Zaterdag 10/04/2021

DE ZWARTE RIVIER

met een prauw over de niger, lekker loom naar timboektoe

Acht uur moesten we rijden door een zandwoestijn vooraleer we de Niger vonden. In Mopti huurde ik samen met Will, een Amerikaanse ontwerper, een lange, houten motorboot die ons in drie dagen naar Timboektoe zou brengen. Niet de bestemming was belangrijk, het was ons om de reis te doen.

Door dit verhaal loopt een rivier, een rivier die door West-Afrika loopt. Ik zag ze niet toen ik in Bamako aankwam, de hoofdstad van Mali, en mij van de luchthaven naar het busstation haastte. Ik zag ze evenmin toen ik naar Segou reed, de tweede stad van Mali, een lange rit die nog langer werd toen de bus pech kreeg. De plek waar wij de middag doorbrachten, terwijl een monteur onder de motorkap wonderen trachtte te verrichten, lag op slechts enkele kilometers van de zegeningen van het water, maar was één en al dorre, rode zandwoestijn. Pas toen we acht uur later onder een sterrenhemel Segou binnenreden, zag ik ze - nee, rook ik ze eerst, koel en rijk in de droge nacht. Ik volgde mijn neus naar de kade, waar ik mijn blik liet baden in haar vette, trage, schitterende schoonheid. De Niger of Nee-djer of, zoals de mensen die er wonen ze noemen, de Djoliba.

Ik weet niet of Djoliba iets betekent in het Mandingo, de plaatselijke taal, maar het zou 'levenslijn' moeten zijn. Zonder de rivier zouden Segou of de andere steden en dorpen die ik zag, niet kunnen overleven. 's Ochtends werd de totale afhankelijkheid nog duidelijker. Het was Tabaski, het offerfeest van de moslims, en overal in de stad werden schapen gekeeld en sijpelde het bloed in de rode aarde. Bij de Niger waren rijen vrouwen klaar met hun rituele wassing en bogen ze zich over de was en de vaat, de rokken tot hun middel opgestroopt. Achter hen brachten mannen water naar de moestuinen. Helemaal vooraan waadden meisjes door de rivier om drinkwater te halen. Twee jongens reden op een slanke schimmel zonder zadel door dat tafereel van orde en vlijt. Het paard aarzelde bij het water en schopte modder op. Moeders schreeuwden, kinderen en geiten renden naar de veiligheid van de oever, tot de jongens het paard onder controle kregen en het water in reden. Toen de rivier tot aan de halster kwam, sprongen ze van hun schimmel en begonnen ze hem te schrobben.

Tegen de tijd dat ze klaar waren, zat een half dozijn jonge mannen op de boegen van prauwen bij de oever en spoelden ze kluwens darmen van pas geslachte schapen schoon. Vlekken groen en bruin - en spikkels wit vet - dreven in het water. Vissen knabbelden eraan en grote vogels wiekten neer, terwijl ze langzaam naar het oosten dreven, naar Djenne, Mopti en Timboektoe.

30 liter voor een halve dag

René Caillé, die in het begin van de 19de eeuw als eerste Europeaan Timboektoe bereikte en weer thuis geraakte om zijn verhaal te doen, ontdekte meer dan een fabelachtige stad. Hij ontdekte dat niet de bestemming, maar de reis zelf belangrijk is. Dat kwam voor een stuk door zijn gebrek aan actuele informatie: in plaats van de met goud geplaveide straten van de middeleeuwse kroniekschrijvers, vond hij een verwaarloosde, onbeduidende stad van zand en stof. Met de ervaring van Caillé in gedachten, verwachtte ik weinig van Timboektoe maar wel veel van de reis erheen, niet met het vliegtuig maar met bus, auto en boot.

Na het regenseizoen bevaren grote, roestige ferryboten de Niger vanuit Bamako, maar nu was de rivier niet diep genoeg. Ik vertrok dus met de auto naar Djenne, hoewel het water nooit ver uit mijn gedachten was. Toen de chauffeur zag dat ik geen water bij me had voor de reis, las hij me de les: "Zonder water zijn we nergens. We zouden geen eten hebben, geen hout om vuur te maken, geen dieren, geen leven." Dat was allemaal waar, maar het verklaarde niet waarom hij wilde dat ik dertig liter kocht voor een rit van een halve dag.

