Maandag 24/02/2020

Dichter bij de hemel

Het platte dak: de oosterse mens bouwde het omdat hij het materiaal ter beschikking had, de westerse mens in den beginne uit pragmatische overwegingen. Sinds Frank Lloyd Wright het toepaste in de woningbouw en 'le toit-jardin' gepromoot werd door Le Corbusier, is het een onmisbaar deel geworden van de moderne architectuur. Zij het dat het de laatste jaren die bevoorrechte positie van in het begin van deze eeuw weer heeft moeten afstaan. Het bedrijf Imperbel publiceerde ter ere van Batibouw 'De gevel van de hemel', een boek dat een volledig overzicht geeft van de geschiedenis van het platte dak.

De geschiedenis van het platte dak is verbonden met die van de leembouw, een beetje een miskende architectuur waarbij al meer dan 10.000 jaar gebruik gemaakt wordt van (in de zon gedroogde) leem, zowel voor het optrekken van muren als voor de dakbedekking. Archeologen hebben vooral de architectuur van het Nabije Oosten onderzocht, onder andere die van de Syrische kuststreek, het centrale deel en het zuidoosten van Klein-Azië, het noorden van Syrië en Irak (met andere woorden Mesopotamië) en ten slotte het westelijke deel van de Iraanse hoogvlakte. In de loop van de evolutie van de architectuur in westelijk Azië, tussen 8000 en 7600, werden betere technieken voor afdekking van het platte dak ontwikkeld.

Er was ook een tijd toen de voordeur van het huis in het dak zat: in Catal Hayak in Turkije zijn daar nog voorbeelden van. Deze bouwwijze verspreidde zich mettertijd over de continenten. Ze wordt aangetroffen in de Indianendorpen in New Mexico in de VS, in de Dogonwoningen in Mali, in de heuveldorpen van Noeristan in Afghanistan. Het Oude Egypte kende het platte dak natuurlijk ook: de Egyptenaren namen tegen het einde van het vierde millennium voor onze tijdrekening het gebruik van leemsteen over uit Mesopotamië. In Persepolis was er het grote paleis van Darius (500 voor Christus), opgetrokken op een terras van 112 meter lang. Het was een vierkant gebouw dat werd geflankeerd door vier hoektorens, waarin zich de trappen bevonden die toegang gaven tot het terrasdak. Voor de Romeinse thermen van Caracalla en Diocletianus gebruikte men een nieuwe bouwtechniek voor de trapsgewijs aangebrachte platte daken. In Midden-Amerika vond men overblijfselen van complete platte-dakensteden. Bijvoorbeeld in Peru: talloze steden daar werden gebouwd in adobe, in de zon gedroogde klei.

Een flinke sprong in de tijd is de traditionele architectuur van het Amerikaanse zuidwesten (Californië, Arizona en New Mexico), die in de loop van de achttiende en de negentiende eeuw ontstond uit de synthese van de Indiaanse en de Spaanse architectuur uit vroegere tijden. Ook nu putten architecten nog uit die bouwstijl: Taos de Rancho in New Mexico is zo'n inspirerend voorbeeld uit de veertiende eeuw. Dit dorp is opgebouwd uit etagewoningen met een plat dak, die in de vorm van een piramide boven op elkaar geschikt werden. In 1973 nog was het de inspiratiebron voor architecten om luxevilla's uit leem op te trekken. Europa, met zijn gematigd klimaat, heeft die traditie van het platte dak niet, met uitzondering van de militaire architectuur en de landelijke woningen in het Middellandse-Zeegebied - zoals bijvoorbeeld in de terrasdorpen rond Almeria in Andaloesië en Pampaneira in de Sierra Nevada in Spanje of Poligno a Mare in het Italiaanse Apulië. Of bijvoorbeeld de donjon of meestentoren uit de elfde en de twaalfde eeuw en de woonkastelen uit de veertiende eeuw.

