Vrijdag 27/01/2023

Designer

'Het zoeken naar nieuwigheden ligt helemaal op z'n gat, men begint gewoon alles heruit te geven'

zoekt dialoog

'Vlaamse designers worden niet bij een bepaalde stijl ingelijfd,' zegt ontwerper Dirk Meylaerts, en dat is volgens hem zowel hun kracht als hun zwakte. 'Ze moeten zich aan geen regels houden, maar ze zitten ook maar bezig op hun eilandje, waar alle bevestiging, aanmoediging en inspiratie telkens weer uit hen zelf moeten komen. Dat is best wel inspannend.' Deze bedenking lag aan de basis van Meylaerts verrassende meubelcollectie.

Ooit voegde hij zich bij het theatergezelschap van Jan Fabre. Na enkele jaren meetoeren ga hij er de brui aan. Theater, vond hij, was een te vluchtig medium. Zijn genen boden hem een houvast voor een toekomstgerichte beroepskeuze: zijn overgrootvader sculpteerde preekstoelen, een grootvader was schrijnwerker, de ander meubelhandelaar en vader Meylaerts had ook een meubelzaak. "Ik besloot om me op meubelontwerpen te gooien omdat de beperking ervan me aantrok", zegt Dirk Meylaerts. "Wilde ik een meubel maken, dan moest ik me aan streng bepaalde functionele regels houden. Ik had evenwel geen enkele opleiding ter zake. Wat dat betrof kon ik kiezen tussen een theoretische opleiding - bijvoorbeeld in de architectuur - of een praktische. Ik was bang voor de eerste. Ik dacht dat ik te vroeg te sterk beïnvloed zou worden en dat je aan alles wat ik daarna maakte die opleiding zou kunnen zien. Ik wilde mijn loopbaan als meubelontwerper liever instinctief en explosief beginnen. Adolf Loos (Oostenrijkse architect, 1870-1933, die heel sterk het moderne dictum 'Form follows function' aanhing. FO'S) vond dat je als je iets ontwierp alle theoretische vorming overboord moest kunnen gooien en vertrekken vanuit het materiaal om een opdracht vorm te geven, niet achter een tekentafel. Zo wilde ik ook beginnen."

Meylaerts ging de stiel van het meubelmaken leren in een Brussels atelier en een eerste meubelreeks ontstond. De 'Big O', een rond bergmeubel van perelaar dateert bijvoorbeeld uit die begintijd.

"Een nadeel van mijn aanpak toen, was dat ik heel erg op het materiaal gefixeerd geraakte", vertelt Meylaerts. "Je denkt dat je daaraan kunt ontsnappen, maar dat is niet zo. Ik probeerde het bijvoorbeeld door met fineerhout te werken in plaats van met massief hout. Met massief hout kun je maar een beperkt aantal vormen maken. Fineer geeft je meer vrijheid: je kunt je bijvoorbeeld aan golvende of ronde vormen wagen, iets wat ik dan ook volop deed. Niet alleen het materiaal zette me daartoe aan. Toen ik mijn eerste meubels ontwierp, waren designers vooral bezig met rationele, geometrische vormen. Ik wilde tegen de stroom invaren en vrouwelijke, ronde vormen brengen, meer in de zin van art deco."

Meylaerts' stijl had ook nog een ander motief. "Ik stelde vast dat de meubels in deze eeuw twee richtingen gevolgd hadden. Enerzijds degene die het gevolg was van het modernisme, het zogenaamde 'design' waarbij men meubels zeer conceptueel aanpakte, helemaal in de geest van Le Corbusier. Anderzijds was er de rustieke stijl, waarvan het accent lag op raffinement en verregaande materiaalbewerking. Deze stijl beleefde een hoogtepunt onder Louis XIV, maar geraakte dan, door de opkomst van de machinale industrie die kopies kon produceren, zo gepopulariseerd dat hij nu intellectueel helemaal moet onderdoen voor dat design. In mijn eerste collectie wilde ik graag een brug slaan tussen die beide richtingen. Ik combineerde klassieke vormen met fineerhout, creëerde bijvoorbeeld een heel strak uiterlijk met een rustiek binnenwerk. Daarbij was ik heel erg bezig met technieken en materiaal - ik werkte immers vanuit een atelier en niet vanop een tekentafel."

De recente meubels laten echter een hele andere Meylaerts zien. De collectie in galerie 'A-Ronne' bevat strengere, geometrische vormen en minder decoratie. De ontwerper vertelt over de evolutie die hij doormaakte: "Als distributiekanaal koos ik vanaf het begin voor meubelgaleries en tentoonstellingen. Zo belandde ik eens in Parijs, in de Galérie Neotu, nabij Beaubourg. Dat was een interessante ervaring, omdat ik tentoonstelde samen met andere ontwerpers die volkomen vreemden voor me waren. Tot mijn verbazing zat wat we maakten toch allemaal min of meer op dezelfde lijn."

Het zette Meylaerts ertoe aan om zich toch ook op de theoretisch-filosofische kant van het ontwerpen te gooien en meer te gaan lezen. "Dat verruimt het kleine veldje waarop je bezig bent geweest enorm", zegt hij. "Het meubel dat je maakt, wordt in een veel groter, architectonisch kader geplaatst, waarin je gedwongen wordt de relatie tussen meubel en architectuur te onderzoeken. Door te lezen begin je ook na te denken over wat dat meubel nog allemaal vertegenwoordigt buiten die ene fysieke, materiaalgebonden vorm. De media waar een hedendaags meubel niet meer buiten kan, wil het aanslaan, vormen bijvoorbeeld zo'n aspect waar je in je atelier aan voorbijgaat omdat je daar enkel bezig bent met de techniek. Ga eens na hoeveel meubels je kent, niet omdat je ze ooit in het echt zag, maar wel in een boek of een tijdschrift. Dat opbouwen van virtuele kennis is een kenmerk van deze tijd geworden. Als meubelontwerper kun je daar niet omheen.