In het regenseizoen is Djenne een eiland, omgeven door het water van een zijrivier van de Niger. In dit droge seizoen was het een gestrande walvis, uitgedroogd, verzwakt, badend in een paar plassen stilstaand water, bakkend in een wolk van rood stof. Het bleef echter een prachtige stad, met haar gebouwen van gedroogde modder, uitgesneden in vormen die een ontwerper van Disney jaloers zouden maken. En de maandagmarkt was nog steeds één van de grote ontmoetingsplaatsen van West-Afrika, en trok van mijlen in het rond mensen aan, wilde mannen uit de woestijn, met oude geweren en met zwaarden. En wilde vrouwen. Nadat ik die avond in een donker restaurantje had gegeten (was het vlees of vis?) ging ik zoals de hele stad naar een optreden. De belangrijkste act was een populaire zangeres uit Bamako, maar eerst zong iemand uit Senegal een ode aan de sterrenhemel, de schoonheid van Djenne, de rijkdom van de rivier en Allahs zegen over haar.

Ondanks het lage peil van de Niger en zijn bijrivieren kostte het mij geen moeite om in Mopti, enkele uren rijden van Djenne, een boot te vinden. Niet een van de grote ferryboten die aan de kade lagen, maar dat wou ik dan ook niet. Ik verkoos om samen met Will, een Amerikaanse kledingontwerper, een prauw te huren, een lange, slanke houten motorboot die ons volgens Ibrahima, zijn eigenaar, in drie dagen naar Timboektoe zou brengen. Die eerste ochtend wentelden we ons in weelde. Niet omdat de prauw zo luxueus was, hoewel hij met zijn kussens en gevlochten dak best comfortabel bleek, met open zijden die de bries binnenlieten, een paar komforen voor de motor en een met een scherm afgesloten gat in de achtersteven, het toilet. Evenmin omdat de bediening zo schitterend was, hoewel Sylla, de schipper, heel de reis lachte en Amadou, de kok, zijn best deed om het ons naar de zin te maken. Nee, de luxe waar wij ons in wentelden was het vooruitzicht van een vrijwillige verstokenheid van telefoon en e-mail, vergaderingen en deadlines, de belofte van tweeënzeventig uren op een bank, lezend, slapend, kijkend naar de wereld die langs dreef.

En wat een wereld! Het vlakke landschap was gekleurd met een beperkt palet van smaragdgroen voor de oevers, blauw voor de lucht, wisselende tinten voor het water bij zonsopgang bestrooid met diamanten, 's middags verblindend, kwikzilver in de avond, zwart in de nacht. Er waren genoeg redenen om je boek neer te leggen en op te kijken: een gier in de lucht, een bosje eucalyptus, een zonsopgang, of netten die werden uitgeworpen, enorme prauwen die in het water werden geduwd, versierde moskeeën, gebouwd van stenen van gedroogde modder. We hadden ook ontmoetingen met kinderen op de oever, vrienden van Sylla en Amadou, en - voor elk middag- en elk avondmaal - met vissers. Amadou keurde de nog levende vangst, spartelend in kuilen, voor hij iets vond dat hem voldeed of waarvan hij dacht dat het ons zou voldoen. Grauwe poon (hamijeh in het Songhay, salleh in het Bamana) was hier de favoriete vis, de vis met de meeste smaak van de Niger, gemakkelijk te fileren. Een exemplaar van drie kilo kostte minder dan een zakje chips in Londen.

Die eerste middag, ook zonder horloge stipt om twaalf uur, serveerde Amadou een lunch van geroosterde poon met pasta en tomatensaus. De warmte en het eten zorgden dat we indutten en het was al laat toen we overeind kwamen om een dorp te zoeken, Wotaka, met Amadou als gids. Een groepje kinderen ontving ons met een fanfare van bici, bidon, bonbon (pen, lege fles, snoep). Het dorp was klein en snel bekeken, zelfs zijn drie moskeeën, waarvan één in de extravagante stijl van Djenne. Het bezoek was een aaneenschakeling van ingewikkelde begroetingsrituelen in het Bamana of het Bozo, het Dogon, het Fulfulde, Soninké, Songhay, Tamasheq of een andere van de meer dan dertig talen die langs de rivier worden gesproken. Begroetingen wanneer we de imam van een moskee passeerden, of een getatoeëerd meisje van de Peul, een stam die vee houdt, die een kalebas melk kwam ruilen voor wat vis, of de smid die ook als sjamaan van het dorp optrad en de geesten van de rivier bezwoer.

Op het einde van de dag weerspiegelde de rivier onze loomte. Ze werd een spiegel waarin vliegende vissen, duikende zilverreigers en vluchten trekvogels verschenen. In het laatste licht meerde Sylla de prauw aan en maakte Amadou penne marinara klaar, terwijl Will en ik tenten van een soort gaas opsloegen op een hoger gelegen stuk grond, op de oever tegenover de hutten waar de Bozo-vissers in het droge seizoen wonen - in het regenseizoen trekken ze weer weg, net voor het water het land opeist. De petroleumlamp trok zoveel kruipende en vliegende schepsels aan, dat we de rest van de avond in de maanloze duisternis doorbrachten en een fles wijn deelden, terwijl de sterren pronkten.

Nijlpaarden met kraaloogjes

Het was erg vredig geweest, als de Bozo's aan de overkant geen muziek hadden gespeeld die verdacht veel op disco leek. 's Ochtends zei Will: "Ik ben nog nooit op zo'n afgelegen plek geweest met zoveel herrie." We staken het Debomeer over, dat beroemd is om zijn nijlpaarden. Sylla had ons gewaarschuwd dat de dieren waarschijnlijk stroomafwaarts waren getrokken, omdat de rivier zo laag stond. Hij had gelijk, maar toch keken we heel de middag naar ze uit, tot we afgeleid werden door stormwolken die uit het noorden aanwaaiden. De boot maakte zwaar slagzij in de wind, de zon verdween snel, bliksem sloeg in op de rivier.

Ik wist zeker dat het zou regenen, maar Amadou verzekerde mij dat de regen nog drie maanden op zich zou laten wachten. "En als hij komt, komt onze regen uit het zuiden. In het noorden ligt de Sahara." Een uur later zaten we echter in het oog van de storm, ineengedoken op de bodem van de boot, met de regenzeilen neergelaten. Sylla sliep, Amadou zong een natte deltablues, en Will en ik luisterden gefascineerd naar het gekwaak van de kikkers, de ritmes van de krekels, het gezoem van de muskieten en alle andere geluiden die de regen tot leven had gewekt.

De eerste dagen waren al ruim voldoende om de reis te rechtvaardigen, maar het was nog niet voorbij. De derde en laatste dag bereikten we een andere wereld, een wereld zonder motoren of elektriciteit, een oude wereld van voeten, spieren en zeilen. Daar vonden we de nijlpaarden, met hun kraaloogjes en zware kaken net boven de waterlijn. Acacia, palm en eucalyptus groeiden op de oevers, we passeerden herders met hun vee. Trekvogels vlogen hoog boven ons hoofd voorbij, stroomafwaarts naar Timboektoe toe.

Sylla hoopte dat we er tegen valavond zouden zijn. Hij vertelde over zijn plannen om zijn aankomst te vieren, plannen die te maken hadden met een plaatselijk meisje en met de fooi die hij van ons verwachtte. Tegen de schemering legden we aan in de stad. Timboektoe in de nacht: duisternis, vuren op de straathoeken, slordige hutten, een kamer van steen met een gloeilamp en een ventilator aan de balken. We dronken koud bier, met onze voeten in de Sahara. De legendarische stad was gauw bekeken. 's Ochtends bezochten we de middeleeuwse moskee, de huizen van de 19e-eeuwse ontdekkingsreizigers, een bibliotheek met zeldzame manuscripten en een cybercafé in het gemeentehuis (die week was er geen verbinding). Geen goud, geen glorie, maar in tegenstelling met René Caillé hadden we die ook niet verwacht. Voor ons vertrek gingen we op zoek naar souvenirs. Will kocht een flesje zand, ik een stuk rotszout, de oude munt waarmee in goud en slaven werden gehandeld. Het zout is in één stuk thuisgeraakt en ligt nu voor me, als een talisman terwijl ik schrijf. Maar het is niet de plaats waar het vandaan komt die telt, wel de rivier die erdoorheen loopt, een rivier die de woestijn en de herinnering tot leven wekt.

Wat een vooruitzicht! Geen e-mail, telefoon of vergaderingen, gewoon 72 uren op een bank, lezend, slapend, kijkend naar de wereld die langs drijft

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234