Donderdag 17/10/2019

Onderwijs

Deze econoom vindt IQ-tests in het onderwijs wél een goed idee: "Er gaat nu te veel talent verloren"

Econoom Andreas Tirez Beeld Eric de Mildt

Als we het IQ van leerlingen meten, dan kunnen we voorkomen dat intelligentere kinderen uit kansarme milieus uit de boot vallen. Dat stelt econoom Andreas Tirez. Hij begrijpt de kritiek op het N-VA-voorstel om IQ-testen in het onderwijs in te voeren dan ook niet.

Eind vorige week kreeg Koen Daniëls, onderwijsspecialist van N-VA de wind van voren toen hij zei dat we het gelijke kansenbeleid op school ook moeten afstemmen op de IQ’s van leerlingen. Het regende kritische reacties. Maar econoom Andreas Tirez, lid van de liberale denktank Liberales, begrijpt de scherpe reacties niet. “De IQ’s kunnen nuttig zijn om onze gelijke kansenmiddelen zo efficiënt mogelijk in te zetten.”

Heel wat specialisten hadden nochtans kritiek op de IQ-testen. Volgt u die kritiek dan niet?

“Deels wel. Met IQ-testen moet je oppassen. Dat weet iedereen. Ik ben geen expert in die testen, maar ze geven niet altijd een volledig correct beeld. Zo’n test meet goed wat je op die test hebt gedaan, en dat geeft dan weer een benadering van de aanleg van iemand. IQ-testen liggen ook nogal gevoelig, omdat de resultaten ervan in het verleden wel eens misbruikt werden. Als je een test maakt voor de blanke middenklasse, zal die er goed op scoren. We zullen dus heel goed moeten kijken naar welke test we ontwikkelen.”

“Maar de kritiek vorige week was dat het IQ meten op zich slecht is. Daar ben ik het niet mee eens. We moeten er voorzichtig mee omgaan ja. Maar het kan een goed middel zijn om de cognitieve vaardigheden, de aanleg dus van iemand, te meten. En die aanleg moeten we mee laten tellen in de evaluatie van hoe scholen met hun gelijke kansenbeleid omgaan.”

Een andere veel gehoorde kritiek was dat je kinderen met zo’n IQ-test gaat labellen.

“Dat doen we nu toch al? Nu wordt de socio-economische status van elk kind individueel bekeken. Een kind krijgt een score op basis van een aantal parameters, zoals thuistaal, opleidingsniveau van de moeder, het krijgen van een studiebeurs. Veel kinderen met een hoge score, betekent meer middelen voor de school.”

“Over die socio-economische situatie is ook discussie, want ook dat systeem is niet zaligmakend. We weten dat een laag opgeleide moeder en een andere thuistaal niet altijd automatisch kansarm betekent. En we meten hier ook op gezinsniveau, terwijl de verschillen tussen kinderen van eenzelfde gezin groot kunnen zijn. Maar we weten uit ervaring dat die score wel een goeie voorspeller is voor de kansen van een kind, ondanks de onvolkomenheden.”

“IQ meten is nog een betere voorspeller, zeker in combinatie met de socio-economische situatie. IQ meet fijner, individueler, beter dus. Dan is het toch raar dat we die paramater net niet zouden meenemen in het beleid?”

Omdat een IQ niet vastligt en ook wordt beïnvloed door de omgeving. Geen betrouwbare parameter dus.

“Natuurlijk kan het resultaat van een IQ-test variëren. Daar is genoeg onderzoek over. Als je kansarme gezinnen gaat ondersteunen, dan zie je dat de niet-cognitieve vaardigheden zoals zelfbeeld, doorzettingsvermogen, naar omhoog gaan. Maar ook de cognitieve stijgen, zeker als je een kind al van voor de leeftijd van 3 jaar ondersteunt. Alleen, je kan dat IQ wel niet oneindig gaan verbeteren natuurlijk. Daar zijn grenzen aan.”

U gaat er hier al meteen vanuit dat lage IQ’s vooral in kansarme gezinnen voorkomen. Cru gezegd: armen zijn vaker dom. Is dat niet een bocht te ver?

“Het is wel wat uit wetenschappelijke onderzoeken blijkt. Er is een significante kans dat je bij kinderen uit een kansrijk milieu een eerder hoog IQ aantreft en omgekeerd. Aanleg is namelijk voor een groot deel erfelijk. Bovendien is het waarschijnlijk dat hoger opgeleiden vaker trouwen met hoger opgeleiden. En lager opgeleiden met lager opgeleiden. Soort zoekt soort dus. Wellicht meer dan vroeger. Dat betekent wel dat de sociale ongelijkheid aan het stijgen is en dat het gelijke kansenbeleid op scholen minder impact zal hebben.”