Een plat dak bij ons: het is nog altijd een teken dat het om een buiten-gewoon huis gaat. Dak is in onze streken immers synoniem met hellend dak. Precies die helling suggereert de beschutting die we eronder zoeken. Onder een plat dak wonen is helemaal anders. Om te beginnen is de zolder, die belangrijke buffer tussen ons en de (koude) blote hemel, weg. Daardoor wordt de afstand tussen binnen en buiten plotseling gevaarlijk klein. Mensen zijn altijd bevreesd geweest voor dingen grootser dan zijzelf; dat bijvoorbeeld het 'oneindige' heelal iemand letterlijk vlak boven het hoofd hangt, is dan ook geen rustgevende gedachte. Het maakt in de mens een angst voor het verticale wakker: die van hemelwaarts opgezogen te worden, en te verdwijnen in het oneindige niets. Op de een of andere manier kan een hellend dak die oerangst temperen. Niet voor iedereen echter: in het sprookje 'The Wizard of Oz' wordt het hele huis, inclusief hellend dak én Dorothy de lucht in gezogen. Anderhalve eeuw geleden uitte die twijfel over dat 'heilige' hellende dak zich in het gebruik van een nieuwe bouwstijl met een 'nieuw' soort daken. Niet toevallig treft men die bouwstijl voor het eerst aan in Verenigde Staten, het land zonder traditie, dus ook zonder 'heilige huisjes'. En er is ook een goeie reden voor: de Amerikaanse mens is immers in de eerste plaats een pragmaticus. Anno 1850 beleven sommige steden in de Verenigde Staten een heel snelle groei. Met name de tertiaire sector in New York en Chicago heeft steeds meer onderdak nodig. De Amerikaanse geest is die van pioniers: men staat er open voor nieuwe initiatieven, waardoor men gretig gaat zoeken naar nieuwe technologieën. Voor de stad, waar bouwgrond heel snel schaarser en duurder wordt, schept men het nieuwe commerciële gebouw, de beruchte skyscraper die bestaat uit een hele reeks verdiepingen, gebaseerd is op een vrije plattegrond en steunt op een stalen skelet. De bouwheren van de wolkenkrabbers willen in de eerste plaats een economisch en functioneel gebruik van ruimte en het is daarom dat er op die bouwsels een plat dak komt: onder een hellend dak verliest men ruimte, erop schiet er helemaal geen extra bruikbare ruimte over. Nieuwe materialen - afdichtingsmaterialen op basis van oliederivaten, die direct op de zoldering van gebouwen aangebracht worden - maken een plat dak technisch perfect mogelijk. Daarmee heeft ook in het Westen deze nieuwe stijl van het kubusvormige gebouw met de horizontale bovenrand ingang gevonden. Frank Lloyd Wright zal met deze nieuwe esthetiek experimenteren in de woningbouw. Hij hanteert sobere volumes en speelt met het contrast van de basiselementen: massieve constructiedelen en vides, massa en ruimte, gewicht en lichtheid. Hij hecht daarbij ook bijzonder veel belang aan de verhouding tussen interieur en exterieur, aan de naadloze integratie van de architectuur in de omgeving, zonder dat de noties beschutting en plaatselijke verankering in het gedrang komen. Vandaar dat hij rondom enige verticale massa's vooral de nadruk legt op horizontaliteit van de muren en de grote overstekken van de daken, die de omgeving tegelijk beschermen en gevangen houden. Zijn ontwerpen - waaronder de Lexington Terrace Appartments, de Prairie Houses, de Larkin Building, het Yahara Boat House, de Untiy Temple, de woning van Thomas Gale in Oak Park, en zijn meesterwerk, de woning Falling Water in Bear Run in Pennsylvania - zullen een belangrijke rol spelen in de latere evolutie in de vormentaal van de moderne architectuur. De impact ervan in Europa laat zich alleszins al voelen na een tentoonstelling van Lloyds ontwerpen in 1910 in Berlijn.

Le toit-jardin

In Europa vinden al heel snel de eerste experimenten met het moderne platte dak plaats. Architecten zoals Wagner en Loos in Wenen, Perret en Sauvage in Parijs en Garnier in Lyon, zijn aanhangers van het moderne classicisme. Zij benutten de nieuwe technologieën om beter vorm te geven aan traditonele bouwideeën. Boeiender voor de evolutie van het platte dak zijn de werken van architecten die breken met conventies: Hennebique, Perret, Garnier, Sauvage, de Baudot, enzovoort. Zo is het werk van architect François Hennebique een rechtstreekse inspiratiebron voor die beruchte en beroemde architect van de twintigste eeuw, Le Corbusier. Zo is Hennebiques spinnerij in Tourcoing het allereerste gebouw op het Europese continent met een zichtbaar skelet van gewapend beton. Op het platte dak van zijn eigen huis in Bourg-la-Reine legde hij een tuin aan, inclusief boomgaard! Die idee, om het platte dak op te waarderen door middel van toegankelijke tuinen en terrassen, om externe leefruimten te creëren die een verlengstuk zijn van de woonvertrekken, vloeit voort uit de combinatie van verschillende factoren: de opkomst van de lift, het skelet in gewapend beton en die nieuwe woonvorm, die overwaaide uit de Verenigde Staten en typerend is voor de grote steden, met name het flatgebouw. Le Corbusier zal deze nieuwe architecturale esthetiek blijven hanteren, bijvoorbeeld in zijn Dom-Ino, een betonskeletstructuur van kolommen en platen, het constructieve concept van bijna al zijn villa's. In zijn artikel over de 'Theorie van de daktuin' verklaart hij dat 'het traditonele hellende dak afgedaan heeft, ten voordele van het platte dak, om redenen van comfort en gevoelswaarde. Het comfort, omdat een hellend dak niet geschikt is als dakbedekking sinds de uitvinding van de centrale verwarming; de gevoelswaarde, omdat de grond die ingenomen werd onder de woning, herwonnen werd op het dak, waar een tuin volop tot bloei kan komen in bloemen, heesters, bomen en gras'. Het 'toit-jardin' is een heel belangrijk onderdeel van zijn 'Cinq points d'une architecture nouvelle'.

