Vrijdag 13/12/2019

Tweede Wereldoorlog

Deze Belg reisde vrijwillig naar Auschwitz

Armée Belge des Partisans, staat er te ­lezen. Het is Victor Martins lidkaart van het verzet. Beeld Alexander D'Hiet

Begin 1943 reisde de Belg Victor Martin in zijn eentje naar Auschwitz. Hij belandde in een naziwerkkamp, wist te ontsnappen en schreef ’s werelds allereerste ooggetuigenverslag. "Het is niet te vatten. Tienduizenden mensen danken hun leven aan hem, en niemand kent hem."

Er zitten vijf A4-velletjes in het mapje. De bode in de leeszaal verzoekt om er voorzichtig mee om te gaan.

Het document is niet zo oud, het is ook niet het origineel. Het originele rapport is in 1956 van hieruit overgebracht naar het Yad Vashem-instituut in Jerusalem. De stempel en de handtekening onderaan deze kopie voeden de indruk dat de auteur liever had gezien dat het hier was blijven liggen, in Londen.

Volgens wat te begrijpen valt, heeft Victor Martin op z’n oude dag het origineel thuis op zijn schrijfmachine zitten overtypen om het daarna hier naartoe te sturen. De stempel zegt: ‘Gezien door ons, burgemeester van Thonon-les-Bains. Ter legalisering van de handtekening van de heer Martin Victor. 24 juni 1980.’

Rechts: zijn handtekening. V. Martin, een krul.

Je kunt je enkel verbeelden wat voor gesprek hieraan is voorafgegaan. Victor Martin is dan 68 jaar. De Belg geniet van zijn pensioen in Thonon-les-Bains, in de Franse Haute Savoie. Daar meldt hij zich in 1980 met zijn vijf A4’tjes bij de burgemeester. Hij wil iets officieels, een stempel. Iets dat attesteert dat dit zijn handtekening is. Je verbeeldt je de burgemeester die vraagt waarom de goede man meent te moeten denken dat iemand dat ooit zou betwisten.

De man die zegt: “Dit is mijn rapport over mijn geheime reis naar Auschwitz, mei 1943.”

Jodentreinen

De Franse historicus Bernard Krouck, een van de weinigen die zich ooit voor het personage interesseerde, beschrijft Victor Martin als klein en introvert. Holle en uitpuilende ogen, flaporen. “Hij had weinig succes bij de vrouwen. Vergis u niet, dat heeft een rol gespeeld in deze zaak.”

We beginnen te lezen.

Victor Martin schrijft over zichzelf in de derde persoon. Zakelijk, punctueel, bloedernstig. Hij beschrijft een ontmoeting in Brussel met Ghert Jospa, leider van het Comité de Défense des Juifs (CDJ) bij het Onafhankelijkheidsfront (OF) in Brussel. Het is oktober 1942. Sinds 1 juni van dat jaar zijn Belgische Joden door de nazibezetter verplicht om de gele ster te dragen. Er volgen oproepingen om zich te melden in de Dossin-kazerne in Mechelen, waar op 4 augustus 1942 een eerste konvooi met 999 Joden per trein is vertrokken naar een onbekende bestemming.

Het is de zomer van de politierazzia’s in Antwerpen. De realiteit achter Wil, het boek van Jeroen Olyslaegers. Wekelijks vertrekken konvooien met een duizendtal Joden. Net als in Wil heeft de modale Belg er het raden naar waar naartoe.

Bernard Krouck: “Er was eind 1942 een bericht in The New York Times, over massa-executies en vergassingen, maar buiten een enkeling bereikte die informatie de bezette gebieden niet. Mensen hadden hun eigen zorgen.”

Victor Martin schrijft: “Waar bracht men deze ongelukkigen naartoe? Wat werd er van hen? Ziedaar wat diende achterhaald. De inlichtingen waarover het Onafhankelijkheidsfront beschikte, spraken over Opper-Silezië en de stad Auschwitz.”

