Maandag 16/05/2022

De zwaan van de literatuur

De Colombiaanse Nobelprijs-winnaar Gabriel García Márquez is een van de meest gelezen auteurs ter wereld. Van de man die Honderd jaar eenzaamheid schreef verscheen deze week een biografie, een omvangrijk werk van de hand van Dasso Saldívar, dat vooral de ontstaansgeschiedenis van die ene roman uit de doeken doet. In De Morgen leest u deze week het tweede (ingekorte) deel van een voorpublicatie uit Terug naar de oorsprong.

Dasso Saldívar biografie van Gabriel García Márquez

Toen García Márquez eind januari 1954 terugkeerde naar Bogotá om bij de krant El Espectador te gaan werken, arriveerde hij op het oude vliegveld Techo met zijn globetrotterskoffer en twee pakketten in zijn hand, die hij de dichter Alvaro Mutis overhandigde om ze in de kofferbak van de auto te leggen: de manuscripten van La casa en Afval en dorre bladeren. Van die laatste roman had hij minstens vier serieuze versies geschreven en het was nu een dolende ziel op zoek naar een uitgever. Het eerste manuscript had echter onafgemaakt zijn kans afgewacht, hoewel het die goed beschouwd al had gekregen, want de lotsbestemming van La casa kon alleen maar een Adamsbron zijn; zo was uit een van zijn ribben Afval en dorre bladeren voortgekomen en uit andere zouden, gedeeltelijk of helemaal, De kolonel krijgt nooit post, Het kwade uur en De uitvaart van Mamá Grande ontstaan. Honderd jaar eenzaamheid, de roman fleuve die alles omvat en samenvat, ontstond later uit de sedimenten van La casa en uit nog veel meer.

De twee manuscripten vormden het vastberaden begin van de lange, veelbewogen reis die de schrijver ondernam naar de fantastische wereld van zijn kindertijd, zijn ouders en zijn grootouders. En opnieuw was het het verre Andes-Bogotá dat hem, na zes jaar afwezigheid, voldoende uitzicht bood op de voortzetting van die innerlijke reis, waarvoor hij de eerste stap zeven jaar eerder in dezelfde krant en in dezelfde stad had gezet met 'De derde berusting'.

Maar deze keer bood Bogotá hem, behalve het belangrijke podium dat El Espectador voor hem betekende, ook nog de mogelijkheid tot nadenken en bezinning op alles wat hij had meegemaakt, gelezen, geschreven en onderzocht en wat door zijn recente reizen naar Valledupar en naar La Guajira een hoogtepunt had bereikt. García Márquez had deze beslissende kans bijna laten schieten omdat hij aanvankelijk Barranquilla en zijn vrienden niet wilde opgeven, hoewel hij pas, samen met Alvaro Cepeda Samudio, zijn laatste en korte journalistieke avontuur aan de Caribische kust als hoofdredacteur van de nieuwe krant El Nacional had beëindigd.

Volgens Alvaro Mutis hadden Guillermo Cano, de directeur van El Espectador, en Eduardo Zalamea Borda, de onderdirecteur van die krant en de literaire ontdekker van García Márquez, de schrijver in Barranquilla geprobeerd over te halen bij hen te komen werken. Mutis, die wellicht voorzag dat het grote talent van zijn vriend onder de bohémiens aan de Caribische kust zou wegkwijnen, had tegen hen gezegd dat ze hem naar El Espectador moesten halen omdat hij zeer de moeite waard was. Zij twijfelden daar geen moment aan, want ze hadden zijn verhalen, die later in Ogen van een blauwe hond zouden worden opgenomen, al gepubliceerd en geprezen. García Márquez stond niet te popelen om terug te keren naar Bogotá, al was het als redacteur van zo'n gezaghebbende krant. Guillermo Cano en Eduardo Zalamea drongen er toen bij Mutis op aan persoonlijk García Márquez over te halen bij hun krant te komen werken. Mutis, hoofd public relations van de oliemaatschappij Esso, ging naar Barranquilla, nodigde hem uit naar Bogotá te komen en gaf hem een vliegticket dat García Márquez prompt kwijtraakte. Hij stuurde hem toen een nieuw ticket, waarna García Márquez, meer uit dankbaarheid jegens Mutis dan omdat hij zo graag terug wilde naar de hoofdstad, zich over zijn aangeboren vliegangst heenzette en op een dag, eind januari, zijn opwachting maakte op het oude vliegveld Techo.

