Zondag 25/08/2019

De woeste hoogten van de Provence

In het hart van de Paca-streek, aan de Italiaanse grens, midden in de driehoek gevormd door de steden Marseille, Nice en Grenoble, liggen de Alpes de Haute-Provence, een van de grootste departementen van Frankrijk (bijna 7.000 vierkante kilometer) voor een van de laagste bevolkingscijfers: 130.000 inwoners. Een weekje in de Provençaalse bergen opent onvermoede perspectieven, wat maar weer eens bewijst dat het achterland vaak boeiender is dan de veelbezongen kust.

Wanneer we met het vliegtuig in Nice arriveren, is het prachtig herfstweer. Er gaat niets boven een vliegveld met palmen voor de deur; je bent ineens elders. We genieten er van onze eerste maaltijd en de crème brûlée is heerlijk. Als de bagage met moeite in het busje is gestouwd, passeren we achtereenvolgens Sophia Antipolis, de lokale Silicon Valley, en Entrevaux, een onwaarschijnlijk middeleeuws dorp met een ophaalbrug. Leve de contrasten!

Onze eerste stop is Castellane, dat de mooiste markt uit de buurt heeft. De typische kleur van de huizen is roze of groen, van een bepaalde soort klei. Door een opening hoog in de muur vliegen de duiven in en uit. Een van deze oude duiventillen dateert uit 1585 en heeft een omlijsting van gladde tegeltjes, tegen de ratten, die anders langs de ruwe huismuur omhoog klimmen om de duiveneieren te roven. De rue du Mi-Temps, het enige dorpsstraatje, was vroeger een doorgangsweg voor de transhumance: de grote schapentrek van de alpenweiden naar de wintergronden. Duizenden schapen, voorafgegaan door de floucas, de gecastreerde ram met de grote klok om de nek, trokken dan door het smalle straatje. Af en toe floepte er een deur open en was de herder weer een lam kwijt. Tegenwoordig worden vele kudden met vrachtwagens vervoerd, hoewel er nog steeds herders zijn die de lange gevaarlijke tocht te voet afleggen, zij het niet meer door de rue du Mi-Temps. Dat zou ook niet meer kunnen, want die staat nu vol terrasjes en prentkaartmolens. De uitbaatster van de enige, schattige hoedenwinkel van Castellane is net gestorven; ze was 105 jaar oud. Wie geen hoed hoeft, kan bij de bakker amandelen kopen, de plaatselijke lekkernij, gesuikerd of met een laagje cacao of marsepein bedekt, in kiezelsteenkleuren.

Smikkelend en smullend van amandelen en bramen beklimmen we het bergpad. Ik ben wild van de Provençaalse daken, met hun knoestige leien en bemoste Romeinse dakpannen, en dus doet het me plezier te horen dat de mensen worden geholpen om hun daken in de Romaanse stijl te herstellen. Het bonenkruid bloeit wit in het wild. Hoog op de rotsen ligt de zeventiende-eeuwse kapel van Notre-Dame du Roc. In de grotten zochten de mensen in 812 beschutting tegen de Saracenen. Begin twintigste eeuw werden de heuvels massaal herbebost, want er kwamen geregeld woeste slijkstromen van de bergen. Weer beneden ontdekken we in de kerk van de Heilige Victor een paar grappige beelden, onder anderen de Heilige Charles Borromeus en de Heilige Franciscus op een Romeinse steen. Je moet oppassen dat je niet in de doopvont valt, want voor het eerst zie ik een doopvont die in de vloer is uitgehouwen. Eigenlijk heel logisch, want de eerste christenen stapten als volwassenen het water in.

Wij dineren heerlijk in het Hôtel du Commerce: soupe au pistou, aïoli (wat hier een groentenschotel met vis is), een fantastische kaaswagen, lekker ijs met fruit.