"Ik ben me sindsdien meer gaan bezighouden met de promotie van mijn meubels. Ik zorg ervoor dat mijn meubels ook hun plaats krijgen in die virtuele wereld waar ze dan een 'grafisch' in plaats van een dimensioneel leven kunnen leiden. Ik laat me nu ook opnemen in denkstromen door samen met kunstenaars uit andere gebieden aan projecten te werken of gewoon door met hen te praten. Het brengt me de dialogen en de interactie die ik nodig acht om aan de slag te blijven, mijn ontwerpersgeest te vormen en me te laten inspireren."

Design vindt hij een 'hoerig' woord geworden. "Design is helemaal niet meer dat zoeken naar een functionele vorm of zoeken naar vervolmaking en uitpuring ervan. Het is een holle huls, niet meer dan een benaming. Ik denk dat de mensen dat meer en meer door beginnen te krijgen. Dat ze bij de neus genomen worden, dat ze verleid worden door beelden van dingen die hun inhoud niet kunnen waarmaken. Ik bekijk die bewustwording met plezier, probeer te analyseren wat ik zie, om het dan in mijn eigen ontwerpen te vertalen. Zo zie ik dat mensen zich steeds minder uiterlijke dingen laten opdringen. Al die transparantie in de vormgeving is er niet zomaar. Ze wordt gebruikt en ze is bedoeld om het vertrouwen van mensen in design terug te winnen. De nieuwe i-Mac-computers zijn daar een mooie illustratie van: men wil ermee zeggen dat een esthetische vorm wel weer een eerlijke inhoud kan hebben."

"Ik zie heel teleurgesteld hoe zogenaamde 'designers' tegen het einde van deze eeuw zich alsmaar meer en meer bezondigen aan recyclage. Hoe de echte wedloop naar de beheersing van materiaal of zoeken naar nieuwigheden helemaal voorbij is. Het boeiendste materiaal van de twintigste eeuw vond ik het plastic. Designers zijn ongelofelijk ver gegaan in het toepassen van dat materiaal. Er zijn heel extreme plastic dingen ontworpen, die net nog functioneel en niet anarchistisch waren. Verner Panton en Joe Colombo hebben daar voor mij de grote vormelijke experimenten mee uitgevoerd. Nu ligt dat zoeken helemaal op z'n gat en begint men gewoon alles heruit te geven. Wat me vooral stoort aan die recyclagetrend is dat men in het begin nog zei dat men een 'jaren-zestig-look' imiteerde, maar men die nu schaamteloos de 'jaren-negentig-look' noemt. Het is gewoon oud spul! Ook dat heeft jammer genoeg een weerslag op designfabrikanten: zij zoeken nu zwetend naar alle obscure designers die iets gemaakt hebben in de jaren vijftig of zestig en brengen dat gauw gauw op de markt als het product van de jaren negentig."

Tot zijn voldoening kunnen Vlaamse designers alleen maar beter worden van deze recyclagejaren. "Op Europees vlak gelden wij als een ongeregeld volkje. Er bestaat niet zoiets als een Vlaamse designstijl, een algemeen cultureel erfgoed, waardoor we ons moeten laten inspireren willen we echte Vlaamse designers zijn. Daarom beklaag ik de Scandinaven soms: alles blijft daar draaien rond hun eigen hout en die specifieke eigen stijl. Probeer daar maar eens als pakweg Zweeds designer aan te ontsnappen!

"Wij hebben niks waaraan we ons kunnen spiegelen. Hier heb je zowel een Maarten Van Severen als een Hans Weijers. Maar het werkt natuurlijk ook een aantal andere effecten in de hand. Elke designer zit hier op z'n eilandje te werken. Je weet nooit of je iets goed doet, of je goed bezig bent, want niemand komt het je zeggen. Je kunt met niemand een dialoog over design aanknopen, want er wordt geen publieke discussie over gevoerd.

'Ik werk dus vooral heel instinctief. Ik bedenk mijn eigen theorieën, ik zoek zelf aanknopingspunten, en dan doe ik iets. Deze collectie is geen eindpunt, maar een resultaat tijdens mijn zoektocht. Ik ben nog steeds met materiaal bezig, ga door met mijn 'technisch onderzoek', zoals ik het noem. Ik bouw zelf allerlei spullen, zoals een vacuümpers, om te zien wat ik daar aan kunststoffen vormen uit kan halen. Overigens neem ik ook heel vaak deel aan projecten, waarbij ik absoluut hoop om een discours over design open te trekken.

'Ik vraag me af of er ooit nog zoiets zal ontstaan als een 'Vlaamse stijl', waar ook de meeste Vlaamse designers zich achter zullen kunnen scharen. Ik voel alleszins dat de ingrediënten ervoor bestaan: we zijn technologisch ontzettend sterk, we sluiten vormelijke compromissen, we houden niet zo van design-met-een-grapje, we zijn echte evenwichtskunstenaars. Waar blijft de groep en wie maakt hem?"

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234