Woensdag 27/01/2021

'Depressies ken ik niet, alleen minidipjes van drie minuten'

'In mijn klas zat het vol rare kakkewieten zoals bijvoorbeeld de gebroeders Van Breedam. Kamiel is een bekende kunstenaar geworden. Een van mijn kameraden werd gouverneur van Antwerpen: Camille Paulus. Als we elkaar tegenkomen, is het als vanouds. De Rudy of de Camille, het zijn nog de oude rakkers van toen''Ik kan nog altijd stevig drinken, maar niet in die mate dat ik soms een halve week moet liggen zieltogen in bed en dat elke klop op de deur van mijn slaapkamer op de inslag van een scudraket lijkt. Ziek zijn, of beter gezegd 'vele keren doodgaan' zoals ik deed, dat heb ik een beetje gehad''Muziek moet spontaan en fris zijn. Ik doe hoogstens een soundcheck en dat duurt ook niet te lang, want daar krijg ik dorst van. Muziek komt als het moet komen, dat is als met de liefde'

Roland, dat onuitputtelijke vat vol heroïek, situatiehumor en dwarse levenslessen, heeft de blues. Hij maakt zich zorgen. Zijn negentigjarige moeder heeft in het bejaardentehuis met eten naar het personeel gegooid. 'Haar manier om te zeggen dat het lang genoeg geduurd heeft', zucht Roland. 'Misschien gaat ze dood, dat zou een shock zijn.' De laatste tijd is Roland nogal met zijn verleden bezig en daarom nam hij ons mee naar zijn roots. Het verslag van een dag samen met de authentieke hero, van uren luisteren naar ruige verhalen en muziek, van met versterkers sleuren, van intens turen naar zijn gebeitelde kop, kromgetrokken gitaarvingers en (onbetaalde) instrumenten.

Marijke Libert

Stephan Vanfleteren

Een lang gesprek voeren over tournees, ontmoetingen met blues-, folk- en rocklegendes, zijn muzikale evoluties... Roland heeft er maar weinig zin in. Wel wil hij gewoon eens op stap gaan, richting Rupel, en op het einde van de dag in de buurt een concert spelen. Roland maakt deze dagen een rondgang in theaters en culturele centra met een eigenzinnig programma. Sinds gisteren ligt ook zijn nieuwe cd in de winkel: Lime + Coconut. Al zijn aanleidingen zoeken om een muzieklegende te interviewen uiteraard volstrekt overbodig.

Café Stad Aalst, Antwerpen, halftwee 's middags. Roland schuifelt binnen: lange jas, donkere bril, vettig haar op de kruin geplakt. Onveranderd. Hij bestelt onmiddellijk een rode wijn. "Het devies is: de dag beginnen en eindigen met dezelfde drank. Vandaag is het rodewijndag. Proost." Hij excuseert zich omdat hij iets later is. "Ons moeder", is de uitleg. "Mijn zus belde me gisteren met de vraag om samen naar het bejaardentehuis te gaan. Ons ma weigert te drinken en heeft gisteren haar eten naar de verpleegsters gegooid." Hij lacht ineens luid. "Tja, wat had je gedacht van onze soort? Dat we gewoon zouden zeggen dat het ons allemaal te veel is? Wij moeten dat tonen. Ons moeder is er negentig en ik vermoed dat dit haar manier is om te zeggen dat ze er genoeg van heeft, van het leven. Maar toen ik binnenkwam daarnet was ze beter. Ze herkende mij zelfs."

Roland schudt met zijn hoofd. "Voor de rest kwam er wel niet veel uit. Ze zat daar maar met haar vingers tegen het tafelblad te kloppen, van tok tok tok. En ik antwoordde met hetzelfde ritme, op hetzelfde tafelblad. Tok tok tok. Plezant hoor, we hebben dat redelijk lang volgehouden. Het was alsof we contact hadden met elkaar, via een soort morse. Maar aie, was me dát een bende fossielen in dat tehuis. Ik kan het niet uit mijn hoofd zetten. 'Televisie', riep een ouwe pee om de twee minuten. 'Televisie.' En al die verschrikte gezichten waarop de aftakeling te lezen stond. En dan voor mij weer tok tok tok. Brrr."

