Woensdag 26/06/2019

Interview

Deze architecten bepleiten radicale ommezwaai: "Het duurzaamste gebouw is het gebouw dat je niet bouwt"

RE-ST-architecten Dimitri Minten (l.) en Tim Vekemans. 'Voor je begint met bouwen, moet je eerst onderzoeken of niet-bouwen een optie is.' Beeld Bob Van Mol

Wat als de tienduizenden bezoekers die straks naar Batibouw trekken níét zouden bouwen? Het klinkt als een grap, maar architecten Tim Vekemans en Dimitri Minten van RE-ST hebben van niet-bouwen hun businessmodel gemaakt. "Zestig procent van onze woningvoorraad is onderbenut."

De architecten van RE-ST houden kantoor in de Antwerpse stationsbuurt. Uiteraard doen ze dat in een gebouw dat ze niet hebben gebouwd en dat ze delen met andere bedrijven. Maar niet lang meer: ze zijn op zoek naar een nieuwe plek. Ze dromen van een kerk – qua onderbenutting wel erg symbolisch. Volgens Tim Vekemans zijn er 1.860 parochiekerken in Vlaanderen, waarvan er veel bedreigd zijn met ­leegstand. Keuze genoeg.

Met zijn vennoot Dimitri Minten heeft Vekemans er een missie van gemaakt eigenaars van gebouwen ervan te overtuigen hun ruimte zo efficiënt mogelijk te gebruiken, en wat ze te veel hebben ter beschikking van anderen te stellen.

“Architecten beantwoorden een ruimtelijke vraag altijd met een gebouw”, zegt Dimitri Minten. “Wij zijn tot het besef gekomen dat mensen die een beroep op ons doen in de eerste plaats een ruimtelijke behoefte hebben. Wij vinden dat je die behoefte niet altijd met gebouwen moet beantwoorden. Voor je begint met bouwen, moet je eerst onderzoeken of niet-bouwen een optie is.”

Niet-bouwen klinkt als een provocatie. Jullie geven de indruk tegen je eigen winkel te spreken.

Minten: “Het is nochtans niet nieuw: architect en kunstenaar Luc Deleu benoemde het niet-bouwen al in de jaren 70, toen de bouwwoede in ons land hoogtij vierde. Toch hebben veel mensen het er nog altijd moeilijk mee. De eerste gesprekken met een architect gaan vaak over het percentage dat hij of zij krijgt om het ontwerp te bouwen. Wij willen het eerst hebben over de ruimtelijke behoefte van onze opdrachtgevers. Het duurzaamste gebouw is het gebouw dat je niet bouwt.”

Hoe kun je als architect leven van niet-bouwen?

Vekemans: “Het is niet zo dat we met RE-ST nooit bouwen. Als een bouwvraag terecht is, dan bouwen we. We doen veel huisvestingsprojecten, omdat er nood is aan goede collectieve huis­vesting.”

Minten: “Een van de tactieken van niet-bouwen is restaureren, renoveren en ­her­bestemmen. Er zijn veel manieren om een bestaand patrimonium nieuw leven in te blazen.”

Dat staat haaks op de baksteen die veel Belgen in de maag hebben. Jullie beogen niets minder dan een mindshift.

Minten: “De baksteen in de maag is ook maar het resultaat van een mindshift in de jaren 60 en 70. Na de Tweede Wereldoorlog was er grote woningnood. We hebben toen beslist eigendom te stimuleren en massaal gronden ter beschikking te stellen aan de ­mensen, zodat iedereen zijn eigen huis kon bouwen. Het woning­aanbod vandaag is een erfenis van die periode. Er is een enorme gebouwenvoorraad. De Vlaamse Bouwmeester heeft berekend dat we met ons huidig ruimtebeslag in Vlaanderen 17 miljoen mensen kunnen huisvesten.”

Vekemans: “Niet-bouwen kadert in het debat over duurzaamheid. In Vlaanderen wonen we hopeloos verspreid – overal en nergens. Het gevolg: fileproblemen, een slinkende biodiversiteit en een dalende luchtkwaliteit. De baksteen ligt ons vooral óp de maag.”

