Zondag 09/08/2020

Dichter in een duistere stad

Was Brassaï niet die Franse fotograaf die het nachtelijke Parijs van de jaren dertig zo sfeervol in beeld heeft gebracht? Ja, maar in het Centre Pompidou leren we vandaag dat het antwoord op deze vraag evengoed 'neen' kan zijn. De Hongaar Gyula Halász (1899-1984) was een gedreven kunstenaar die schilderde, tekende, beeldhouwde, boeken schreef en foto's maakte. Hij liet ongeveer 43.000 opnamen na, waaruit vierhonderd schitterende afdrukken werden geselecteerd, die samen met zijn tekeningen en beeldjes een briljante expositie vormen.

Eigenlijk volgt het parcours van de tentoonstelling een omgekeerde chronologie. Na een inleidend zaaltje met portretten van al wie Brassaï in Parijs frequenteerde, van Henry Miller tot Giacometti en Picasso, volgen enkele reconstructies van de laatste grote exposities van zijn werk. We ontdekken onverwacht kleurige foto's van afbladderende muren die in 1970 in de Parijse galerie Rencontre werden getoond, en hun beroemde voorlopers in zwart-wit die de fotograaf sinds de prille jaren dertig verzamelde en die in 1956 in het New Yorkse Museum of Modern Art werden bijeengebracht.

Is het de zorg waarmee de kunstenaar zijn morsige muren en schuttingen in beeld brengt, die ons ontroert? De perfecte belichting van de krassen, het korrelige pleister en de holle ogen van de mannetjes? Een titel als Pas de deux, Apocalypse of Nocturne? De zachte bezetenheid waarmee Brassaï de graffiti in categorieën rangschikt: de dood, het gelaat, tovenarij, maskers, de liefde? De overgave wanneer hij aantekeningen maakt over de toestand van de muren - als een lijfarts volgt hij de evolutie van zijn patiënten op de voet? In Minotaure, het blad van de Parijse surrealisten, bekende hij dat de inscripties in de straatjes achter de Opera hem even dierbaar zijn als de rotstekeningen van de Dordogne of de Nijlvallei. De 'prille flora' van de graffiti bezweert de razernij van het onbewuste, de krabbels zijn het eerste schrift en de bouwstenen voor onze mythen - litteken en vruchtbeginsel, gebaar en taal. In de korte film Tant qu'il y aura des bêtes uit 1956, die in de tentoonstellingsruimte permanent wordt vertoond, registreerde Brassaï de bewegingen van beesten in de dierentuin van Vincennes. Hij monteerde de beelden zonder commentaar tot een choreografie die het midden houdt tussen een film van Jacques Tati en het eertijds beruchte 'interludium' dat de tijd tussen twee tv-programma's moest vullen.

Dat het primitieve de kunstenaar altijd heeft gefascineerd, blijkt ook uit drie reeksen tekeningen die hij in 1921, 1932 en 1944 maakte. Het zijn naakten met frêle torso's, forse bekkens en uitdijende dijen die, op de rug gezien, fallische vormen aannemen. In een vitrine tronen tientallen beeldjes die Brassaï sinds 1946 vervaardigde uit keien die hij op het strand vond: toevallige vormen werden vogels, mensenhoofden of vruchtbare vrouwen die haast ongemerkt overgaan in trotse fallussen - het materiaal is hard en sensueel tegelijk, met weelderige rondingen. De zee heeft het ruwe werk gedaan, maar Brassaï hielp de natuur een handje. Zoals prehistorische Venusbeeldjes zijn de keien van de kunstenaar klein. Ze passen in onze handpalm. Vooraleer de mensen hun ervaring van de dingen uit handen gaven en hun ogen gingen geloven, zo schrijft de kunstenaar, wilden ze tasten, voelen, gewaarworden. Later werden hun beelden monumentaal, veel te groot. Ze raakten hun ziel kwijt.

Met de reeks Transmutations die Brassaï in 1934 en 1935 onder invloed van zijn goede vriend Picasso realiseerde, ging hij nog een stap verder: hij kraste op het glazen oppervlak van zijn naaktfoto's "om het verborgen beeld uit de brute materie naar boven te halen (...). Ik hak in het vlees als in een blok steen." Vrouwen worden vruchten of muziekinstrumenten: violen, gamba's, mandolines. Hier en daar herkennen we borsten of een gelaat. Picasso wist het wel: zijn spitsbroeder zou nooit genoegen nemen met de 'gewone' fotografie.