Bergsirenen

De volgende dag is het zacht maar dreigend: de herfststormen ballen hun vuisten. De grote stormen komen met de oostenwind; de zomerse mistral arriveert uit het noorden. Vandaag zouden normaal de schapen van de bergen afdalen, maar we zien er geen een. Dan maar het plaatselijk museumpje in, waar elk jaar rond een ander thema wordt gewerkt. Ik heb een zwak voor dorpsmusea, maar dit ziet er wel erg saai uit. Eerst moeten we Titi begroeten, het museumhondje. Al bij al valt het nog best mee. De bezielde conservatrice Cathérine Leroy leidt ons rond. We komen te weten dat rijstpoeder (poudre de riz), ooit door elke demi-mondaine gebruikt, eigenlijk gewone gemalen gips was en dat elk Provençaals dorp zijn eigen dialect heeft. In mijn notitieboekje vind ik later een prachtige zin terug: de mensen temmen de stenen door hen namen te geven. Er staat ook een verrukkelijk kacheltje en Cathérine doet ons weer beseffen wat een revolutie het was om het vuur op te sluiten. Voor die tijd schoten de rokzomen van de vrouwen in brand (droegen ze mousseline of zo, dan was er geen redden meer aan) en vielen de kinderen in het vuur.

De grootste canyon van Europa

Vanuit Castellane kun je met een kano, kajak, vlot, hydrospeedboot of floating (met een vlottende rugzak) de rivier de Verdon afdrijven, altijd met gids. Hier loopt de Grande Randonnée (GR) nr.4, die je ook met een mountainbike of te paard kunt volgen. Wij volgen een tijdje de Sentier Martel in de Couloir Samson: 14 kilometer naast de Verdon, het begin van de grootste canyon van Europa. De Verdon is hier een lang groen lint dat soms tot op 700 meter diepte ingekist ligt tussen wilde kliffen. Je moet wel een zaklamp meenemen, want een groot stuk van de wandeling gaat door pikdonkere bergtunnels. De bergen zijn hier tot 2.000 meter hoog; als de mistral blaast, zie je de Middellandse Zee. We worden begeleid door Jean (Jeannot) Cauvin, een ex-bakker die hier de eerste taxi had en die non-stop de onuitgegeven gedichten van onderwijzer Isidore Blanc reciteert.

Als het niet zo goot en donderde, zouden we van prachtige uitzichten genieten. We zouden zelfs de lucht in kunnen, want de Alpes de Haute-Provence zijn het wereldcentrum voor parapente. Vooral het Point Sublime moet subliem zijn, maar wij vluchten de naburige sympathieke herberg in, waar de civet d'agneau (lamsragoût) beroemd is. Tegendraads als altijd bestel ik een ter plaatse gekweekte forel, die een beetje mager uitvalt. Maar de polenta is lekker en de salade met warme geitenkaas is heerlijk. Samen met het goede brood is dat een maaltijd op zich.

Er ligt een stripboek over ene Guy Gilbert, een echt bestaande alternatieve pastoor uit de buurt, door Jean-Marc Kulawik en Benoît Despas, dat nota bene in Durbuy is uitgegeven. Het heet Aimer à tout casser en is al het twaalfde album over die langharige pastoor op zijn zware motor. Intussen gaat het gesprek in de herberg over de wolf, die hier opnieuw is uitgezet. Er zwerft nu een kudde van ongeveer veertig wolven door de buurt. Er zijn ook enkele tientallen vale gieren losgelaten, vogels met een vleugelwijdte van 2,70 meter. Ze zijn familie van de condor van de Andes, maar die meet dan wel meer dan drie meter. Soms zie je ze naast elkaar zitten, vertelt de cafébaas, net zoals in een strip van Lucky Luke. De meningen over al die wolven en gieren zijn verdeeld. De groene jongens vinden het geweldig, maar de herders hebben zo hun bedenkingen. Er zijn tienduizenden schapen in de streek. Een herder met een kudde van vijfhonderd tot duizend schapen verdient ongeveer de helft van het bestaansminimum, terwijl je vroeger met vijftig schapen een gezin kon onderhouden. Het goedkope Nieuw-Zeelandse lam heeft de Provençaalse herder de das omgedaan. Hij heeft dus een tweede job en laat zijn kudde op de zomerweiden aan haar lot over. De wolf valt alleen onbewaakte kudden aan, zeggen ze hier. Iedere keer er een stilte in het gesprek valt (en ook zonder stilte) haalt de gepensioneerde bakker diep adem en laat hij weer een loflied over de streek op ons los. We kunnen tijdelijk aan hem ontsnappen in de thermen van Digne-les-Bains, vooral geschikt voor mensen met reuma en ademhalingsklachten. Het lavendelbad is alvast een heerlijke belevenis. Je wordt door de waterstralen als het ware bij de schouders gegrepen en van kop tot teen gemasseerd. Dat wordt later dan nog eens dunnetjes overgedaan door een mooi meisje in badpak en doorzichtig plastic schort. In het Tonic Hotel slaap ik als een marmot. Het laatste wat ik hoor, is de dreunende stem van de declamerende Jeannot.