Naar Polen

Victor Martin, 29 jaar oud, was niet voorbestemd als verzetsheld. Hij is in zijn dorp, het Henegouwse Blaton, de enige van zijn jaar die was gaan studeren. Sociologie, in Leuven. Over zichzelf schrijft hij, consequent in de derde persoon: “Martin sprak perfect Duits. Zijn thesis had hem voor de oorlog naar Duitsland gebracht. Hij had er contacten in universitaire milieus.”

Hij trekt naar een cultureel centrum van de nazi’s in Brussel, komt er met een verhaal over een professor die hij wil gaan bezoeken in Keulen en krijgt een paspoort en een visum. Op 4 februari 1943 stapt hij op de trein in Brussel-Noord. Hij bezoekt in Keulen zijn professor en begint aan een 1.000 kilometer lange undercover treinreis doorheen nazi-Duitsland, via Breslau tot in de Poolse stad Sosnowiec. Hij ontmoet er in het lokale getto Joodse families.

Hij schrijft, derde persoon: “Zij vertelden hem alles wat ze wisten over het concentratiekamp dat niet ver daar vandaan was gebouwd, in Auschwitz. Ze brachten hem in contact met een Belg die per uitzonderingsmaatregel in het ziekenhuis Sosnowiec was opgenomen, en zelf in het kamp van Auschwitz werkte. In Auschwitz werden ze gesplitst in twee groepen. Mannen en vrouwen aan de ene kant, de ouderen, zieken, invaliden, kinderen, kortom al wie geen fysieke arbeid kon leveren, aan de andere. De eersten werkten in afzonderlijke kampen, de anderen heeft men nooit meer teruggezien. Alles wijst erop dat zij tot de laatste zijn uitgeroeid volgens een nog onbekende techniek.”

Het huis van Victor Martin in Bernissart, Quartier de la Gare. Beeld Alexander D'Hiet

Het is voorjaar 1943. Victor Martin wordt verondersteld om terug te keren en verslag uit te brengen. Zijn visum verloopt. Maar het knaagt. Kort na de oorlog zegt hij in een interview met een verzetskrantje: “Ik moet toegeven dat ik sceptisch was. De Jood, geobsedeerd door eeuwenlange vervolgingen, moésten wel overdrijven.”

Hij schrijft, derde persoon: “Martin wilde niet naar België terugkeren zonder een laatste poging te betrachten ter verificatie van de feiten die, indien reëel, alles wat men vreesde over het lot van de Joden oversteeg.”

Hij trekt naar Katowice, vlakbij Auschwitz. In een café ontmoet hij een groep arbeiders uit het Franse Firminy. Zij kunnen zich in de industriële zone rond het kamp vrij bewegen en staan in contact met de gevangenen. Victor Martin geeft rondjes en tongen komen los.

Hij schrijft: “Ze nodigen hem (hijzelf, DDC) uit om eens te komen kijken.”

Hoe lang hij rond de kampen van Auschwitz 1 en Auschwitz-Birkenau is blijven rondhangen, weten we niet. Hij schrijft dat hij een paar keer tot aan de prikkeldraad en de bareel is geslopen, maar put zijn informatie vooral uit gesprekken.

Het rapport-Martin: “Hij beleeft en verneemt veel dingen. Dat de Duitsers in het centrum van Auschwitz een crematorium hebben gebouwd met een capaciteit van 2.000 tot 3.000 personen en dat het vuur dag en nacht brandt. 24 uur op 24 uur komen er zwarte rookpluimen en vlammen uit de hoge schoorsteen. Elke nacht komen er treinen aan vol Joden. Dit is allemaal geweten in de regio. Er gaan geruchten over de aankomst – altijd ’s nachts – van konvooien met vrouwen en wenende kinderen die men daarna nooit meer ziet. Dit zou de nooit stoppende activiteit verklaren van de gigantische oven van het kamp. De oven zou functioneren als instrument voor systematische uitroeiing.”

Verklikt

Tot midden 1942 is Auschwitz een “gewoon” concentratiekamp. Met een dodelijk regime van slavenarbeid en ondervoeding. In het basiskamp is er één crematorium met een capaciteit van 340 lichamen per dag. Eind 1942 is in het nieuwe kamp Auschwitz-Birkenau gestart met de bouw van de eerste echte moordfabriek: Crematorium II. Een geheel van gaskamers waarin de slachtoffers worden verstikt met Zyklon B en daarna afgevoerd naar de moffels van de oven, nu met een capaciteit van 1.440 lichamen per dag.

Historici situeren de eerste testen met Crematorium II op donderdag 4 maart 1943 en de start van de routineuze massamoorden twee weken later. Bernard Krouck: “Ik ga er vanuit dat hij daar eind maart, april 1943 is geweest. Eigenlijk juist aan het begin. Naoorlogse getuigenissen van mensen in die regio leren ons dat dit in die eerste weken hét gespreksonderwerp was. Die enorme schoorsteen, de rookpluimen die je tot in een straal van twintig kilometer kon zien.”

Martin beschrijft hoe hij op een dag met al zijn vragen het wantrouwen wekt bij een Franse arbeider. Hij besluit te vertrekken. Neemt de trein naar Breslau, 250 kilometer westwaarts. Hij wordt er opgepakt door de Gestapo en wat later in een verhoorlokaal geconfronteerd met de arbeider. “Hij had duidelijk spijt”, schrijft Martin. “Hij deed er alles aan om zijn eerdere verklaringen af te zwakken.”

Industriële spion

De nazi’s laten hem niet gaan. Hij wordt beschouwd als mogelijke industriële spion. Zijn paspoort wordt afgepakt en hij belandt in een werkkamp in Redwitz.

Bernard Krouck: “Hij kreeg te horen dat hij er tot het eind van de oorlog zou moeten blijven, maar wist te ontsnappen. Hij was klein, onopvallend. Hij glipte op de een of andere manier overal doorheen, wist zich met zijn perfecte Duits uit elke situatie te lullen. Het is hem gelukt om zonder paspoort in een trein naar Aken te stappen. In mei 1943 is hij in de bossen van Malmédy de grens overgestoken. Hij is naar Brussel getrokken en beginnen te typen.”

Het nieuws verspreidt zich onder Belgische verzetsmensen als een vuurtje, onder andere met een artikel in het verzetskrantje Le Flambeau. SS en Gestapo beginnen een klopjacht op de bron. Ze kunnen tijdens een huiszoeking bij een verzetslid ook een kopie van het rapport bemachtigen. Bernard Krouck: “Hij is in de zomer van 1943 opgepakt, als verzetsman, en heeft in het Nederlandse kamp Vught gezeten. Door rivaliteit onder hun eigen inlichtingendiensten hebben de Duitsers hem nooit kunnen verbinden met zijn rapport.”

We raakten allemaal ooit ontroerd door Schindler’s List, de film over de Duitse industrieel die meer dan 1.000 Joden van de gaskamers redde. Hoeveel mensen hun leven danken aan Victor Martin, valt niet te becijferen.

Startsein

Bernard Krouck: “Zijn rapport was het startsein voor een ongezien fenomeen in die hele oorlog. Als enige landje in bezet Europa kwam België in actie. Meer dan drieduizend Joodse kinderen zijn onder valse namen verstopt bij gastgezinnen. Alleen al dat. Je zou kunnen zeggen dat het rapport-Martin voor de mensen van het verzet de beslissende boost heeft gegeven. In die kringen was er nu haast niemand meer die nog twijfelde aan de bestemming van die treinen.”

Kort na de verspreiding van het rapport-Martin beslist Antoine Delfosse, de minister van Justitie in Londen, om het CDJ financieel te steunen. Zonder dat geld zou het volgens historica Anne Roekens in haar boek Gewillig België nooit zijn gelukt om 3.000 – volgens sommige bronnen zelfs 4.500 – Joodse kinderen te doen onderduiken.

Andrée Guelen, die in 1943 de grote onderduikoperatie mee organiseert, zegt in een interview in 2010: “Die mensen (Joden, DDC) werden, voor zo ver wij tot dan toe wisten, gedeporteerd naar werkkampen. Dat vonden wij al erg genoeg. Nu sprak Victor Martin over crematoria. Wij hebben toen beseft: geen enkele Jood mag nog vertrekken. En zeker geen enkel kind.”

Na mei 1943 duiken Joden massaal onder en beginnen de deportaties vanuit de Dossin-kazerne te sputteren. Op 31 juli 1943 vertrekt nog een trein met 1.563 mensen, op 20 september 1943 nog een met 639 en op 15 januari 1944 nog een met 659. In Nederland worden volgens schrijfster Anne Roekens 107.000 op een totaal van 140.000 Joden gedecimeerd. In België zijn het er 25.000 op een totaal van 70.000.

Bernard Krouck: “Bijna twee op de drie Joden in België hebben de oorlog overleefd, tegenover een op de vier in Nederland. Het is niet te vatten. Duizenden mensen, tienduizenden, danken hun leven aan dat ene kleine mannetje met zijn hoedje, zijn flaporen en zijn brilletje, en niemand kent hem.”

Liefdesverdriet

De geschiedschrijving beschouwt tot vandaag de Pool Jan Karski als klokkenluider van de holocaust. Hij kwam eind 1942 in New York met het eerste ooggetuigenverslag over het getto van Warschau en het kamp van Bełżec – al bleek achteraf dat hij daar nooit is geweest. Na Karski kwam het Joods-Slovaakse duo Alfred Wetzler en Rudolf Vrba. Zij wisten in april 1944 te ontsnappen uit Auschwitz en publiceerden het Wetzler-Vrba-rapport, met schetsen van gaskamers en crematoria.

“Een jaar na Victor Martin”, merkt Krouck op. “En natuurlijk, hun rapport was veel gedetailleerder en had veel meer impact, logisch. Victor Martin is wel vrijwillig naar daar gegaan. Ik vermoed dat die stempel van de burgemeester zijn laatste poging is geweest tot iets als erkenning. Hij is in 1989 overleden. Met geen van zijn drie kinderen heeft hij ooit gesproken over zijn geheime missie. Dat er in 1999 in Blaton een pleintje naar hem is vernoemd, heeft hij nooit geweten.”

Nadat Franse uitgevers er niet direct iets in zagen, publiceerde Krouck in 1995 zijn boek over Martin bij een klein Waals uitgeverijtje, Les Eperonniers, dat meteen daarna failliet ging. “De stocks zijn vernietigd”, zucht hij. “Hier en daar circuleert ergens nog een verdwaald exemplaar, maar het boek is nooit gepubliceerd. Een beetje frustrerend, oké, maar dat is niets in vergelijking met hoe de man zelf zich moet hebben gevoeld.”

Ooit werd een boek geschreven over Victor Martin. Helaas circuleren er nog maar enkele exemplaren van. Beeld Alexander D'Hiet

In 2001 werd er een 52 minuten durende documentaire gedraaid, La Mission de Victor Martin. Die werd laat in de nacht uitgezonden op La Huit.

Bernard Krouck: “Daar is toch wat reactie op gekomen. Het was mij altijd een raadsel wat de motivatie kon zijn geweest van die kleine academicus om zoiets waanzinnigs te ondernemen. Het was echt een zelfmoordmissie hoor, de kans dat hij levend zou terugkeren was vooraf erg klein ingeschat.”

“Na de première in een filmzaaltje in Brussel werd ik aangesproken door een oude man. Hij vertelde me over zijn tante, die in 1940 het eerste liefje was geweest van Victor Martin. Ik ben dat gaan natrekken en het bleek allemaal te kloppen. Op zijn negenentwintigste had hij zijn eerste lief: die tante. Hij was smoorverliefd op haar. Op 10 mei 1940, dag 1 van de Duitse invasie, is zij om het leven gekomen bij een Duits bombardement.”

“Opeens begreep ik alles.”

Morgen: Bronia Veitch, joods onderduik-kind nummer 122

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234