Zou het een shock zijn indien zijn oude moeder nu stierf? Hij denkt even na, nipt van zijn glas. "Ik denk het wel. Omdat je dan denkt... Ach, onnozel misschien, maar je denkt iets in de zin van: hebben we wel genoeg contact gehad? - ik bedoel dan fatsoenlijk contact. Veel kansen hebben we niet gekregen en we hebben er nog minder gegrepen."

Wat voor jeugd had Roland? "Mijn vader stierf toen ik vijf was en daarna volgde zo'n typische tijd van verwend worden door de moeder en in ruil daarvoor zelf een beetje de vader spelen. Tot die stiefvader eraan kwam, dan werd ik weer naar de achtergrond verdrongen. Mijn stiefvader was meestergast bij een aannemer, maar hij dronk goed door en veel huiselijk geluk viel er bij ons in Boom toen niet te rapen. Later, toen ik een stuk ouder was, is het wel bijgedraaid tussen die stiefvader en mij. Door het ouder worden ga je de dingen meer op een afstand bekijken."

Ouder worden, of oud worden? Roland kijkt verbaasd op. "Ik oud? Maane joengene. Als ik mijn moeder zie, voel ik me een pasgeboren baby!"

Hij drinkt zijn glas leeg en staat al op. "Wil je de echte blues, ga dan mee naar Boom." Buiten moet Rolands witte Citroën eerst grondig opgeruimd worden. Om te beginnen moet de plaats voor de cochauffeur vrijgemaakt worden, want Roland had een visbak als bijzit uitgekozen. "Het is hier precies den ouwe markt, hé" zegt hij terwijl hij alles ondersteboven haalt en de bak uiteindelijk tussen de troep duwt. De troep blijkt het decor voor vanavond te zijn. De visbak met rieten zitje zal dienstdoen als stoel.

We rijden door de Plantin en Moretuslei. Roland wijst ons een hoog, geel gebouw aan: "Ik heb als kind nog op dat dak gestaan. Ik ging af en toe mee naar de werf van mijn stiefvader en leerde dan van alles over beton maken en zo, maar het leukste was dat ik op gebouwen mocht lopen toen ze nog niet af waren. Ik denk daar altijd aan als ik hier passeer."

Hij wijst naar een zijstraat. "En daar heb ik nog een kot gehad, onder een appartement waar dames 'ontvingen', weet je wel, en waar Albanese pooiers voor de deur stonden. Op een nacht waren we met een paar makkers wreed harde muziek aan het draaien, en die dames maar kloppen dat het rustiger moest zijn. Maar daar veegden wij natuurlijk vierkant ons voeten aan. We klopten gewoon terug. Tot er ineens zo'n Albanese gorilla opdook en een blaffer tegen mijn voorhoofd zette. Music down. We zijn nog nooit zo stil geweest als toen." Hij lacht luid. "Mensen, mensen, ben ik gespuis tegengekomen in mijn leven."

En nooit bang geweest? Roland: "Een keer in mijn leven heb ik ondervonden wat het woord bedreiging betekende. Dat was in New York, waar ik jaren geleden in een club een nachtconcert gaf. Nadien hadden we honger, maar ik had geen geld bij, dus ging ik dollars afhalen in een van de wijken waarvan men mij had afgeraden erin rond te lopen. Ik vond het altijd een sensatie om in New York mijn kaart in de muur te steken en dan te zien hoe daar dollars uit kwamen. Soit. Ineens staan daar twee zwarten naast mij, twee keer zo groot als ik. 'How about the money?', vroegen ze. Nu, op zo'n moment is het een enorm voordeel schijtezat te zijn. Ik antwoordde in mijn platste Gents wat die godverdomske kluutzakken wel dochten, enfin, een hele rimram. De twee keken elkaar aan met een blik van 'welke zot hebben ze hier in New York losgelaten?', keerden zich om en waren weg. Pas een paar minuten later voelde ik waaraan ik ontsnapt was, en dat was de enige keer dat er zoiets als angst naar boven kwam. Ik slaag er maar niet in mogelijk gevaar te ontwijken. Als ze mij in Amerika of waar dan ook zeggen dat ik op een bepaalde plek of in een bepaald café beter niet kom, dan is het eerste wat ik doe de weg vragen om er te geraken."