De volgende dag is het mistig, maar later wordt het mooi, zodat we een uitzichtpunt kunnen aandoen. We strompelen een steile, spekgladde wandelweg op die vooral uit messcherpe rotspunten bestaat en die gids Eric Olive gewoonlijk op zijn blote voeten doet. We worden beloond door het uitzicht op een grote wilde bruine geit, diep onder ons op een rotsrichel. Soms zie je ook echte rastaschapen, vertelt Eric in alle ernst. In hun lange hoofdhaar blijven allerlei takken en slierten groen hangen, zodat ze er heel vreemd gaan uitzien. Misschien is zo het geloof aan satyrs en bosnimfen ontstaan?

De jagers zijn klaar voor de everzwijnen, waarvan er te veel zouden zijn; ze jagen ze met honden het bos uit. Eric zag gisteren drie everzwijnen met hun kleintjes; de declamerende Jeannot wil zich niet laten kennen: hij zag een everzwijn, een hert en een vos.

Op weg van La Palud naar Moustiers passeren we het meer van Sainte-Croix, 2.200 hectare groot, een stuwmeer voor het drinkwater van Marseille en omgeving, aangelegd in '63. Je hoort de klokken van de verdronken dorpen nog, zegt Eric met een stalen gezicht.

Tibet in de Provence

In Moustiers Sainte-Marie wordt sinds de zeventiende eeuw aardewerk (faience) gemaakt. Het productiegeheim zou in 1668 door een monnik uit Faenza zijn meegebracht. Het dorp ziet er erg toeristisch uit, al heeft het maar zeshonderd inwoners. De ster die hoog boven het dorp tussen twee bergtoppen hangt, werd volgens de legende opgehangen door de chevalier de Blacas, die op een kruistocht gevangen raakte en na zijn bevrijding een extra ster aan de hemel hing.

Faience is geen porselein, maar toch liet Madame de Pompadour hier minstens drie serviezen van elk tweehonderd tot zevenhonderd stuks laten maken. Jackie Kennedy volgde haar voorbeeld.

We bezoeken het meest gerenommeerde atelier, iets buiten de stad, dat een kunstenares uit het Louvre in dienst heeft om onder andere de nieuwe serviezen van Hermès met de hand te beschilderen. Ik zou best wel een kopje met schoteltje willen, met een donker klimopmotief, maar het kleinood kost 10.000 Belgische frank.

Geen groter contrast dan tussen deze decadente weelde en het oergeluid van de zingende Tibetaanse monniken dat we die avond te horen krijgen. Hoe komen die hier in Boeddha's naam terecht? Er komen hier geregeld monniken; elk jaar zijn er Tibetaanse dagen en in Thorame Basse is er een klein klooster dat ik beslist eens wil bezoeken. Intussen nestel ik mij in lotushouding in een hoekje van de zaal en raak prompt in trance. Deze geheime mystieke gezangen, ontoegankelijk voor niet-ingewijden, zijn niet zonder gevaar. Ik koop een cd, die thuis oneerbiedig als 'koeiengeloei' wordt afgedaan.

Versteende prehistorie

Het heerlijke weer van de nieuwe ochtend is ideaal voor een zalige waterwandeling. Digne-les-Bains is het grootste geologische centrum ter wereld. De beschermde zone, 300 miljoen jaren oud, strekt zich uit over bijna 200.000 hectare in de Alpen van de Haute-Provence en de Var en omvat 47 gemeenten. Je mag er geen fossielen loshakken, wel oprapen.