Gabriel Cano, de eigenaar van de krant, was verbijsterd toen hij hem zag: het wilde er bij hem niet in dat die kersvers uit Barranquilla gearriveerde jongeman, met zijn felgekleurde kleren, buitensporige snor en ogen, broodmagere gestalte en doodsbleke gezicht, de grote schrijver was over wie Alvaro Mutis en Eduardo Zalamea met hem hadden gesproken en over wiens verhalen en krantenartikelen ze zo hoog hadden opgegeven. De oude Cano zei onthutst tegen Mutis: "Don Alvaro, die jongen mag dan talentvol zijn, maar mijn god, wat ziet hij eruit...!" Mutis maakte toen onmiddellijk een eind aan zijn twijfel: "Een betere journalist dan hem kunt u niet krijgen; hij werkt harder dan wie ook." Een paar dagen later belde hij Mutis op in zijn kantoor en zei: "Zeg, don Alvaro, u heeft gelijk, het is een geweldige vent. Bedankt."

(...) Voor García Márquez werd bij El Espectador niet de rode loper uitgelegd, zoals nergens voordat hij een beroemde schrijver werd. Hoewel hij een zeker aanzien genoot door zijn verhalen die in zeven jaar tijd in de krant waren gepubliceerd, viel hij in het begin nauwelijks op onder de redacteuren. José Salgar, zijn chef, herinnert zich dat García Márquez eigenlijk alleen omging met hem en Guillermo Cano, Eduardo Zalamea Borda (Ulises) en de ook uit Aracataca afkomstige Gonzalo González (Gog). Maar de verlegen journalist drukte gaandeweg meer het stempel van zijn mamagallista persoonlijkheid en zijn stijl op de krant en daarbuiten, en ontwikkelde zich tot sterreporter. De persoonlijke en beroepsmatige relaties met zijn chefs waren uitstekend. Guillermo Cano was een eenvoudige, verlegen, maar veeleisende directeur die zijn vriend en vaste redacteur alle steun gaf (in financiële zin vaak te weinig). José Salgar was een onvermoeibare hoofdredacteur met wie García Márquez bijna vierentwintig uur per etmaal nauw samenwerkte. Maar Salgar, een oude rot in het vak, was gespeend van elk speels of lyrisch gevoel en waagde het op een dag de man uit Aracataca het advies te geven om terwille van de journalistiek de zwaan van de literatuur de nek om te draaien, zonder te bedenken dat García Márquez' uitstekende journalistieke werk grotendeels juist gedragen werd door zijn literaire talent. Dat stond als een paal boven water voor zijn andere chef en leermeester, de onderdirecteur Eduardo Zalamea Borda, de man die door zijn uiterlijk, zijn tomeloze energie, zijn bijzondere gave als schrijver en journalist en zijn brede culturele ontwikkeling een waar instituut was binnen de krant. Niet alleen omdat hij zich literair verwant voelde met James Joyce, maar ook vanwege zijn uiterlijke gelijkenis met die schrijver, schreef Zalamea Borda jarenlang een column onder het pseudoniem Ulises, waarin hij vele culturele en literaire thema's behandelde. Die column was een smakelijke schotel, waarvan de lezers van El Espectador en vooral de jonge garde schrijvers dagelijks genoten. Zoals we zagen waren die columns voor García Márquez heel belangrijk, want ze stimuleerden hem om zijn eerste echte verhaal te schrijven: 'De derde berusting'. En twee dagen nadat zijn tweede verhaal was gepubliceerd, schreef Zalamea Borda in zijn column 'La Ciudad y el Mundo' dat met García Márquez zoiets als het toekomstige genie van de Colombiaanse literatuur was geboren.

Toen García Márquez bij El Espectador kwam werken, genoot Zalamea Borda aanzien als auteur van Cuatro años a bordo de mí mismo, een poëtische roman geïnspireerd door het leven in het binnenland van La Guajira. Zalamea Borda had in de jaren dertig, toen hij op verkenningstocht was door die provincie van García Márquez' grootouders, in café Roma in Barranquilla een zelfmoordpoging gedaan. Gelukkig stelde zijn enige roman hem in staat af te rekenen met een stormachtig verleden en hield hij er de wijsheid, manieren en gewoonten van een leermeester in ruste aan over. Dat besefte García Márquez heel goed toen hij hem zijn 'Christoffel Columbus' noemde en zijn 'ware literaire vader'; ze waren echter in de eerste plaats vrienden en maten op hetzelfde schip. Hoewel ze bevriend waren geraakt in Barranquilla, toen de man uit Aracataca medewerker was van El Heraldo, hadden ze elkaar eind jaren veertig in Bogotá leren kennen via Gonzalo González (Gog), een eveneens uit Aracataca afkomstige verre verwant van García Márquez. In die universitaire jaren was García Márquez met een vriend naar hem toegegaan om hem een van zijn verhalen te brengen, maar hij was zo ontstellend verlegen dat hij niet de burelen van de krant durfde binnen te gaan en zijn vriend erop afstuurde, hem opwachtend bij de kruising van de Avenida Jiménez de Quesada en de Carrera 7a. Toen Gog naar hem toe kwam om hem uit te nodigen naar de redactie te komen om aan Zalamea Borda te worden voorgesteld, trof hij daar op de hoek van de straat, "beschroomd wachtend op de dingen die zouden gebeuren", een trieste, magere, bleke jongeman aan, bijna opgelost in het aarzelende daglicht.

Sindsdien zouden Eduardo Zalamea Borda en Gonzalo González de belangrijkste beschermheren, contactpersonen en vrienden van García Márquez zijn bij de krant. Met Gog had hij ook de wortels en de geur van guave gemeen. Gog was net als de schrijver geboren in Aracataca en opgegroeid in Barranquilla, was medewerker geweest van het weekblad Crónica, zou zich opwerpen als verdediger van politieke gevangenen en eindigen als een gewaardeerde en langdurige medewerker van El Espectador. Maar anders dan zijn dorpsgenoot was Gog een bekende atleet en schaakkampioen geweest, had hij zijn rechtenstudie voltooid en werd hij docent journalistiek. García Márquez en de dichter en schilder Héctor Rojas Herazo hadden bij El Universal elkaar speels geïmiteerd in hun opiniestukken en datzelfde spel herhaalde hij met Gog. Hij bedacht zelfs een schuilnaam zodat Gog hem in zijn column 'Preguntas y Respuestas' antwoord kon geven op de meest uiteenlopende vragen over schrijvers en boeken.

Binnen de Bogotaanse avondkrant heerste dan ook een sfeer van vriendschap, saamhorigheid en professionaliteit, dezelfde sfeer die hij ook bij El Universal en El Heraldo had aangetroffen. Na verloop van tijd ging het verhaal dat García Márquez gedurende de achttien maanden dat hij bij El Espectador werkte, praktisch op de krant woonde. Buiten de krant bleef hij echter intensief contact houden met zijn vrienden en de literatuur. José Salgar weet nog dat García Márquez af en toe 's morgens binnenkwam met het bleke gezicht en de wallen onder de ogen van een nachtbraker, omdat hij een groot deel van de Bogotaanse nacht had gewerkt aan zijn verhalen of zijn favoriete boeken had gelezen. Of hij was weer eens aan de boemel geweest met zijn oudste Caribische en Bogotaanse vrienden.

Hoewel hij in die periode sommige vrienden terugvond uit zijn studententijd, van vóór de Bogotazo, zoals Gonzalo Mallarino en Luis Villar Borda, en hij veel vrienden maakte onder journalisten en schrijvers, waren de ontmoetingen met Alvaro Mutis en met Nancy en Luis Vicens, van wie de laatste een van de oprichters was van de Cineclub van Colombia, voor hem een dagelijkse behoefte. Vooral met Mutis, want met hem had hij een vriendschap waarin het gesprek eeuwig en altijd ging over wat zij beiden omschreven als de vaina, namelijk "de aaneenrijging van dagen die het leven is". Hoe vreemd het ook klinkt, hun vriendschap was meer persoonlijk dan literair getint. Al pratend, drinkend en feestvierend introduceerde Mutis zijn vriend in het gelukkige rijk van de klassieke muziek en de vruchtbare pagina's van Dickens en Conrad, waarmee de dichter uit Coello de bijna geheime leermeester van de schrijver uit Aracataca werd en ook zou blijven. Sommige gebeurtenissen van de vaina hadden hun vriendschap en betrokkenheid verder verdiept. Een opvallend voorbeeld hiervan was de dood van de Amerikaanse multimiljonair Bedford in Barranquilla.

Bedford, het evenbeeld van Hemingway, was als vertegenwoordiger van Standard Oil op een dag met zijn privé-vliegtuig uit New York gekomen, en Alvaro Mutis, dichter van minderheden en hoofd public relations van Esso in Colombia, organiseerde voor hem een grootse receptie. Ter opluistering van het evenement nodigde Mutis enkele journalisten en leden van de Groep van Barranquilla uit, onder wie García Márquez, Fuenmayor en Germán Vargas. Maar de dood leverde die grote miljonair een laatste en zeer valse streek door hem na een hartstilstand levenloos achter te laten in een kamer van het Pradohotel, midden in zijn eigen uitwerpselen. Mutis kreeg toen van zijn directeur de opdracht om die beroemde miljonair daar zo snel mogelijk weg te halen en nog diezelfde avond terug te sturen naar New York. Omdat de bureaucratische procedure dat in de weg stond, riep Mutis de hulp in van García Márquez en Fuenmayor om ontheffing van de voorschriften te krijgen en toestemming om het lijk naar zijn eigen land te vervoeren. Die ervaring veranderde hen. Sindsdien wisten García Márquez en Mutis dat ze voorgoed verbonden waren door iets dat uitsteeg boven vriendschap: een gemeenschappelijke literaire bron. Mutis zelf gaf toe dat die bijna anonieme en onfatsoenlijke dood van die rijke, machtige man bij beide schrijvers een belletje deed rinkelen toen ze beseften dat de dood een verschijnsel was dat het waard was om in al zijn smerigheid en pracht te onderzoeken en als thema te gebruiken.

Hun zo uiteenlopende oeuvre had dus minstens één gemeenschappelijke bron en eenzelfde essentiële obsessie: teruggaan naar de oorsprong, naar het vroegste zaad van de herinnering. Misschien hadden ze daarom een meer persoonlijke dan literaire vriendschap. Zeker is dat de hechte vriendschap met Mutis, met de Vicens en met Hernando Téllez (met wie hij "hele zondagen pikante verzen voordroeg") voor García Márquez een troostvolle, bijna onmisbare toevlucht was in de achttien maanden dat hij bij El Espectador werkte, niet alleen omdat Bogotá nog steeds de regenachtige, trieste en nevelige stad was die hij als een chronische ziekte in zijn lijf meedroeg, maar ook omdat de stad gebukt ging onder de kanker van het geweld en de excessen van de militaire dictatuur.

Die befaamde Andes-stad van halverwege de jaren veertig, met haar trage trams en grijsberoete namiddagen, dat Bogotá waar de schrijver als zestienjarige huilde van ellende, behoorde nu tot het verleden. Haar inwonertal begon zich te verdubbelen, want de Bogotazo met zijn uitdijende geweld had een massale, chaotische instroom teweeggebracht en korte metten gemaakt met haar gewoonten van in koloniale formaline geconserveerd groot Castiliaans dorp. Bogotá begon te veranderen in de uitgestrekte, contrastrijke metropool van de toekomst.

(...) García Márquez' socialistische en anti-imperialistische gedachtegoed, onmiskenbaar gevormd door de persoonlijkheid van zijn grootvader, was op het lyceum in Zipaquirá onder invloed van zijn geschiedenisleraar versterkt en langzaam en in stilte gerijpt in Cartagena en Barranquilla. Zo kwam het dat slechts een handjevol vrienden ervan op de hoogte waren dat hij al in de tijd dat hij bij El Heraldo werkte een solidariteitsbijdrage betaalde aan de Colombiaanse communistische partij. Daar ging hij in Bogotá net als enkele collega's van El Espectador op een even discrete manier mee door.

Het was in die periode dat de schrijver en de destijds clandestiene communistische partij het dichtst bij elkaar stonden en hij zelfs deel uitmaakte van een cel. Maar hij was geen militant in de eigenlijke zin van het woord en zijn activiteiten beperkten zich tot politieke en ideologische discussies met enkele partijleiders. Toen dit doordrong tot de secretaris-generaal van de partij, Gilberto Vieira, ontbood hij García Márquez bij hem thuis en vertelde hem dat het geen zin had deel uit te maken van een cel als hij geen militant lid van de partij was. Hij moest zich rechtstreeks tot hem wenden, want Vieira in eigen persoon zou hem alle benodigde informatie voor zijn journalistieke werk verstrekken. Op die manier wilde Vieira zich in feite verzekeren van de steun en de sympathie van het nieuwe opkomende talent. De communisten waren er zich terdege van bewust dat de sterverslaggever van El Espectador toenemende bekendheid genoot. Toen hij na de publicatie van Afval en dorre bladeren in mei 1955 ook nog literaire status verkreeg, namen ze zelfs de moeite om hem tegen alle wetten van de literatuur in dogmatisch voor te houden dat de mythische sfeer en de lyrische stijl van zijn roman niet de juiste middelen waren om door te dringen in de actuele Colombiaanse werkelijkheid. Dat gezichtspunt weerspiegelt zich in de realistische structuur van zijn volgende boeken en bracht een zekere verwarring bij García Márquez teweeg, tot hij ten slotte met Honderd jaar eenzaamheid zijn creatieve vrijheid herwon.

García Márquez besefte heel goed dat hij als schrijver onbevooroordeeld en ondogmatisch met alle aspecten van de werkelijkheid geëngageerd moest zijn. Het bewijs daarvan vormen zijn verhalen en romans, en ook zijn omvangrijke journalistieke werk, waarin hij zich in die Bogotaanse periode verder ontplooide toen hij in februari 1954 onder pseudoniem commentaren begon te schrijven voor de rubriek 'Día a Día', vervolgens filmrecensies schreef en ten slotte naam maakte als verslaggever.

(...)

Het was dan ook naar aanleiding van de publicatie van een aantal losse bijdragen over film in 'Día a Día' dat zijn chefs hem de kans boden om wekelijks een column te schrijven over die zevende kunst, zodat hij daarnaast ging meewerken aan 'El cine en Bogotá. Estrenos de la semana', de rubriek die in Colombia een baanbrekende rol in dat genre zou vervullen. Vanuit dat naar de film openstaande venster gaf García Márquez, meer met enthousiasme dan professioneel, uitdrukking aan zijn oude passie voor de film. Die passie dateerde uit zijn gelukkige kinderjaren, toen hij bij zijn grootvader woonde en deze hem in Aracataca aan de hand meenam naar de films van Tom Mix en andere, minder onschuldige films. Zijn fascinatie voor de film was dus even oud als zijn fascinatie voor literatuur, tekenen en journalistiek. In Cartagena en Barranquilla was hij een fervent bioscoopbezoeker en ontwikkelde hij een goede kijk op film. Met de vrienden van de Groep van Barranquilla, vooral met Alvaro Cepeda Samudio, raakte hij ervan overtuigd dat de film een even wonderbaarlijk expressiemiddel was als de literatuur. Dat had veel te maken met het feit dat Cepeda Samudio, die zijn bekomst had van de Amerikaanse journalistiek en film, was teruggekeerd uit de Verenigde Staten. Maar het had ook te maken met zijn recente vriendschap met de Catalaan Luis Vicens en de ongelooflijke indruk die de film Fietsendieven van Vittorio de Sica in oktober 1950 op hem had gemaakt. Die film bracht hem voorgoed onder invloed van het Italiaanse neorealisme, vooral wat betreft het aspect van 'het transcendent menselijke', dat een essentieel element van zijn verhalenwereld zou vormen. Toen hij dan ook op 27 februari 1954 zijn eerste wekelijkse filmcolumn schreef, had García Márquez niet alleen een goed inzicht in film verworven, maar had hij ook bepaalde invloeden ondergaan en beschikte hij over een uitstekende esthetische en filosofische kennis van de zevende kunst. Hij was echter een leek waar het ging om de technische aspecten van die kunst, zodat zijn filmkritieken niet verder gingen dan een goedwillend, vindingrijk commentaar waarin hij treffend situaties en details beschreef die te maken hadden met zijn literaire vragen en zoektochten.

Van die achttien maanden van wekelijkse filmbijdragen kan García Márquez daarbij nog als verdienste worden aangerekend dat hij een pionier van de filmkritiek in Colombia was en bovendien een uitgesproken voorstander van een nationale filmindustrie. Hij zou dan ook spoedig de overstap wagen naar het Centro Sperimentale di Cine in Rome, zich vervolgens halverwege de jaren zestig in Mexico ontpoppen als een getormenteerd scenarioschrijver en twintig jaar later fungeren als oprichter en bestuurder van de in Havana gevestigde Fundación del Nuevo Cine Latinoamericano.

Voordat hij naar Rome zou gaan, moesten echter eerst nog de belangrijke teksten uit zijn beginperiode als verslaggever geschreven worden. Voor die beslissende stap in zijn journalistieke en literaire carrière moeten de directeuren van El Espectador zowel rekening hebben gehouden met zijn veelzijdigheid als journalist, waarvan hij al in de eerste maanden blijk gaf, als met de prestigieuze nationale prijs voor het beste verhaal, die de Colombiaanse schrijvers- en kunstenaarsbond hem in juli had verleend voor zijn verhaal 'Een dag na zaterdag'.

Nadat Afval en dorre bladeren vijf jaar in de ijskast was gezet en na de klap van de afwijzing van de roman door de uitgeverij, was die prijs voor García Márquez zijn eerste belangrijke erkenning als schrijver. Jaren later zou hij die prijs echter bagatelliseren door te zeggen dat hij dat verhaal had ingezonden omdat de secretaris van de schrijvers- en kunstenaarsbond, met wie hij bevriend was, hem had gevraagd mee te doen vanwege het lage peil van de inzenders, dat hij toen ja had gezegd en hem zijn onafgemaakte verhaal had overhandigd. Maar de dichter Carlos Martín, zijn vroegere literatuurdocent op het lyceum van Zipaquirá, weet nog dat hij en Hernando Téllez, die deel uitmaakten van de jury, hun uiterste best moesten doen om gedaan te krijgen dat de eerste prijs naar 'Een dag na zaterdag' ging, omdat de meningen sterk verdeeld waren. Dit verhaal, dat García Márquez enkele maanden eerder in zijn vrije tijd had geschreven, bevestigt dat García Márquez al nagenoeg gerijpt was als schrijver toen hij bij El Espectador kwam werken, want daarin manifesteert zich al zijn vermogen tot vertellen en de stilistische vaardigheid van zijn beste werk. Gesitueerd in Macondo, net als Afval en dorre bladeren, 'Dinsdagsiësta', 'De uitvaart van Mamá Grande', en Honderd jaar eenzaamheid, was het de tweede Macondiaanse tekst die werd gepubliceerd. Het laat het mythische Macondo in haar terminale stadium zien, verslonden door de armoede en de eenzaamheid, een Macondo dat duidelijk allerlei sociale plagen en natuurrampen heeft ondergaan.

(...)

Toevallig ging de eerste reportage van García Márquez als speciale correspondent van El Espectador, geheel in de lijn van zijn favoriete boeken en thema's, over een natuurramp die tegelijk een sociale ramp was: de tragische aardverschuiving van Media Luna in Medellín. Het was eigenlijk een tweevoudig of drievoudig toeval, want in die periode was de schrijver in de verleiding geweest om op uitnodiging van Alvaro Mutis naar Haïti te reizen, en toen hij naar Medellín kwam scheelde het een haar of hij had afgezien van zijn opdracht en was naar Barranquilla teruggekeerd. Hoewel hij geen beginneling in het genre was (hij had al de prachtige artikelen over de Marquesita van La Sierpe en 'de best geklede sportman' geschreven, en vele kronieken en schetsen over zijn reizen langs de dorpen van de Caribische kust), was het zijn eerste reportage als speciale correspondent van een krant. Hij kreeg het zo benauwd van die verantwoordelijkheid dat hij er jaren later aan terugdacht als aan de angst die hij als klein jongetje had gevoeld voor de altijd rondwarende geesten in het huis in Aracataca. Toen hij in het hotel in Medellín arriveerde, overwoog hij dan ook het bijltje erbij neer te gooien en rechtsomkeert te maken naar Barranquilla. Hij was blij dat het regende, waardoor hij de situatie uit de weg kon gaan en geen stap wilde verzetten, als vastgekluisterd aan zijn spookachtige angsten. Maar toen het opklaarde en hij geen smoezen meer kon bedenken om zich aan zijn opdracht te onttrekken, vermande hij zich en nam een taxi naar Media Luna. Onderweg hoorde hij dat er op dat moment, twee weken na de aardverschuiving, niemand meer aanwezig was op de plaats van de tragedie; hij veranderde toen van richting en liet zich naar Las Estancias brengen, de buurt waar de ramp de meeste slachtoffers had gemaakt. Daar werd hij geconfronteerd met een dantesk kluwen van anekdoten en verhalen. Het meest dramatische en tot de verbeelding sprekende element van alles was dat de meeste slachtoffers geen inwoners van Media Luna waren, maar arme sloebers die de dood verscheidene kilometers tegemoet waren gegaan. In zijn verslag, dat een duidelijk politieke lading had omdat het impliciet een aanklacht bevatte tegen de nalatigheid van de overheid, legde hij de nadruk op het feit dat de aardverschuiving zestig jaar eerder al was begonnen, omdat het her en der stromende water niet was gekanaliseerd. Ook schreef hij dat de meeste slachtoffers niet vielen door de omvang van de opeenvolgende aardverschuivingen, maar door de ongebreidelde solidariteit en het uitblijven van overheidshulp.

Toen García Márquez zich na talrijke uitputtende vraaggesprekken en naspeuringen geconfronteerd zag met het immense materiaal, dat zo rijk was aan verhalen, anekdoten, personages en feiten, schoot hem het recept te binnen dat zijn vriend Alvaro Cepeda Samudio had overgenomen van de Amerikaanse journalistiek, over hoe je van dat soort materiaal een vloeiend, geordend en doorzichtig verhaal kon maken. Hij herinnerde zich ook een van zijn favoriete boeken, The journal of the plague year van Daniel Defoe, maar maakte in de eerste plaats gebruik van zijn recente ervaring als privé-speurder naar de werkelijkheid van de kustdorpen.

Door het journalistieke en literaire succes van 'Balans en reconstructie van de ramp in Antioquia', de reportage die begin augustus van datzelfde jaar in drie afleveringen werd gepubliceerd, ontpopte de jonge auteur zich van de ene dag op de andere als een sterreporter. Na deze eerste reportage volgden er in diezelfde periode nog drie andere indrukwekkende reportages van zijn hand: 'El Chocó, een gebied dat men in Colombia niet kent', 'Van Korea naar de werkelijkheid', 'De drievoudige kampioen onthult zijn geheimen' en zijn meest opzienbarende en belangrijke reportage: 'De waarheid over mijn avontuur', over de schipbreukeling Luis Alejandro Velasco.

(...)

De aanleiding tot de reportage over El Chocó was een grappige geschiedenis die laat zien dat García Márquez zich aangetrokken voelde tot het avontuurlijke aspect van het genre en dat de reportage net als de roman voor hem een samenspel van verbeelding en werkelijkheid was.

Het was allemaal begonnen toen dictator Rojas Pinilla besloot het verre, vergeten departement van de zwarten aan de Stille Oceaan op te heffen en te verdelen onder de aangrenzende departementen. Toen de correspondent van El Espectador in Quibdó geconfronteerd werd met dit plan en met de lauwe reacties van de Chocoanos, kwam hij op het gelukkige idee om een spoedtelegram naar Bogotá te sturen, waarin hij de krant op de hoogte bracht van de permanente demonstratie in de stad tegen die willekeurige beschikking van de centrale regering. Na het tweede telegram wist de directeur van de krant García Márquez over te halen om die gebeurtenis van nationaal belang te gaan verslaan. Toen García Márquez met de fotograaf uit de oude Catalina stapte en door de straten van Quibdó liep, waar dezelfde ondraaglijke hitte heerste als in Aracataca, was er niets dat op een demonstratie duidde. Wel zag hij hoe de vredige Chocoanos, languit in hun hangmatten of op een kruk leunend tegen de deur van hun huis, de hitte van drie uur 's middags doorstonden.

Toen hij tenslotte Primo Guerrero, de correspondent, vond, trof hij ook hem languit in zijn hangmat aan. Guerrero vertelde hem dat hij het verhaal van die permanente demonstratie uit de duim had gezogen, dat er in werkelijkheid niets gebeurde omdat niemand ergens tegen protesteerde. García Márquez, die twee dagen nodig had gehad om in Quibdó te komen, zei dat hij en zijn fotograaf niet van plan waren met lege handen terug te gaan naar Bogotá en dat er daarom een permanente demonstratie op touw gezet moest worden om de reportage te kunnen maken waar de krant op wachtte. Ze gingen toen naar de gouverneur en legden hem de situatie uit, waarop hij de muziekkapel liet aantreden en de mensen bijeenriep voor de permanente demonstratie.

Twee dagen later verschenen in El Espectador de eerste foto's van de demonstratie, en kort daarna arriveerden er in Quibdó verscheidene verslaggevers en zelfs de door het Bogotaanse centralisme gecorrumpeerde Chocoaanse politici. De demonstratie dijde uit tot een dagelijks wassende rivier, terwijl García Márquez El Chocó geografisch, historisch, economisch en cultureel verkende en in vier afleveringen de beste reportage uit zijn loopbaan als journalist publiceerde: 'El Chocó, een gebied dat men in Colombia niet kent'. Terwijl hij zich, zoals zijn gewoonte was, grondig documenteerde en de nadruk legde op de evidente saamhorigheid, liet hij een El Chocó zien met rijke, vruchtbare grond, maar met arme mensen, die door de centrale regering in de steek waren gelaten.

Het was dezelfde eeuwige, paradoxale geschiedenis als die van zijn geboortedorp en van zijn Caribische land in het algemeen. De rijkdom en de vruchtbaarheid van de grond hadden bijgedragen aan de ondergang van zijn bewoners: in Aracataca en de bananenstreek was de bananenteelt de oorzaak geweest en in El Chocó was het de exploitatie van goud en platina. De overeenkomsten tussen die twee werelden waren echter niet alleen economisch en politiek, maar ook, en vooral, geografisch, sociaal en cultureel. García Márquez zag dezelfde gewassen en dezelfde gerechten; dezelfde houten huizen met roestige zinken daken; hij zag hoe de Chocoanos, languit in hun hangmatten of op een kruk leunend tegen de deur van hun huis de hitte doorstonden; hij ging de huizen binnen en zag dezelfde muskietennetten en dezelfde ventilatoren; en op de gezichten van de Chocoanos zag hij dezelfde trotse waardigheid van degene die zich al bij voorbaat verslagen weet. Toen begreep García Márquez, alsof de tijd niet verstreek maar een cirkelgang vertoonde, dat hij weer in Aracataca was, dat hij letterlijk was teruggekeerd naar de oorsprong. Zo groeide bij hem het beeld van Macondo als ondubbelzinnige metafoor voor de voorouderlijke, permanente werkelijkheid van Colombia.

In zijn volgende grote reportage, 'Van Korea naar de werkelijkheid', onderging hij dezelfde, of misschien nog pijnlijker gewaarwording, want opnieuw werd hij geconfronteerd met de geschiedenis van zijn grootvader en van alle veteranen van de laatste grote burgeroorlog.