Le Corbusier had met zijn platte daken ook de ambitie om met architectuur een nieuwe manier van wonen tot stand te brengen. Ze moest een nieuwe mens en een nieuwe maatschappij doen ontstaan. De Tweede Wereldoorlog zorgde echter voor een vertraging: de Moderne Architectuur, en het daarbij horende platte dak, werd door en in het Duitsland van het Derde Rijk volledig verguisd. Maar na de oorlog waagde de Moderne Architectuur haar kans opnieuw en werd de Internationale Stijl op grote schaal in de praktijk gebracht. Vandaag zijn de rijke en ambitieuze denkbeelden van de Moderne Beweging echter gebanaliseerd. De daktuin ging verloren als architecturaal, vormelijk en constructief concept, met daarbij de uitgesproken maatschappelijke dimensie van de nieuwe manier van leven en wonen. Wat België betreft: naoorlogse appartementsgebouwen, kantoren, fabrieken, scholen en zelfs kerken hebben, in een stedelijke of randstedelijke omgeving, vanzelfsprekend platte daken, maar ze zijn niet langer een uitdaging om woonkwaliteit of vormkwaliteit tot stand te brengen. De stedebouwkundige voorschriften spelen daarbij een belangrijke grote rol: ze steunen op de traditionele modellen met hellende daken en dakpannen en hele sociale woonwijken worden in die trant opgetrokken. Gelukkig dient er zich na de Tweede Wereldoorlog in België ook een jonge garde aan die zich verder verdiept in de verworvenheden van de Moderne Architectuur: Roger Bastin, Albert Bontridder, Renaat Braem, Peter Callebout, Jacques Dupuis, Paul Felix, Jozef Lietaert, Willy Van der Meeren. Ze richten hun architectonische ambities vooral op de privé-woningbouw, waarin ze naar meer menselijke, leefbare varianten zoeken van de modernistische schema's en types. In de beste gevallen is hun gebruik van een plat dak het resultaat van een doorgedreven vormonderzoek en niet zomaar een louter technisch-constructieve oplossing. Wat vaak voorkomt in de Belgische architectuur in de periode tussen 1945 en 1960 zijn licht hellende daken. Aan de buitenkant zijn ze een vijfde gevel, aan de binnenkant blijven ze vaak zichtbaar. Ze zijn er ook het eerste teken van dat er in ecologische zin gezocht wordt naar een manier om huizen in te passen in het landschap. Na de Wereldtentoonstelling van 1958 is te merken hoe vooral in de woningbouw buiten de stad verder wordt geëxperimenteerd met het platte dak en de daktuin. Architect Georges Baines ontwerpt in 1971 bijvoorbeeld een modulair woontype, dat vrijstaand of geschakeld kan worden gebouwd en met een hellend en een plat daken. Deze hybride dakvorm is daarbij het resultaat van het zoeken naar een continue ruimte, naar een aparte privacy voor ouders en kinderen. Dit dak kan ook aangepast worden aan elk stedebouwkundig voorschrift, aangezien het tegelijk horizontaal en hellend is. Op het dakterras van de Résidence Lucien Brull in Luik (uit 1962-1967) werd in 1975 een kinderkribbe gebouwd. Het klooster Magnificat in Westmalle (1966-1970) van architect Marc Dessauvage is een complexe terrasbouw: elke kloostercel heeft een ruim terras. Platte daken lijken in deze periode tussen 1960 en 1975 een evidente en ook technische oplossing te zijn geworden, die echter tevens de architecten in staat stelt om een interessante vormentaal te ontwikkelen.

Ook in de heel recente bouwperiode (tussen 1975 en nu) worden er verder hoopvolle signalen over het platte dak gegeven. In het boek 'Hedendaagse architectuur in België' (Tielt, 1995) maakt auteur Geert Bekaert gewag van enkele werken die als voorbode van een nieuwe aanpak kunnen worden beschouwd. Het is een incubatieperiode waarvan pas na 1985 de vruchten te zien zijn.

Platte daken zijn heel opvallend aanwezig in de Belgische architectuur van de laatste tien jaar. Het platte dak wordt weer herontdekt als buitenruimte, als woonruimte buiten, als balkon of dakterras of daktuin. Deze tekenen zijn bijvoorbeeld duidelijk te zien in het werk van de jonge garde architecten van nu: Ronny De Meyer en Lut Prims, Marie-José Van Hee, Stéphane Beel, Martine De Maeseneer en Dirk Van Den Brande, Xaveer De Geyter, Wim Cuyvers, Mauro Poponcini en Patrick Lootens, Eugeen Liebaut, Paul Robbrecht en Hilde Daem, Kris Mys, bOb van Reeth, Willem-Jan Neutelings... Toch moet men vaststellen dat er van een werkelijke geloofsbelijdenis à la Le Corbusier geen sprake meer is. Platte daken zijn geen prioriteit; men bekijkt ze als architecturale kwaliteit. En dan kan een plat dak gerust naast zijn hellende tegenhanger komen.

'De gevel van de hemel' is uitgegeven door Imperbel en werd geschreven door Thierry Lamy, François Nizet, Luc Verpoest, André Stevens, Roland Matthu, Eddy Vanzieleghem en Marc Gossé. Het boek is verkrijgbaar in alle betere boekhandels.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234