Wij bezoeken keramist Benoît de Souza in Digne-les-Bains, een zwarte Portugees en een groot kunstenaar. Zijn serviezen zijn betaalbaar, maar ik word hopeloos verliefd op een beeld van een vrouw met ramshorens. Het blijkt zijn beste stuk te zijn, kost 72.000 Belgische frank en is al verkocht. Gelukkig maar. Na een woeste rit door een woest prehistorisch landschap komen we in de Villa Gaia in Digne weer in de zoete beschaving terecht. Het hotel is ongeveer driehonderd jaar oud en het is een droom.

De volgende dag dient zich fris en mistig aan, met vederwolken over het blauw. Wij bezoeken de kathedraal Notre Dame du Bourg in de Romeinse nederzetting van Digne-les-Bains. Deze cisterciënzerkerk is waarschijnlijk op een Romeinse tempel gebouwd. De leeuwen die nu het portaal flankeren, ondersteunden vroeger zuilen waartussen de consuls zetelden. De huidige kathedraal is in de Romaanse stijl uit de twaalfde eeuw (roman élancé); het roosvenster is uit 1330. Let op de aanbiddelijke luisterende houding van het beeld dat in een nis in de voorgevel staat, waarschijnlijk de Heilige Johannes.

Het interieur is verrassend. De decoratie werd toevertrouwd aan David Rabinowicz, die een protestantse moeder heeft. Onder de deurmat, onder glas, ligt een ammoniet. Zo barst de hele kerk van de symboliek, maar je hebt er wel een gids bij nodig. Zonder hem ontdek je hoogstens dat de muren 2,5 meter dik zijn, dat de doopvont uit de tiende eeuw stamt en dat de ruiten op de oude manier met de mond zijn geblazen.

In het zeer aangename restaurant L'Origan in Digne-les-Bains, rue Pied de Ville, is de crème brûlée weer uitstekend. Nergens is dit hemelzoete nagerecht zo lekker als in de Haute-Provence. Ik maak het thuis nooit klaar, vanwege dat gedoe met het brandijzer, maar hier probeer ik het in elk restaurant uit en het is overal godenspijs. Na die lichte lunch bezoeken we een santonnier, een maker van de typische Provençaalse kerststalbeeldjes. Helaas zijn de santons nieuwe stijl vreselijk kleine prutsbeeldjes. De aangeklede beeldjes die ik vroeger kocht, zijn museumstukken geworden. Leuk is wel dat bij elke kerststal de dorpsgek hoort, le fada du village. Hij wordt altijd afgebeeld met gespreide armen, in beate bewondering.

Het dorp mijner dromen

De laatste dag van onze reis gedraag ik me als la fada du village. We zijn in Saint-Julien de Verdon, een dorp uit een Provençaalse droom, met een duiventil, een fontein, een kerk, een meer... allemaal van een schoonheid waar dromen van worden gemaakt. Als ik geen camera en notitieboek in mijn handen had, zou ik mijn armen openen om alles te omhelzen. Ik wil weer blijven, hoewel we in een zeer landelijk hotel hebben geslapen, Le Pidanoux, genre Vlaams kustpension uit de jaren '50. Het is het enige hotel in het dorp en staat bol van ongerepte charme. Door de storm is er een waterleiding gebroken en ik neem een ongewild slijkbad. Zo lang het geen rioleringswater is, kan het mij niet schelen. De keuken is verrukkelijk. Ik wil hier blijven... tot we het elfde-eeuwse Annot (laat de 't' ploffen) bezoeken, want dat is ook een leuk dorp om in terug te komen.

Hier komt tenminste nog een trein, maar volgend jaar misschien niet meer. We wandelen de berg op, naar de kapel van Notre-Dame-vers-la-ville, een verwaande dame met een roos in de hand. Ook de Grand'Rue loopt met treden de hoogte in en heeft schietgaten uit de veertiende eeuw. Helemaal in de hoogte zie je een grot. Het is la chambre du roi, waar ooit een koning zich verborgen zou hebben. Hij werd verraden en met zijn gezelschap afgeslacht. Wanneer de mistral loeit, hoor je de verrader huilen.