De weg om in Boom te geraken is lang want druk. Roland sakkert op de eindeloze file. "Hoe houden de mensen dat vol?", sist hij. "Geen wonder dat iedereen depressief wordt." En hijzelf, heeft hij geen last van de ziekte van de eeuw? "Een depressie? Ik ken dat niet. Ik heb hoogstens last van minidipjes, en die duren drie minuten. De reden is zowel duidelijk als voorspelbaar: de muziek, mijn kind. Het grote geschenk van de goden is een podium om op te staan waar ge uwe chiqué moogt verkopen. Als dat podium zou worden weggenomen en ik tussen een hoop terminalen zou moeten zitten met naast mij een sukkel die constant 'Televisie' roept, dán zal ik oud zijn." Hij wacht even en zegt dan: "Verdoeme, ik zit nog altijd met mijn moeder in mijn hoofd."

Wat vond zij van Rolands muziek? Hij krabt in zijn baard, kijkt naar het dashboard en haalt zijn schouders op. "Ze kende dat niet zo goed. Ze wist evenmin wie de mensen waren met wie ik speelde op grote tournees in het buitenland. Maar ze was altijd fier als ik in de Libelle Rosita stond. Eén keer heb ik haar op een optreden gezien, in de periode dat ik met Miek en Roel optrad. Dat was een van de weinige keren dat ik behoorlijk op mijn ongemak was. Ik heb dat nochtans niet veel, dat ik zenuwachtig ben tijdens een optreden. Tenzij misschien die keer toen ik in De Muze in Antwerpen speelde en Ferre Grignard binnenkwam. Ik stierf bijna ter plekke toen ik hem zag, met zijn hele imposante voorkomen, zijn strenge blik-- ze zeggen trouwens dat ik dat ook heb. Bon, ik heb mij toen herpakt en heb er een goede lap op gegeven."

We rijden Boom binnen. "Waar kom jij vandaan?", vraagt Roland. "Ha", zegt hij. "Oudenaarde, ik ken jullie gevangenis goed. Van er te spelen, bedoel ik." Elke vraag die je stelt, elke reactie die je geeft, culmineert bij Roland onvermijdelijk in een relaas over een ongelooflijk avontuur.

"Zware geïnterneerden in Oudenaarde. Een van die gasten hielp me met het versleuren van mijn spullen. Toen hij door de gangen een grote kar met mijn materiaal erop duwde, zei ik hem: 'Man, pas op, niet te snel, dat er niets valt.' Hij antwoordde: 'Roland, wees gerust, ik ben niet gepresseerd, ik zit hier nog twintig jaar.' Het concert nadien was onvergetelijk. Ik heb er het zware repertoire doorgejaagd, veel Johnny Cash en zo. Dikke ambiance, maar tegelijk een vreemd beeld. Wij hadden, zoals toen meestal het geval was tijdens een optreden, een bak bier op het podium gesleept waaruit we op tijd en stond onze inspiratie haalden. Op een bepaald moment keek ik naar die gasten voor mij en wat zag ik? Allemaal kleerkasten met tatoeages, veel snorren en baarden, en dat zat daar allemaal op rijen een frisco te eten. Stel je dat voor: moordenaars en bandieten tijdens een ruig concert, met een kreemke in hun poten."

We rijden de markt van Boom op. "Café Radio", zegt Roland, en stapt er resoluut binnen. Het is een dorpscafé vol kaarters en, zoals Roland het stelt, 'degoutant veel lawaai'. "We hebben hier een paar weken geleden nog een tentoonstelling gehad van mijn schoolmaat Rudy. Rudy is trucker en kunstschilder. Hij had mijn geboortehuis geschilderd en zei dat hij dat schilderij en nog een paar dingen in De Radio zou exposeren. Ik ben gekomen. Hier hingen dus overal van die realistische portretten aan de muur, er was veel ambiance maar geen mens die naar Rudy's kunst keek. Er werden Duvels gedronken, er werd gekaart, gerookt en over de kijvende wijven, de liggende wip en de harmonie gepraat. Tja, een echte expositie op z'n Booms. Rudy is mijne maat van het atheneum. In mijn klas zat het vol rare kakkewieten, zoals bijvoorbeeld de gebroeders Van Breedam. Kamiel is een bekende kunstenaar geworden. Een van mijn kameraden werd gouverneur van Antwerpen: Camille Paulus. Er was echt iets met die klas. En als we elkaar tegenkomen, is het als vanouds. De Rudy of de Camille, het zijn nog de oude rakkers van toen, vind ik."

Hoe ging het eigenlijk met het studeren? Roland: "Slecht, wat had je gedacht? Ik wist heel snel dat ik bohémien wou worden. Op mijn veertiende al, na het lezen van een paar boekjes van Jack Kerouac waarin het allemaal 'on the road' en 'freedom' was wat de klok sloeg. Hoe dan ook, op mijn veertiende stond ik aan de lopende band bij Bell-telefoon om relais af te regelen. Al duurde dat niet lang. Daarna heb ik nog breimachines bediend in een kousenfabriek en bij de Kraft-mayonaise gewerkt. Kortom, meer ongelukken dan stielen en meer buitengegooid dan effectief gewerkt. Het typische verhaal. In totaal was ik twee jaar lang ongeschoolde arbeider. Daarna ben ik naar Gent getrokken, waar ik in contact kwam met een groep Engelsen die zich 'the city Ramblers' noemden. Muzikanten, de betere buskers, die van stad naar stad reden en daar op straat speelden. Ik kreeg een wasbord in mijn handen en kon daar vrij snel een ritme uit krijgen. Ineens zat ik met die bende in Duitsland, Zwitserland en Scandinavië, met dat wasbord, met toeters en ratels."

Wanneer kwam er een gitaar in zijn handen terecht? Roland: "Een van die Ramblers heeft me een gitaar in mijn handen geduwd, maar van hem leerde ik het niet. Ik heb trouwens nooit gitaar geleerd. Een vriend van mij die aan de unief zat in Gent had een gitaar, maar zelf kreeg hij daar niet al te veel uit. Mij lukte het wel vrij snel. Ik vond zelf akkoorden uit en dat bleken nadien nog de echte te zijn ook. Nu, moeilijk is dat niet, hoor: je legt je vinger op een snaar en dan je vinger op een snaar verder. Klinkt het vals, dan verleg je die vinger tot het goed klinkt. Het was een zeer macrobiotische manier van gitaar spelen toen. Oefenen deed ik door mee te spelen met de radio en met de platen. Zoals van Lightning Hopkins, maar ook nog vele, vele anderen. De meeste gitaristen die ik ken, hebben het geleerd door uren- en dagenlang mee te spelen met de muziek. Ik doe het nog: een paar dagen geleden heb ik mij een hele nacht thuis geamuseerd door oude folk en blues met de platen mee te spelen. Er zat een song bij (lacht luid): 'Are jou ready for the great atomic power?'. Nu, dat is ogen dicht, en spelen tot ge bijna zot wordt."

Roland kijkt rond in het café. Zullen we maar weer? Want ik wil iets tonen uit mijn kindertijd, echt de moeite, hebben jullie nog nooit gezien." Roland keerde de voorbije jaren steeds meer terug naar die roots. Hij bracht samen met acteur Dirk Roofthooft 'boomse blues'. Zijn buddy Jean Blaute vertelde ons dat Roland momenteel in een boek over de stamboom van de Van Campenhouts zit te neuzen. Vanwaar die regressie?

"Jean heeft die studie over mijn stamboom van iemand gekregen en aan mij doorgespeeld. Het is indrukwekkend. Ik kom er allerlei rare namen en rare kwieten in tegen, veel cafébazen, zo blijkt, en veel steenbakkers natuurlijk. Hier en daar zitten er leuke documenten tussen waarin dan staat dat ene Van Campenhout een boot kocht en die "niet betaald" had. Bij velen staat na hun naam ook "huidige staat: arm". Arm zijn was vroeger blijkbaar een staat. Bon, toen ik dat allemaal las, was ik gerust. Ik ben een typische loot van mijn stam. En van mijn streek, want de mensen van Boom en omgeving, zegt men, zijn zeer koppig en zijn ook grote drinkers. Wie geen Duvels kan drinken, telt hier niet.

Wanneer leerde Roland drinken? "Heel vroeg, ik was dertien of veertien. Een vriend van mij had een vader die begrafenisondernemer was en elk weekend moest werken. Die man had een ongelooflijke bar, met flessen gin en zo. Wij probeerden dat uit. Schaamteloos jeugdalcoholisme. We moesten het nog leren natuurlijk, en we zijn erg veel ziek geweest. Ik weet nog: ik sliep thuis op een zolderkamer, zo'n typische kamer met bloemekesbehangpapier. Nu, aan de kant van mijn bed waren al die bloemekes weggevreten door het zuur van, je weet wel, het overlopen zeg maar."

De oude site van de steenbakkerijen in Boom, daar brengt Roland ons naartoe. Inderdaad, nog nooit gezien en overweldigend mooi: die lange hangars met hun houten bekapping, de hoge ovens waarin gestookt werd om de stenen te bakken en tientallen, misschien wel honderden meters gaanderijen waaronder de balkjes kleigrond uit de Rupelstreek te drogen werden gelegd. Roland loopt er verrukt rond, toont hoeken en kantjes, opslagruimtes, en ook de enige steenbakker die er nog actief is, volgens de oude werkwijze. "Dit is mijn streek. Enkel de overblijfsels zien we nu. Maar voor een kind was dit een groot avontuurlijk domein. Stel je voor hoe je hier als gamin kon rondlopen, je kon verstoppen. Alles was uitdaging, groot, een getuige van een hard verleden, maar tegelijk zo dood als iets. Geen bal te doen. Symbolisch hoor, voor gasten als ik. Als roots voor de blues kon je natuurlijk niets beters hebben."

We gaan richting optreden, naar Boechout, naar het theaterzaaltje Vooruit van Karel Vingerhoets. "We nemen een binnenweg, ik ben die klotesteenweg beu", zegt Roland en hij zet zijn oude Citroën in gang. Een automatic. Echt een kar voor oude zakken, zeg ik. "Het was een schoon occasie, dat het een automatic is kan me geen reet schelen." Aan de kerk van Boechout doet Roland een paar gewaagde manoeuvres tussen jongelui die fietsen rond de markt. "Hé", roept hij en hij toetert. "Hé gasten, zal ik jullie uit jullie lijden verlossen? Kom, spring voor mijnen auto, dan zijde van al die miserie af. De miserie van het moeten studeren en van groot worden en oud worden."

Rolands vrienden zeggen dat hij de laatste jaren iets gedisciplineerder werd, dat hij zijn afspraken meer nakwam en zelfs het drankgebruik matigde. Roland: "Er is iets van. Ouderdom zorgt voor een filter. Ik heb een platenfirma, een promotiedienst, die alles voor me regelt, en nu kan ik me zuiver op mijn muziek richten. Ik kom het daardoor niet meer tegen dat ik op andere dagen dan afgesproken op mijn concerten aankom of in een café met klein achterzaaltje terechtkom waar ze me na mijn optreden met een fles Chileense wijn en 50 euro naar huis sturen. Op zich is het niet erg waar je terechtkomt, als je maar je muziek kunt spelen, dacht ik vroeger. Nu probeer ik het iets meer te ordenen. Ik heb inderdaad, maar zeg dat aan niemand anders, een beetje meer discipline. Die aandrang om altijd de laatste te willen zijn in de cafés gaat er ook uit. Ik kan nog altijd stevig drinken, maar niet in die mate dat ik soms een halve week moet liggen zieltogen in bed en dat elke klop op de deur van mijn slaapkamer op de inslag van een scudraket lijkt. Ziek zijn, of beter gezegd 'vele keren doodgaan' zoals ik deed, dat heb ik een beetje gehad."

Roland zet zich aan de inrichting van het decor. Hij haalt de rommel van de achterbank en uit de koffer. Oude lampen, versterkers, stekkers, een soort harmonium, standaards voor gitaren. We bekijken hem terwijl hij in het zachte theaterlicht aan de zoveelste opbouw van de zoveelste set in zijn carrière begint. Vanavond voor honderdvijftig mensen in een knusse, heel intieme zaal. Honderdvijftig. Hij heeft overal ter wereld voor tienvouden gespeeld. Hoe groot was zijn grootste audience? Roland: "Toen ik met de Ier Rory Gallagher op tournee ging heel groot, maar vraag me niet hoeveel. Ik weet wel dat ik toen ik terugkwam Vorst Nationaal maar een klein kot vond. Hoe ik bij Gallagher terechtkwam, dat is ook zo'n verhaal. Het was midden jaren zeventig en ik was al min of meer goed bezig toen ik gevraagd werd om in Metz het voorprogramma van Rory te doen. Nu, die bewuste avond was er zo een waarop alles lukte, waar je op het podium kwam en meteen voelde: dit is het. Rory was nadien zodanig in de wolken dat hij me vroeg hem tijdens zijn hele tournee te volgen. De Olympia was toen nog een magisch woord voor mij, dommekloot uit Boom, maar drie dagen later stond ik er verdomme zelf. Ik volgde Rory uiteindelijk een zestal jaar, eerst in zijn voorprogramma en korte tijd later gewoon in zijn groep." Moet je niet repeteren voor vanavond, vragen we. "Mijn kind, te veel repeteren maakt de muziek kapot. Muziek moet spontaan en fris zijn, niet gestudeerd. Ik doe hoogstens een soundcheck en dat duurt ook niet te lang, want daar krijg ik dorst van. Muziek komt als het moet komen, dat is als met de liefde. Het rare is: het komt meer en meer. De muziek dan, van dat laatste zullen we maar niet spreken."

Roland vraagt de technicus om twee oude geblutste lampen, die eveneens de tocht in de Citroën hebben overleefd, aan het plafond te hangen. Waarom die aftandse dingen? Roland: "Ik moet mijn vertrouwde dingen rondom mij hebben, zo voel ik me goed. Het zijn nog de lampen van Arno. Nooit teruggegeven. Lampen die hij gebruikte ten tijde van zijn garagepunkgroep."

Roland speelde met Gallagher, Ian Anderson, Leo Kottke en Tim Hardin, Arno, Raymond, Wannes maar bijvoorbeeld ook bij Miek en Roel. Hoe bekijkt hij die periode nu? "Als een prachtperiode, de tijd van de hippies en de protestsongs, de tijd dat we met z'n drieën en met al ons materiaal in een Cooperke naar ons concert reden. Het was ook mijn eerste kennismaking met een beetje geld verdienen, met echt grote optredens, met radio en televisie."

Roland haalt de gitaren uit hun zwarte koffers. Een plechtig moment, want hij doet het consciëntieus, zwijgend, hij zet ze heel lief op de standaards, gaat ervoor staan, keurt ze en zucht. Hoeveel gitaren heeft hij? "Zo'n zestien, wat voor een muzikant vrij weinig is. Ik ken artiesten die met hun gitaren een heel huis kunnen behangen." Heeft Roland ook een 'dé gitaar'? "Speelt geen rol", zegt hij terwijl hij de instrumenten herschikt. "Een goede gitaar moet goed aanvoelen. Dat kan een gitaar van 50 euro zijn, gevonden op de rommelmarkt. Het hoeft zeker geen ding van 300.000 frank te zijn. Een goede gitaar heeft geleefd."

Hij diept oude langspeelplaten op uit een bak en legt ze op een tafel, sleept zijn visbak erbij en test het harmonium, loopt naar de versterker. Ook die is antiquarisch, het zeil aan de voorkant hangt in flarden, het ding heeft blutsen en builen. "Allemaal ouwe brol", zegt Roland weer, "maar goede brol. Deze versterker is van 1962 en het is nog altijd de beste die ik ooit heb gehad. Die moest er vandaag dus ook bij zijn."

Hoofdschuddend gaat Roland weer naar zijn standaards en test daarna een ritmebos. Ponke ponke ponke. Tok tok tok, denken wij. Hij overschouwt de tentoonstelling aan Roland-artefacten rondom zich die in een georganiseerde wanorde het podium bedekken. "Niet te geloven dat dit allemaal uit mijn auto komt. En zeggen dat het er straks weer in moet. Ik háát afbreken. Het gebeurt wel meer dat ik soms pas drie dagen later terugkom om mijn spullen op te halen. Wegens te zat of te lui om alles dezelfde avond mee naar huis te nemen." Ineens een bulderlach. "Soms kan dat ophalen langer duren. Zo staat in een café in De Pinte al jaren een volledige zanginstallatie van mij. Ik weet dat de bazin woest is op mij, want alle keren dat ze haar keuken moet kuisen, moet ze naar het schijnt die zware boxen verslepen."

Hij stemt de gitaren. "Degoutant lawaai", zegt hij en hij draait aan de knoppen van de versterker, test opnieuw. Een uur later zit hij achter de coulissen, haar met de hand gekamd, streepjesbroek en veston aan. Op zijn Rolands paasbest. "Mijn optreedkleren", zegt hij. "Niet duur, wel schoon vind ik, ooit van een zotte Chinees gekocht. Ik heb hem niet lang als mijn kostuummaker kunnen houden. Na een paar maanden werd hij van de straat geplukt omdat hij zijn huur niet kon betalen en illegaal was of zo." Zelfs aan zijn kleren hangt een anekdote vast. Waarom lijkt Roland in zijn leven van het ene straffe verhaal in het volgende te zijn gesprongen? Roland: "Dat is wellicht eigen aan het leven van een man die in dat leven lang en laat rondloopt, die de nacht soms niet meer van de dag kon onderscheiden en in die constante schemering schimmige maar ook mooie figuren tegenkwam. Zatte Frans of Lily de Preute of Antoine de schoen. Toin bijvoorbeeld, dat is weer een mooi verhaal, Toin was schoenmaker maar ook mythomaan. Hij vertelde altijd hetzelfde verhaal met als eindconclusie: "Drongen is nooit bezet geweest". Toin zei: 'Toen de Duitsers voor Drongen-brug stonden, heb ik naar mijn vriend Churchill gebeld. Ik zei: Winston, ze staan hier. Mijne maat heeft ingegrepen. Daarom, ik zeg u, Drongen is nooit bezet geweest'. Toch ongelooflijk, niet?"

Een andere artiest zegt misschien 'Goedenavond' of 'Hé folks' als hij op het podium komt en zijn publiek begroet. Roland komt met kromme rug op, kijkt schichtig vanonder zijn wenkbrauwen, stapt naar de micro en zegt er 'Aha' in. 'Aha'. De rest moet de muziek vertellen. Het begint in de bluessfeer. "You do it till you can't do it no more", horen we. Roland mixt wat country en jazz en zingt dan zijn onverbeterlijke 'Lime in the coconut'. Even daarvoor had hij zijn derde gitaar van die avond uitgekozen en zich met een tweede kort bericht tot het publiek gewend. "De schoonste en nog niet betaald." Hij onderbreekt later de muziek om zijn geliefde schrijver Charles Bukowski te citeren. Het gedicht 'Poverty'. Het begint ongeveer met "It is the man you've never seen who keeps you going, the one who might arrive some day. He isn't out on the streets or in the buildings or in the stadiums, or if he's there I've missed him somehow." En eindigt met "and soon it will be too late for me and I will have lived a life with drugstores, cats, sheets, saliva, newspapers, women, doors and other assortments, but nowhere a living man".

De cd 'Lime + Coconut' wordt verspreid door Virgin en ligt vanaf vandaag in de platenwinkel.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234