Over duurzaamheid gesproken: jullie willen een stap verder gaan dan de betonstop van de Vlaamse regering en een bouwstop afkondigen.

Vekemans: “De betonstop is een foutief begrip. Eigenlijk gaat het over een grondstop – we hebben afgesproken dat we vanaf 2040 geen grond meer innemen. Een bouwstop betekent dat je geen kubieke meters meer toevoegt zonder dat de ruimtelijke balans op termijn in evenwicht kan komen. Meer dan 60 procent van onze woningvoorraad is onderbenut, dat betekent gemiddeld twee of meer slaapkamers op overschot. Leegstand kennen we, dat is een helder begrip. Maar over onderbenutting spreken we niet. We hebben nood aan een overzicht. Noem het een ruimtelijke radiografie: welke ruimte hebben we al en hoe gebruiken we die?”

Op het gebrek aan kennis over het gebruik van onze ruimte hebben jullie een term geplakt: zwerfruimte.

Vekemans: “We moeten de onderbenutting in cijfers gieten, zodat we weten waarover we praten. Er bestaan wel leegstandskaarten, maar geen onderbenuttingskaarten. Zwerfruimte in kaart brengen is niet ­simpel: het gaat over onze eigendom. Een kleine kmo met een veel te groot bedrijfsgebouw heeft niet per definitie de behoefte zijn ruimte te delen met een collega-ondernemer, ook al zou dat inkomsten kunnen genereren. Vaak zijn we er ons gewoon niet van bewust, of liggen we er niet wakker van. Een Vlaams gezin met twee slaapkamers te veel: so what?”

Hoe maak je onderbenutte ruimte ­zichtbaar?

Vekemans: “Door goed te kijken naar hoe mensen een gebouw gebruiken. In Hoogstraten restaureren we momenteel het Klein Seminarie. Aanvankelijk had de school plannen om een nieuwbouwvolume te voorzien. Maar na onderzoek zijn we tot de vaststelling gekomen dat de school nog veel ruimte heeft die onderbenut bleef. Vroeger waren er 450 internaatleerlingen, nu nog maar 150, waardoor de infrastructuur niet meer op maat is van de huidige werking. De school heeft een van de grootste speelplaatsen in Vlaanderen, terwijl Hoogstraten geen plein heeft. Als we brede scholen willen, dan kunnen speelplaatsen dorpspleinen worden, en omgekeerd.”

Minten: “De school heeft een kapel die amper werd gebruikt. Hoogstraten heeft geen cultureel centrum. Helaas is er voorlopig geen geld om de kapel te restaureren, dus hebben we de stad en de school bij elkaar gebracht en hen gevraagd na te denken over hoe ze de kapel samen kunnen gebruiken. Dat zoiets kon, hadden we bewezen met een projectweek in de kapel. In de leraars­kamer hadden we een blad opgehangen waarop elke leerkracht zijn naam kon invullen, met een bijbehorende activiteit. De kapel is die week intensief gebruikt: er was een capoeira-sessie, een concert, er werden lessen gegeven, een seminarie, er vond zelfs een modeshow plaats. Plots beseften leerlingen en leerkrachten dat ze over een ruimte beschikken die voor veel inzetbaar is. De stad heeft dan misschien geen cultureel centrum, maar ze heeft er wel een ruimte voor cultuur bij gekregen.”

Vekemans: “Het is een zacht verhaal waarbij we mensen bewustmaken. Cijfers kunnen daarbij helpen. Dat hebben we onlangs gedaan met de architectuurstudenten van de UHasselt, waar Dimitri en ik lesgeven. Een maand lang hebben we het lokalengebruik van een vleugel van de universiteit geanalyseerd op basis van de beschikbare uurroosters. Wel, bijna alle 205 lokalen kleurden rood – het signaal dat ze minder dan 30 procent van de tijd gebruikt worden.”

Minten: “Als we een nieuwbouwschool tekenen, moeten we de ruimtes zo ontwerpen dat 80 procent van de lokalen altijd gebruikt wordt. Mogelijk staan in meer universiteiten de lokalen voor 70 procent leeg.”

Vekemans: “Toch blijven we, ook in onze scholen, denken dat we te weinig ruimte hebben, terwijl we geen zicht hebben op hoe we de huidige ruimte gebruiken. Rectoren ­zullen wellicht wekelijks te horen krijgen dat er te weinig lokalen zijn. Onderzoek naar onderbenutting kan erg confronterend zijn, maar het helpt om onze ruimte beter te maken. We hebben gewoon te veel ruimte.”

Vandaar jullie oproep om voortaan ­ruimte­neutraal te bouwen. Wat betekent dat precies?

Minten: “Simpel: dat je geen kubieke meters bijbouwt, tenzij je er elders wegneemt. In Europa hebben gebouwen een doorlooptijd van 70 jaar, daarna moeten ze vervangen worden. Het is belangrijk dat we goed nadenken over welke gebouwen we gaan vervangen. Soms staan ze op plekken waar ze niet thuishoren. Misschien is het tijd om die bakstenen te verplaatsen naar minder auto-afhankelijke plaatsen, of in de richting van stations.”

Vekemans: “Een andere tactiek van niet-bouwen is slopen. In sommige gebouwen moeten we niet meer investeren, die gaan we moeten afstoten. Daar ligt een nog grotere opdracht: wat houden we, wat gaan we niet meer gebruiken?”

Jullie stellen ook een overmaatbelasting voor. Hoe zien jullie dat praktisch? Moeten mensen samen met hun bouwaanvraag ook een kinderplan indienen om het aantal slaapkamers te verantwoorden?

Minten: “Het is de bedoeling dat mensen gaan nadenken over de ruimte die ze innemen. De vraag is of de overheid dat moet ­stimuleren of afstraffen en dus belasten. Momenteel betalen we al een belasting op onze overmaat, zonder dat we dat beseffen. De kostprijs van ons versnipperd wonen en werken wordt doorgerekend op verschillende facturen, zoals het beheer van ons wegennet, onze mobiliteitskosten, onze energiefactuur.”

Vekemans: “We denken dat het beter is dat je mensen beloont als ze onderbenutte ruimte delen.”

Als we gebouwen gaan slopen of verplaatsen om opnieuw ruimte te creëren, dan moet je mensen hun grond afnemen.

Minten: “Dat is een taboe, we beseffen dat. Voor een Vlaming is zijn eigendom heilig. De meesten van ons zijn allemaal eigenaar, ikzelf incluis – we willen woonzekerheid. Maar op termijn zullen we onze eigendomsstructuur ter discussie moeten stellen.”

Vekemans: “Eigendom als investeringsmodel is fragiel. De zekerheid dat eigendom straks per definitie een financiële meerwaarde zal hebben, is er niet meer. Er zijn veel vrijstaande en te grote woningen die we moeilijker zullen kwijtraken aan onze volgende generaties – kijk maar naar de villa van de Pfaffs. Sowieso kan amper 15 procent van de jonge koppels zich nog een nieuwbouwwoning veroorloven. Logisch: bouwgrond kost tussen 150.000 en 200.000 euro, een woning gaat van 250.000 tot 400.000 euro. Welke tweeverdieners kunnen dat aan en zijn bereid daar 30 jaar voor te betalen? De volgende generaties willen of kunnen zich niet meer belasten met hypotheken. Dat is niet meer van deze tijd.”

Tim Vekemans: 'Een andere tactiek van niet-bouwen is slopen. In sommige gebouwen moeten we niet meer investeren, die gaan we moeten afstoten.' Beeld Bob Van Mol

Wonen in de toekomst zal gebeuren ­zonder eigendom?

Minten: “We zullen in andere structuren moeten gaan denken. In de toekomst koop je geen bak­stenen, maar woonzekerheid in de vorm van aandelen binnen een woon­coöperatie. In het begin koop je een beperkt aantal aandelen, voldoende om een studentenkot te kunnen betrekken. In de volgende fase van je leven, wanneer je meer ruimte nodig hebt omdat je gaat samenwonen of kinderen krijgt, kun je met diezelfde aandelen een grotere woning verwerven, want je hebt gespaard. Daarna wil je misschien ­kleiner gaan wonen omdat je gaat scheiden of omdat de kinderen het huis uit zijn. En op het einde van je leven kun je naar een serviceflat verhuizen – allemaal binnen dezelfde woningcoöperatie. Dat systeem bestaat al in Zwitserland, Oostenrijk en Duits­land.”

Vekemans: “De toekomst staat ook in het teken van betaalbaar wonen. Dat betekent dat we kleiner gaan wonen, maar ook dichter bij centra.”

Het lijkt alsof er in deze discussie maar één groep geviseerd wordt: de mensen die op het platteland wonen. Die worden naar de stad gejaagd zonder dat ze daarom vragen.

Vekemans: “Dat is zeker niet het geval.”

Volgens de Vlaamse Bouwmeester moeten we allemaal in steden en kernen gaan wonen. ‘Nu nog vrijstaand bouwen is crimineel.’ Klimaatspecialisten pleiten voor woontorens, zelfs in dorpen, als een soort van landmark. Worden we straks allemaal in appartementen gestopt?

Vekemans: “Neen. De Bouwmeester pleit ook voor hoge dichtheden en dat kun je evengoed realiseren met een rijwoning. De woningmarkt produceert vandaag te weinig kwalitatieve, betaalbare rijwoningen. Terwijl die rijwoning beter aansluit bij de gemiddelde woonwens van de Vlaming.”

Dimitri Minten: 'We zullen in andere structuren moeten gaan denken. In de toekomst koop je geen bak­stenen, maar woonzekerheid in de vorm van aandelen binnen een woon­coöperatie.' Beeld Bob Van Mol

Minten: “De klassieke verkavelingen die in de jaren 60 en 70 ontstaan zijn, tellen 15 tot 20 woningen per hectare. Maar je kunt een nog grotere kwaliteit genereren rond de 30, 35 woningen per hectare zonder dat je daarom naar vier of vijf bouwlagen moet gaan.”

Vekemans: “Er zijn veel verkavelingen die aan de stadsrand liggen, dicht bij het openbaar vervoer en bij andere voorzieningen, die vatbaar zijn voor verdichting. Je kunt er entiteiten toevoegen door twee, drie woningen weg te nemen en te vervangen door vijf of zes huizen.”

Wat moet er met kerkdorpen gebeuren? Laten leeglopen?

Vekemans: “Dat is al aan het gebeuren. Mensen vinden het niet meer hun ideale woonplek: er is geen winkel, geen crèche, geen sportmogelijkheid. De Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) heeft een knooppuntenkaart ­ontwikkeld waaruit blijkt dat er kerkdorpen zijn die we de volgende eeuw moeten ­opgeven omdat ze te slecht gelegen zijn.”

Minten: “De vraag is of we dat laten gebeuren en die mensen aan hun lot over­laten. Of doen we het begeleid en versneld, zodat het verzacht kan worden?”

Uit een enquête van het vakblad Ik ga bouwen, dat peilde naar de woonplannen van zijn lezers in 2018, blijkt dat 48 procent in een vrijstaand huis woont of ervan droomt. Wie verhuist, wil een huis met een tuin die grenst aan een natuurgebied of met een waterloop in de buurt. Mensen willen nog altijd in het groen wonen.

Vekemans: “Dat kan en dat zal ook gebeuren. Maar we zullen kritischer moeten zijn voor de plekken waar we die woonwensen realiseren. De woonvormen zullen ook compacter zijn – dat wil zeggen geen vrijstaande woningen meer op een perceel van 10 are. Die voetafdruk is gewoon te groot. We moeten de Vlaming uitleggen dat als je niet nadenkt over locatie, dat ons veel geld kost. We kunnen niet overal openbaar ­vervoer garanderen en eindeloos wegen blijven aanleggen.”