Het boeiendste kerkje van Annot is dat van de Heilige Johannes de Doper, uit 1042. Ik steek een kaars aan, wat ik altijd doe als ik ergens terug wil komen. Soms helpt het, soms niet. Iets verder ligt een zeventiende-eeuwse chapelle des pénitents. De penitenten staan op het altaarstuk afgebeeld, Nee, het zijn geen leden van de Ku-Klux-Klan, al dragen ze hetzelfde kostuum.

Niks blijven, we moeten een vliegtuig halen. En passant zien we in Puget-Theniers het enige dodenmonument in Frankrijk dat uitsluitend uit een poedelnaakte vrouw bestaat. Weer eens wat anders dan dat valse pathos van stervende soldaten en triomferende schikgodinnen.

Tekst en foto's: Frieda Laevaerts

Office du Tourisme de Digne-les-Bains: Tel. 00-33-4-92.36.62.62

www.alpes-haute-provence.com

Réserve géologique de Haute-Provence:, BP 156, F - 04005 Digne les Bains Cedex

Tel. 00-33-4-92.36.70.70 - fax 0-33-4-92.36.70.71

e-mail: resgeol@calvanet.calvacom.fr

Info over de transhumance en het herderswerk: tel. 00-33-492-35.11.00

De lente en de herfst zijn de beste seizoenen om de Alpes de Haute-Provence te bezoeken; alleen kom je in de herfst wel middenin het jachtseizoen terecht. Januari is vaak de mooiste maand, met helderblauwe luchten, een aangename temperatuur en bottend groen.

In de winter kun je in de bergen niet alleen alle sneeuwsporten beoefenen, maar ook skiën achter een paard, trektochten maken met sneeuwraketten en met hondensleeën.

Als je echt werk wil maken van dat onthaasten, kun je je in Digne zelfs laten opleiden tot ezeldrijver. Info: tel. 00-33-492-31.60.37.

Aanbevolen hotels:

Le Tonic Hôtel, Digne-les-Bains -tel. 00-33-492-32.32.92

Villa Gaia, Digne les Bains - tel. 00-33-492-31.21.60

Hotel-des-gorges-du-verdon, La Palud sur Verdon, tel. 00-33-492-77.38.26

Auberge du Point Sublime, Rougon - tel. 00-33-492.83.60.35

Nouvel Hôtel du Commerce, Castellane - tel. 00-33-492-83.61.00

Le Pidanoux, St Julien du Verdon - tel. 00-33-492-89.05.87

Wegenkaarten

Michelin nr.81: Avignon-Digne - 1/200.000

IGN TOP 115: Provence - Côte d'Azur - 1/250.000

Recept van crème brûlée met lavendelhoning Voor 8 personen:

- 75 cl room - 25 cl melk - 200 gram lavendelhoning - 1 vanillestokje - 10 eierdooiers - gemalen kandijsuiker

- Verwarm de melk, de room en de vanille. Meng de eierdooiers en de honing. Giet de room over de eieren en roer alles door elkaar. Vul de vormpjes. 35 minuten au bain-marie net niet laten koken (90°C). Bestrooi met de kandijsuiker... 'et brûler' zegt het recept. Dat moet met een speciaal soort krultang, maar je kunt natuurlijk ook vals spelen en de vormpjes nog even onder de grill zetten. (Recept van Vincent Maillard, kok van La Bastide de Moustiers in Moustiers Sainte Marie )

Alexandra en Marie-Madeleine

Dit blijft een reis van contrasten, want nu gaan we Samten Dzong, het huis van Alexandra David-Néel bezoeken, waar de Stichting en het museum zijn gevestigd die naar haar zijn genoemd. Hoe zal ik Alexandra, vrijmetselaar en boeddhiste, in vijf woorden beschrijven? Ondanks haar naam is ze geboren in Parijs, in 1868. In haar jonge jaren was ze operazangeres, compleet met gewaagde kostuums. Ze trouwde uit opportunisme, want in die tijd (begin twintigste eeuw) werd een ongetrouwde vrouw niet serieus genomen.

Het paar zou elkaar praktisch niet meer zien, want Alexandra voelde zich maar gelukkig op de toppen van de Himalaya en de barre hoogvlakten van Tibet. Ze werd een gezaghebbende oriëntaliste, de eerste vrouw die in 1926 de geheime stad Lhasa bezocht en de eerste westerling die de dertiende dalai lama interviewde. Op het ogenblik verslind ik al haar boeken en dat zijn er meer dan dertig. Haar reisverhaal naar Lhasa lees je in een adem uit en ze is de eerste oriëntaliste van wie ik een sobere en exacte beschrijving van het boeddhisme las. De ontberingen die ze op haar reizen doorstond, zouden sterke mannen hebben geveld, maar wanneer ze weer in het decadente Westen was, leed ze aan allerlei kwalen en kwaaltjes, die als bij toverslag verdwenen wanneer ze weer een yak kon beklimmen om ijzige sneeuwstormen, rovers en gammele touwbruggen te trotseren.

Tijdens een van haar passages in de Haute-Provence ontmoette ze de vrouw die nu de Fondation Alexandra David-Néel leidt, de briljante feministe Marie-Madeleine Peyronnet. Het verloop van die ontmoeting was typisch voor Alexandra, die zoals alle grote geesten psychotische trekjes vertoonde. Ze was 91 jaar oud en verbleef in een hotel. Ze vroeg de haar verder totaal onbekende Maria Magdalena om bij haar te blijven, want ze wist zeker dat ze die nacht zou sterven. Deze episode vind ik onwaarschijnlijk aangrijpend: een wereldberoemde geleerde ontdekkingsreizigster die over de hele wereld vrienden moet hebben, vraagt in een Provençaals hotel aan een volslagen onbekende om die nacht haar hand vast te houden. Het slot van het liedje was dat Marie-Madeleine de laatste tien jaren van Alexandra's leven bij haar bleef.

De juiste aard van die relatie blijft voorlopig in het ongewisse, maar Alexandra kon heel tiranniek zijn. Het leven met haar was moeilijk. "Ik aanbad haar en tegelijk had ik haar kunnen wurgen", zegt een hyperkinetische Marie-Madeleine. "Ze kleedde je uit met haar blik. Hoe ouder ik word, hoe meer en hoe minder ik haar begrijp." Alexandra werd 101 en stierf in het nederige huis dat je nu kunt bezoeken. Ze was er gaan wonen omdat het landschap van de Haute-Provence haar aan Tibet deed denken. De kamers zijn piepklein, maar met name het tempeltje herbergt onvoorstelbare schatten aan tangka's en beelden. Er staat onder andere een grote ivoren Japanse boeddha, onvoorstelbaar fijn bewerkt. In een brief aan haar man beschrijft Alexandra net zo'n beeld, dat ik graag bij ons thuis zou zien. Ontroerend is het Spartaanse slaapkamertje waar ze in een stoel is gestorven. Het vest dat ze toen droeg, ligt in de wasserijverpakking op de zitting. Ze had net haar paspoort vernieuwd om aan een nieuwe Aziatische reis te beginnen.

Ik heb met veel spanning naar dit bezoek uitgekeken, ik heb mijn huiswerk gedaan en ik heb een oprechte bewondering voor Alexandra, maar ik moet toch even vertellen dat de Encyclopaedia Britannica enige twijfels heeft over het feit dat ze de eerste blanke vrouw was die Lhasa bezocht. Marie-Madeleine, die in China om voor de hand liggende redenen niet meer welkom is, ontploft zowat van verontwaardiging. Achterhaalde laster! Consulteer onze eigen website! Wanneer een collega dan nog al te duidelijk haar Chinese sympathieën laat blijken, worden we net niet op straat gegooid, maar het gesprek is wel afgelopen.

Fondation Alexandra David-Néel: tel. 00-33-4-92.31.32.38

www.alexandra-david-neel.org

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden