasj, het waren de sixties, hè. Al had ik algauw het gevoel dat we met z’n allen vooral vrij stom zaten te lachen als we gerookt hadden. Op een bepaald moment wilde ik toch mijn diploma halen en vond ik het allemaal welletjes. Ik ben nooit verslaafd geweest. Uiteindelijk bleef ik toch het gedisciplineerde kostschoolmeisje. Bij Fonny lag dat anders. Hij vulde een soort leegte op met soft- en later met harddrugs, zoals anderen dat met alcohol doen. Gamen, junkfood, porno: je kunt er allemaal verslaafd aan raken.”

Of haar boek uiteindelijk ook ergens past in die intussen zo rijke Kempense literaire traditie, wil ik ten slotte nog weten? Terug naar Neerpelt deed me soms denken aan dat stemmenballet en die familiegeplogenheden bij Leo Pleysier. “Ach, de prachtige trilogie Wit is altijd schoon, De kast en De Gele Rivier is bevrozen… Die heb ik letterlijk verslonden! Toen ik die ergens onderweg op reis las, dacht ik: ik hoef niet over Vlaanderen te schrijven, dat doet Leo Pleysier al. Hij blijft lekker thuis en zit daar nu om zich heen te kijken. Maar ik heb het nu toch ook aangedurfd (lacht).”

“Weet je”, besluit Joris, “ik realiseer me wat een immens cadeau het is dat je de tocht naar je jeugd kunt maken. Dat is niet iedereen gegund. Denk maar aan iemand als Kader Abdolah, of andere schrijvers die nooit meer terug naar huis kunnen keren. Als ik in Neerpelt langs het kanaal loop of in het Dommelhof, wandel ik nog steeds door het bijna ongerepte decor van mijn jeugd. Dat is een enorm privilege.”

De uitreiking van de BookSpot Literatuurprijs vindt plaats op 14 november, www.bookspotliteratuurprijs.nl

Lieve Joris, ‘Terug naar Neerpelt’, Atlas/Contact, 254 p., 19,99 euro. Beeld RV
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234