Was Brassaï dan niet vooral de man van de straat en de nacht, 's nachts? De fotograaf die de boefjes, de voddenrapers en de hoeren uit de achterbuurten van de grootstad tot de iconen van de jaren dertig heeft gemaakt? Die zesentwintig tinten zwart kon onderscheiden en onvergetelijke beelden opbouwde uit schaduwen, mist, regen en flauw lantaarnlicht? Ja en nee, dus. De kunstenaar die we in de eerste zalen van het Centre Pompidou leren kennen, is een eenmansorkest, een touche-à-tout, een duiveltje dat tot alles in staat is - zo kennen we hem ook van de zelfportretten die hij in zijn kamer van het Hôtel des Terrasses maakte: kraaloogjes onder borstelige wenkbrauwen, een Mefistofeles in hemdsmouwen op een mansarde. Geld voor een eigen studio heeft hij nooit gehad; toen hij wat centen verdiende, huurde hij gewoon de kamer naast de zijne om er de afdrukken te ontwikkelen. En was de fotografie zelf geen late roeping, een heerlijk accident de parcours voor een schilder-schrijver-journalist?

Toen de vijfentwintigjarige Gyula Halász in januari 1924 in Parijs aankwam, had hij al een half leven achter de rug. Als jongetje van vijf wandelde hij aan de hand van zijn vader, de professor die aan de Sorbonne had gestudeerd en een jaartje terug naar Frankrijk mocht, door de Jardin du Luxembourg; de stad maakte op het kind een onvergetelijke indruk. Gyula ging naar school in zijn geboortestad Brasso in Transylvanië, een provincie van Hongarije die vandaag tot Roemenië behoort. Later studeerde hij aan de academie van Boedapest. Trok naar Berlijn en werd er goede maatjes met Moholy-Nagy, Kandinsky, Kokoschka en Varese. Belandde zielsgelukkig in de lichtstad die hij enkele jaren later eigenhandig tot een cocon van duisternis zou omtoveren, maar dat kon hij toen nog niet weten. Schreef stukken voor Hongaarse en Duitse bladen omdat hij het geld nodig had. Ontmoette de dichter Henri Michaux en de fotograaf André Kertész, aan wie hij af en toe vroeg om zijn artikels te illustreren. En toen ging het snel. Heel snel.

Kan iemand een nobeler, 'juister' motief bedenken om te gaan fotograferen dan de vaststelling dat verf en potloden niet volstaan om de nacht van de grote stad in een kunstwerk te vatten? Een geleende camera deed de rest. In 1929 koopt Halász zijn eerste eigen Voigtländer. Hij kijkt uit het raam van zijn hotelkamer of fotografeert eenvoudige voorwerpen. Een frase van Goethe is zijn motto geworden: "de dingen hebben mij beetje bij beetje tot op hun niveau getild". Alleen of in het gezelschap van onvermoeibare nachtbrakers als Léon-Paul Fargue, de auteur van Le piéton de Paris, of Raymond Queneau gaat hij de straat op. In één nacht maakt hij hooguit vierentwintig opnamen, want het materiaal is loodzwaar. Om de belichtingstijd te meten rookt hij sigaretten: een Gauloise wanneer er behoorlijk wat licht naar binnen valt, een Boyard voor het zwartste duister. In het wonderlijke jaar 1932 valt alles op zijn plaats. Halász bedenkt een pseudoniem (Brassaï, naar zijn geboortestad) en publiceert Paris de nuit, het monumentale album dat hem in één klap beroemd maakt. Paul Morand levert het voorwoord. Henry Miller schrijft een laaiend en intelligent stuk over "het levende oog van Parijs (...), verscheurend en onverzadigbaar, begerig en verwoestend (...) als een scheermes dat onze pupillen doormidden klieft, als een insectenoog".

Waar komt Brassaïs fascinatie voor de nacht vandaan? Hij geeft zelf het antwoord: "De nacht suggereert, hij laat niets zien. Hij sticht verwarring, overvalt ons met een gevoel van vervreemding. De nacht wrikt krachten los die overdag door de kluisters van de rede in toom worden gehouden." Parijs is een koortsige droom van natte straatstenen en mist, een labyrint waarin achthonderd bordelen woekeren en kwalijk riekende vespasiennes als reusachtige conservenblikken opdoemen. In de cafeetjes voeren geliefden hun eeuwige pantomime op. De hoerenmadam Bijou troont achter haar tafeltje in de Bar de la Lune. Stations en passages zijn verlaten, als plaatsen waar net een misdaad gepleegd is - zoals op de foto's van Brassaïs grote voorbeeld Eugène Atget. Zelf heeft de Hongaar de mooiste opnamen van Parijs gemaakt; zijn collega's Doisneau, Bovis, Kertész of René-Jacques deden het ook, maar anders. We bewonderen Brassaïs directe stijl, de authenticiteit van zijn blik, het 'echte' van de foto's. Deze beelden gingen een eigen leven leiden: we kennen de hoertjes van Chez Suzy en de straatvechters van de bende van Le Grand Albert die de arme fotograaf net niet in elkaar hebben geramd. We laten ons maar al te graag meeslepen door de verhalen die ze in ons oor fluisteren. écht, een foto? Vergeet het maar. Af en toe wil het wel lukken: dan drukt iemand als Cartier-Bresson af op dat ene moment wanneer alles op zijn plaats valt, zodat de wereld er een ogenblik lang niet meer als een woeste chaos bij ligt. Maar in het Centre Pompidou vallen we van de ene verbazing in de andere. De legendarische opnamen uit Paris de nuit zijn blijkbaar geen toevalstreffers. Ze werden nauwkeurig geregisseerd, precies zoals de kussende stelletjes van die andere grote leugenaar, Robert Doisneau. Brassaï maakte er echter nooit een geheim van. Hij moest de realiteit een handje helpen om een authentiek en waarheidsgetrouw resultaat te krijgen. Met de zware Voigtländer op het statief en de helle magnesiumflits was het bovendien zo goed als onmogelijk om onopvallend te werken. De klant die in het bordeel Chez Suzy een meisje uitkiest en met haar naar boven gaat, is een medeplichtige van de fotograaf, de verliefde man op de bank een figurant. Een forse belle de nuit bij de schutting duikt in andere opnamen op als de helft van een vrijend paartje. De verontrustende foto van twee boeven die van achter een zwarte wand in de lens kijken is een montage. We vinden de mannen terug op een groepsportret; een van hen wordt door de rand van de foto doormidden gekliefd. Met wat knip- en plakwerk laat Brassaï de kerel van achter een straathoek opdoemen. Hij kadreert, grijpt in, snijdt weg wat hem niet bevalt. Van La Môme Bijou, La Statue du maréchal Ney dans le brouillard of het hondje op de trap in Montmartre bestaan drie, vier versies. Van het gore hotel in de rue Quincampoix of de beroemde kus in de schommel krijgen we een hele reeks opnamen te zien. La Dispute, een ruziënd paartje in een café, lijkt wel een fotoroman. Sterker nog: Brassaï realiseerde reportagereeksen die elk een anekdote in beeld brengen: een dode man op de stoep voor het hotel, bijvoorbeeld, of een straatventer die even gaat plassen.

Picasso had gelijk: zijn boezemvriend had niet genoeg aan de fotografie. Brassaï was een filmregisseur, een verhalenverteller, een dichter die van de duisternis en van het leven hield, van nachtvlinders en slapende mensen - wie slaapt kijkt niet terug maar laat de man met de camera zijn werk doen. André Breton en de Parijse surrealisten hebben hem aan boord van hun zwalkende sloep gehesen, maar dat hoefde niet echt. Voor Gyula Halász uit Brasso was er niets surrealistischer dan de banale werkelijkheid. "La surréalité n'est pas le monstre, le veau à cinq pattes ou à deux têtes, le cas exceptionnel lorsque la nature a raté une de ses pièces, mais le veau normal." De normaliteit van het gewone, daar ging het hem om. Als een authentieke peintre de la vie moderne, een eretitel die Charles Baudelaire voor de schilder Constantin Guys bedacht, wilde hij gewoon nieuwsgierig zijn en de dingen altijd weer voor het eerst zien: de rug van een vrouw, een kanaal in het maanlicht, reclameborden voor Byrrh en St.-Raphaël. De wanstaltigheid van het alledaagse die we na een frisse fles Pouilly-Fumé weer 'poëzie' durven te noemen.

De tentoonstelling loopt tot 26 juni in het Centre Pompidou te Parijs (tel. 00 33 1 44 78 12 33 of www.centrepompidou.fr). Ze is elke dag behalve dinsdag geopend van 11 tot 21 uur. De toegangsprijs bedraagt 40 Franse frank. De catalogus kost 390 Franse frank (na 1 juli: 450 frank); een album met een vijftigtal foto's en teksten van de kunstenaar kost 39 Franse frank.

Picasso had gelijk: zijn boezemvriend had niet genoeg aan de fotografie. Brassaï was filmregisseur, verhalenverteller en dichter

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234