“Waar ik voor pleit is dat we de IQ’s op z’n minst zouden moeten meten. Want meten is weten. En dan kunnen we twee extreme dingen te weten komen: ofwel stellen we vast dat alle kansarme kinderen een laag IQ hebben. Ofwel stellen we vast dat er kansarme kinderen zijn die een hoog IQ hebben maar er toch niet geraken. Ik ben overtuigd van dat laatste. We zullen veel kinderen detecteren die veel capaciteiten hebben maar die door hun socio-economische status gehinderd worden. En dat zal net de publieke steun voor het gelijkekansenbeleid versterken. Er gaat nu nog te veel talent verloren. Dat moeten we zien te vermijden.”

Maar wat doen we dan precies met die groep kansarme kinderen met een laag IQ? Moeten die dan ‘opgegeven’ worden?

“Er is hier geen sprake van opgeven of laten vallen. Daar gaat het niet over. Het gaat over de evaluatie van onze scholen. Als je gegevens hebt over de capaciteiten van de instroom, kan je beter bepalen of het kansenbeleid van een school al of niet faalt. Pas dan kan je weten of een school goed werk levert of niet. Heeft een school een instroom met hoge IQ’s en boekt ze toch slechte resultaten, dan weet je dat er iets mis is. Heeft een school een lagere instroom en boekt ze mindere resultaten, dan kan daar begrip voor zijn.”

En zullen er –binnen een sector waar voortdurend wordt bespaard- wellicht minder stimulansen zijn om die scholen en hun kinderen verder te gaan ondersteunen.

“Neen. Zoals ik al zei, daar gaat het niet om. Wat ik bedoel is dat een school maar kan werken met de instroom die ze binnenkrijgt. Als die instroom zwak is en de school boekt geen goeie resultaten, waaraan ligt dat dan? Aan het gelijke kansenbeleid dat faalt of aan de instroom? Ik wil hier vooral een pleidooi houden om de factor van de capaciteiten ook te laten meetellen. En daarvoor moeten we het eerst meten.”

En als we dan gemeten hebben, want doen we dan met die gegevens?

“Onze schaarse middelen efficiënter inzetten. Ook al besef ik dat efficiëntie voor veel mensen in zo’n belangrijk debat een vies woord is. Maar net omdat de ontwikkeling van onze kinderen zo’n belangrijke zaak is, vind ik efficiëntie des te belangrijker. En om efficiënt te zijn, moet je weten waar je welke middelen moet inzetten."

“Onze gelijke kansenbeleid heeft nu als doel iedereen gelijke kansen en liefst ook voldoende hoge kansen te geven, zodat iedereen ontwikkeld kan worden. Dan streef je dus naar een meritocratie, waarbij de sociaal-economische positie van elk individu gebaseerd is op zijn of haar verdiensten. Maar is dat dan zo rechtvaardig? Talent hebben is een kwestie van geluk. Geluk dat je ouders talent hadden, want talent is grotendeels erfelijk. Of geluk dat je talent het sociaal milieu waarin je zat kon neutraliseren. Met andere woorden: je hebt er nul verdienste aan.”

“Volgens mij kan zo’n meritocratie maar rechtvaardig zijn als er ook herverdeling is. Ben Bernanke (Amerikaans econoom en voormalig voorzitter van de Federale Reserve) zei het ooit mooi tegenover een groep van afgestudeerden van de Princeton University. Dat waren per definitie allemaal mensen met veel geluk, want ze hadden de capaciteiten en hun ouders het geld om de studie te betalen. Hij zei dat het maar rechtvaardig is dat zij nu hard gingen werken om veel te verdienen en hun succes te delen om zo het systeem mee te ondersteunen. Het zijn vooral de getalenteerden die kunnen en moeten zorgen dat er gezondheidszorg is, dat er woningen zijn, dat de veiligheid gegarandeerd wordt.”

“Als je dus je middelen efficiënter inzet om talenten meer te ontwikkelen, krijg je een rijkere samenleving waar ook de basisvoorzieningen beter zijn. Voor iedereen.”

Maar voor we in die ideale wereld van een rijke samenleving vol herverdelers zitten, blijft toch de vraag: wat doen met die kinderen met weinig aanleg? Krijg je zo geen groep kinderen waarvan wordt gezegd: wat moeten we daar mee?

“En hebben we die nu dan niet?”

“We moeten af van het idee dat ze allemaal universitairen moeten worden. We hebben het hier nu de hele tijd over IQ en dus cognitieve vaardigheden. Maar er zijn zoveel andere vaardigheden die ook belangrijk zijn. Is het dan zo’n probleem dat ze niet allemaal hoger opgeleid zullen geraken? Wat is het probleem? Misschien wel dat wij als maatschappij hen onvoldoende appreciëren.”

“Maar daar gaat het hier niet over. Wel over aanleg zo goed mogelijk te laten ontwikkelen, ongeacht het sociaal milieu. Want er gaat nu veel talent verloren.” 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234