Drie jaar nadat de conservatieve regering van Laureano Gómez had besloten vierduizend vrijwilligers naar de Koreaanse oorlog te sturen, waren sommigen teruggekeerd in de vorm van honderden kilo's as en anderen als invalide burgers, getekend door het askruisje van de oorlog en de eenzaamheid. De beloften van speciale beurzen en pensioenen voor het leven waren holle woorden geweest om hen te werven voor een zinloos avontuur. De reportage van García Márquez liet zien dat de overlevenden van de Koreaanse oorlog klem zaten tussen twee tragedies, want voor het merendeel waren het arme boeren en dorpsjongens die tijdens de dramatische jaren van het geweld uit hun streek en van hun werk waren verdreven en zich naar die verre en vreemde oorlog lieten sturen om een uitweg te vinden voor hun dagelijkse problemen. Hun drama was vergelijkbaar met dat van kolonel Nicolás Ricardo Márquez en van de andere veteranen van de Oorlog van Duizend Dagen, maar hun situatie was zo mogelijk nog erger. Colombia was dus opnieuw vol soldaten en kolonels die nooit post kregen.

De innemende, opgewekte reportage over de beeldhouwer Rodrigo Arenas Betancourt, die kort daarvoor met zijn werk triomfen had gevierd in Mexico, was een adempauze in zijn Macondiaanse verkenningen. Toch had de onderliggende boodschap opnieuw een kritische lading: de Colombiaanse werkelijkheid was niet aantrekkelijk voor de intellectuelen en de kunstenaars, die noodgedwongen het land verlieten. In die tijd droomde García Márquez van de mogelijkheid naar Europa te reizen, en de geschiedenis van Arenas Betancourt vertoonde een zekere overeenkomst met zijn eigen leven en met zijn zoektochten als schrijver. Vandaar dat hij zich die reportage deels voorstelde als een reportage over zichzelf. Hij was net als Arenas Betancourt in vele steden een zwerver geweest, van de hand in de tand levend, maar altijd met onverzettelijke koppigheid vasthoudend aan zijn roeping; net als de schrijver tijdens zijn verblijf in Parijs zou gebeuren, was de beeldhouwer op de moeilijkste momenten in zijn leven geholpen door vrienden en schreef hij artikelen voor de in Medellín verschijnende krant El Colombiano, onder het pseudoniem PRAB (voor Rodrigo Arenas Betancourt). Net als Arenas Betancourt was García Márquez bevriend met vooraanstaande kunstenaars, intellectuelen en politici, en naargelang van de omstandigheden waren ze zijn leermeesters of helpers. Net als de beeldhouwer was hij een schimmige militant van de communistische partij, en ook hij zou jaren later succes hebben vanuit hetzelfde Azteekse land. Dat leven van handige jongens en succeszoekers werd door de verslaggever losjes, met humor, met duidelijke voldoening en geïnspireerd door zichzelf beschreven in 'Un grande esculptor Colombiano adoptado por México'. Drie jaar voor zijn dood, in mei 1995, vertelde Arenas Betancourt dat García Márquez, toen ze elkaar voor het interview ontmoetten in café Automático in Bogotá, zo goed op de hoogte was van de pieken en dalen in zijn bestaan, dat hij hem amper vragen stelde, alsof hij de reportage al in zijn hoofd had; in werkelijkheid had hij die al deels geënt op zijn eigen levensloop.

Arenas Betancourt herinnerde zich hem als een magere, bleke kettingroker, met zorgvuldig bijgeknipte zwarte snor, die café Automático aan de Avenida Jiménez de Quesada binnenkwam in een op de omgeving afgestemd somber pak en een typisch Bogotaanse jas; de kleurige kleding, waarvan de eigenaar van El Espectador zo was geschrokken, was voorlopig afgeschaft. Bij de krant en in café Automático, waar de intellectuele en literaire crème de la crème van Bogotá bijeenkwam, vond men dat Gabo, zoals ze hem al noemden, het stempel had van een ongewone en bijzondere schrijver, van een toekomstige Nobelprijswinnaar. Dat werd luid verkondigd door zijn onvoorwaardelijke bewonderaars, Eduardo Zalamea Borda en Luis Vicens, de Catalaanse intellectueel en filmmaker die een oriënterende rol had in de cinematografische vorming van de schrijver.

Het enorme succes van de reportage over de schipbreukeling Luis Alejandro Velasco en de welwillende kritieken op de eerste uitgave van Afval en dorre bladeren onderschreven en versterkten die overtuiging van zijn vrienden. (...)

Uit: Dasso Saldívar (vertaald door Francine Mendelaar en Mieke Westra), Terug naar de oorsprong, Meulenhoff, Amsterdam, 560 p., 1198 frank.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234