Minten: “Aan de andere kant moet de overheid zich ook engageren om de openbare ruimte kwalitatiever te maken. Die zal immers bepalen wat de kwaliteit is van de woningen die errond staan. Als er voldoende parkjes zijn, speelvoorzieningen, parkeerplekken, winkels, een school, een bakker… dan is het goed om er te wonen. In te veel steden zijn die voorzieningen er niet meer of zijn ze verwaarloosd. Mensen ­redeneren: als de overheid ons geen parken geeft en geen kwaliteitsvolle publieke ruimte, dan gaan we die in onze eigen tuin zoeken. Dus is de vraag: gaan we ons geld in wegen steken of in parken? Gaan we het geven aan mensen die aan groenbeheer doen of die de weginfrastructuur onderhouden? Dat is de keuze die we vandaag hebben.”

Wat met onze typisch Vlaamse ­lint­bebouwing?

Minten: “Als je de Ferrariskaart (gedetailleerde kaart van de Oostenrijkse Neder­landen, red.) bekijkt van Vlaanderen in de 18de eeuw, dan zie je dat we toen al een ­netwerk hadden van linten tussen ­verschillende dorpen. Maar naast die ­historische linten zijn er ook linten uit de jaren 60 en 70, en andere, toevallig ontstane linten. We moeten zien welke linten zinvol zijn – meestal zijn het die van de Ferraris­kaart. Die moeten we versterken en verdichten, andere linten moeten we doorknippen.

Op sommige plekken moeten we zelfs ‘ont­linten’.”

Vekemans: “Stoppen met linten maken klinkt logisch, maar dat is het niet. Vlaanderen heeft in het begin van deze eeuw de afwerkingsregel in het leven geroepen, waardoor het is toegestaan dat we wachtgevels – de onbebouwde kant van een woning – afwerken. Architecten mogen er met andere woorden een huis tegen bouwen, ongeacht of het om woongebied gaat of niet. Veel van die wachtgevels liggen langs linten, waardoor de afwerkingsregel in feite lintbebouwing stimuleert.

“Een lintwoning is sowieso een voorbij­gestreefd type. We moeten geen woningen meer bouwen die afhankelijk zijn van de auto. En weg met de afwerkingsregel. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want als er naast een huis een perceel ligt dat 150.000 euro waard is, dan is dat van de ene op de andere dag niets meer waard.”

Gaan mensen daarvoor vergoed worden?

Vekemans: “Als je grondwaardevermindering realiseert door te beslissen op bepaalde plaatsen niet meer te bouwen, dan moet je mensen daarvoor compenseren. Dat geld kan komen van de plekken waar je extra ontwikkelingsrechten realiseert.”

Beseffen jullie hoe ingrijpend jullie ­plannen zijn?

Vekemans: “Het gaat hierom: als we voortdoen zoals we bezig zijn met onze bouw­verslaving, dan gaan we ons vastrijden. We bouwen te veel en denken te weinig na over de neveneffecten. Het lijkt alsof we het gevoel hebben dat de materialen die we nodig hebben om te bouwen oneindig zijn, maar dat is niet zo. We zijn er ons onvoldoende van bewust dat de gebouwenvoorraad in Vlaanderen onze grootste grondstof is. We kunnen niet gebouwen blijven produceren alsof het allemaal niet uitmaakt. Wij willen bijdragen tot reflectie. Dat is geen pleidooi voor stilstand, maar voor een ­resetknop.”

Minten: “Met ons niet-bouwen richten we ons niet tegen de bouweconomie. Die gaan we nu en in de toekomst nodig hebben om onaangepaste gebouwen te vervangen of te verplaatsen naar betere locaties en andere gebouwen te renoveren. De bouwsector zal zich de komende 20, 30 jaar moeten heruitvinden. Net zoals wij dat elke dag proberen te doen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden