Dinsdag 12/11/2019

Dichters van de seventies

Met de bloemlezing De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig brengtYves T’Sjoen hulde aan belangrijke Nederlandstalige dichters die debuteerden in de jaren zeventig: van Robert Anker over Stefan Hertmans tot Leonard Nolens.

Door Paul Demets

hematische poëziebloemlezingen doen het altijd goed in de boekhandel, zeker wanneer ze gedichten bevatten over de grote momenten van het leven. Dat zorgt soms voor een eenzijdige benadering, omdat één bepaalde interpretatiemogelijkheid sterk geprofileerd wordt door een gedicht bijvoorbeeld louter als liefdesgedicht te lezen.

Ook bij bloemlezingen die een literair-historische benaderingswijze hanteren, kan je vragen stellen, omdat ze onvermijdelijk generaliserend zijn en het persoonlijke parcours van een dichter te weinig laten zien. Aan dit laatste probeert Yves T’Sjoen te verhelpen door zijn boeiende bloemlezing De tegenstrijdige generatie. Dichters van de jaren zeventig.

Het is niet zo dat Yves T’Sjoen de bedoeling had om de definitieve bloemlezing samen te stellen die een sluitend en volledig te verantwoorden beeld van dat decennium in de poëzie zou geven. Op meerdere manieren nuanceert hij zijn opzet en stelt hij zijn keuze ook in vraag. Dat getuigt van de open houding die deze bloemlezer wil aannemen tegenover de poëziegeschiedenis en tegenover de dichters die hij selecteerde.

‘Hotel New Flandres’

T’Sjoen koos voor dichters die geboren werden tussen 1944 en 1954 en tussen 1968 en 1984 debuteerden. Op het eerste gezicht mag dit nogal willekeurig lijken, maar dat is het niet. Gerrit Komrij (°1944) debuteerde in 1968 met Maagdenburgse halve bollenen andere gedichten en manifesteerde zich daarmee als dandyeske romanticus en Herman de Coninck, ook al in 1944 geboren, verraste in Vlaanderen met de speelse, ironische, sensuele bundel De lenige liefde (1969). Het was dan al van Claus’ De Oostakkerse gedichten (1955) geleden dat een bundel een cultstatus kreeg. En 1984 is het jaar waarin Dirk van Bastelaere (°1960) zijn eerste splinterbom in de Vlaamse poëzie gooide, met de bundel Vijf jaar. Door deze afbakening houdt Yves T’Sjoen niet alleen rekening met de literair-historische ontwikkeling, maar onrechtstreeks ook met de maatschappelijke inbedding van de poëzie. Het is alvast niet zijn bedoeling om “vanaf de comfortabele katheder een hoofdstuk uit de laaglandse poëziegeschiedenis te presenteren”. Hij wil voorzichtig omspringen met literatuurhistorische etiketten die aan dichters toegekend worden, omdat ze al dan niet aansluiten bij de dominante ontwikkelingen in de poëzie. In dat opzicht is deze bloemlezing een mooi alternatief voor de spraakmakende bloemlezing Hotel New Flandres (2008), waarvoor de samenstellers Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters het criterium ‘vernieuwing’ duidelijk als maatstaf hanteerden om de ontwikkelingen in de Vlaamse poëzie tussen 1945 en 2005 in kaart te brengen. Niet zonder ironische knipoog naar het sterrensysteem dat kranten en weekbladen sinds enkele jaren bij hun recensies hanteren, gaven ze het grootste aantal sterren aan dichters die “een nieuw paradigma in de poëzie hebben geïnstalleerd”. Het was Yves T’Sjoen niet om een zoektocht naar innoverende dichters te doen. En hij hanteert een ruimere blik, want hij trekt geen grens tussen Vlaanderen en Nederland, zoals dat in Hotel New Flandres wel gebeurde.

Toch is er één gelijkenis: Yves T’Sjoen is er, net zoals Van Bastelaere, Jans en Peeters, maar dan op een totaal andere manier, op uit om een min of meer vaststaande blik op de poëziegeschiedenis te nuanceren en te deconstrueren. T’Sjoen stelt zich daarbij kwetsbaar op. Eerst geeft hij in de inleiding een beknopt overzicht van de ontwikkelingen in de poëzie vanaf de ‘Zestigers’ van het tijdschrift Barbarber in Nederland en Ruimten, Yang, Kreatief en Revolver in Vlaanderen, over de nieuwromantische poëzie, die zich in Nederland al vroeger manifesteerde in het vroegste werk van Anton Korteweg en Gerrit Komrij en enkele jaren later in Vlaanderen op een wel erg veralgemenende manier geïnstitutionaliseerd werd door de bloemlezing Daar komen de tachtigers al aan (1977), tot de polarisering tussen ‘taalgerichte ‘ en ‘werkelijkheidsgerichte’ poëzie in de jaren zeventig, die uiteraard geen recht deed aan de ontwikkeling in de individuele oeuvres van dichters als Gerrit Kouwenaar, Hans Faverey, Bernlef of Rutger Kopland. Maar dan stelt T’Sjoen vast dat “het gevaar van de ondernomen vogelvlucht is dat nog louter in literair-genealogische lijnen wordt geredeneerd en dat het overzicht van tendensen bijgevolg een als zodanig niet bestaand lineair karakter veronderstelt.”

Dialoog

Yves T’Sjoen wil als bloemlezer rekening houden met de individualiteit van de dichters die in de jaren zeventig actief werden en een eigen parcours begonnen. Hij wil de dichters die hij selecteerde niet in hokjes stoppen. En dat siert hem. In die zin is het woord ‘generatie’ uit de ondertitel enigszins ongelukkig, zoals hij zelf aangeeft. T’Sjoen hanteerde een opzet die hij ‘museaal’ noemt: zoals de kunstenaar van een curator de vrije hand krijgt om een ruimte te vullen, zo bood hij Robert Anker, Benno Barnard, Huub Beurskens, Frans Budé, Eva Gerlach, Jacob Groot, Luuk Gruwez, Stefan Hertmans, Hester Knibbe, Frank Koenegracht, Anton Korteweg, Wiel Kusters, Leonard Nolens, Willem Jan Otten, Hans Tentije, Miriam Van hee en Ad Zuiderent zelf de gelegenheid om een keuze uit hun werk te maken. Alleen daarom al is deze bloemlezing interessant, omdat ze laat zien via welke gedichten deze zeventien dichters een beeld van hun oeuvre en van de ontwikkeling daarin aan de lezer willen bieden.

Omdat dit een bloemlezing is die via een dialoog tussen de samensteller en de dichters tot stand gekomen is, zouden fragmenten uit de correspondentie over dit project ongetwijfeld verhelderend gewerkt hebben. Nu spreken de gedichten voor zich. En daar valt natuurlijk ook veel voor te zeggen. Enkele dichters die aan de afbakening van Yves T’Sjoen beantwoorden, ontbreken op het appel: Herman de Coninck en Gerrit Komrij op de eerste plaats. Yves T’Sjoen vindt wellicht dat hun oeuvre nog steeds voldoende aandacht krijgt, want een van zijn drijfveren om deze bloemlezing samen te stellen, is de verminderde aandacht in de kritiek voor een aantal dichters die hij selecteerde. Maar er zijn ook dichters die we er zelf graag bij hadden gehad en die ook niet vergeten mogen geraken: Kees Ouwens, Ben Zwaal, Martin Reints en Rob Schouten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234