Zaterdag 24/07/2021

De wanhoop van Philippe Bodson

Nog steeds geen beslissing over postconcurrentie

Hoewel alle argumenten voor het tegendeel pleiten, gaat de Europese postliberalisering maar niet vooruit.

De kans is groot dat senator Philippe Bodson (PRL) gisteren een diepe zucht geslaakt heeft. Niet van opluchting, maar van wanhoop. Hij had het de Europese ministers van Post en Telecom nog zo duidelijk uitgelegd in een open brief in The Wall Street Journal van donderdag. Het was hoog tijd om in verband met de liberalisering van de postdiensten nu eens spijkers met koppen te slaan. Maar de excellenties kwamen er gisteren eens te meer niet uit. Een concrete beslissing over de liberalisering, waarover in 1997 al een principeakkoord werd bereikt, lijkt verder af dan ooit.

Dat Bodson zich zo druk maakt over de vrije postmarkt, komt doordat hij voorzitter is van de Free and Fair Post Initiative, een lobbygroep van grote klanten van de Europese posterijen. Die bedrijven vinden dat de al jaren geleden beloofde concurrentie veel te lang op zich laat wachten. Dat heeft alles te maken met de verdeeldheid van de Europese lidstaten. De noordelijke landen zijn voorstander van een vrijgemaakte markt. Zweden heeft zijn eigen markt al in 1993 voor honderd procent opengegooid, en Nederland en Duitsland hebben sterk presterende en beursgenoteerde postbedrijven die staan te trappelen om elders in Europa aan de slag te gaan.

Tegenover die noordelijke lobby staan de zuidelijke landen, aangevoerd door Frankrijk. Zij vinden eigenlijk dat de postlevering niet aan de wetten van de vrije markt onderworpen moet worden, omdat een stipte bezorging en een fijnmazig netwerk van postkantoortjes een maatschappelijk noodzaak zijn, ongeacht het financiële rendement ervan. Om het nog ingewikkelder te maken, weerspiegelt die tegenstelling zich nog eens binnen de Europese organen: de Commissie zit op de 'noordelijke' lijn, het Parlement op de 'zuidelijke'.

Tegenstanders van de liberalisering halen hoofdzakelijk drie argumenten aan om de concurrentie tegen te houden. Ten eerste vrezen ze dat de dienstverlening erop achteruitgaat. Een argument dat weinig geloofwaardig overkomt als je weet dat bijvoorbeeld de Belgische staatsmonopolist de krantenbezorging grotendeels is kwijtgeraakt wegens gebrekkige dienstverlening, en de Duitse staatsmonopolist voor een postzegel anderhalf keer zoveel rekent als de uiterst efficiënt werkende Nederlandse posterijen. Tegenstanders zijn ook bang dat de vrije markt voor een reductie van het aantal postkantoren zal zorgen. In Frankrijk heeft La Poste 17.000 kantoren, terwijl in de Zweedse posterijen er in een concurrentiële omgeving maar 1.934 hebben. Wat de tegenstanders vergeten, is dat het de Franse staat ook in een vrije markt is toegestaan om 17.000 postkantoren te subsidiëren. Wat evenwel niet langer zou kunnen, is concurrenten van de markt weren die dit aantal wat hoog vinden. Net zomin als het de Duitsers dan nog is toegestaan concurrenten van de markt te weren die brieven tegen lagere tarieven kunnen bezorgen.

De mogelijkheid dat de dienstverlening te veel uitgehold zou worden, is bovendien uitgesloten door de universele dienstverlening. Net als bij de telecomliberalisering staan daarin de minimumvoorwaarden opgesomd waaraan de dienstverlening moet voldoen. Dat verafgelegen adressen geen post meer bezorgd zouden krijgen of meer moeten gaan betalen, is dus uitgesloten.

Tweede argument van de tegenstanders is het verlies aan werkgelegenheid. Vrije markt betekent concurrentie, concurrentie betekent efficiëntie, efficiëntie betekent automatisering en automatisering betekent minder personeel. Daar valt niets tegen in te brengen. Maar hoe sterk is dat argument nog op een moment dat de Belgische posterijen hemel en aarde moeten bewegen om nog iemand bereid te vinden de brieven in Vlaams-Brabant rond te dragen en de postbodes nog niet-opgenomen vakantiedagen ter waarde van 7 miljard te goed hebben? En hoe is het subsidiëren van overtollige arbeidsplaatsen te verdedigen tegenover de belastingbetaler?

Laatste argument dan. De liberalisering zou te snel gaan. De staatsmonopolies hebben meer tijd nodig om zich op de vrije markt voor te bereiden. Tja, wat is snel? Al in 1989 werd er over de vrijmaking van de postmarkt gesproken. In 1997 werd de afspraak gemaakt om daar "gradueel en gecontroleerd" werk van te maken. Is een liberalisering in 2007 dan te snel? Om nog eens het voorbeeld van de Belgische posterijen aan te halen: jarenlang is het probleem door de achtereenvolgende regeringen genegeerd. Bij elke maand die voorbijging, liep De Post meer achterstand op ten opzichte van zijn Nederlandse en Duitse collega's en toekomstige concurrenten. Het werd ook moeilijker die achterstand in te halen. Het was pas met het aantreden van Rik Daems in de regering en diens benoeming van Frans Rombouts aan de top van De Post dat er eindelijk iets gebeurde. Het argument dat de verandering te snel gaat, is moeilijk te verdedigen na jaren van inertie.

Bij alle discussies over de liberalisering van de posterijen wordt niet zelden één ding over het hoofd gezien: de belangen van de consument. Die is gebaat bij een goede dienstverlening en lage prijzen. Om die twee dingen te bereiken, is concurrentie een bij uitstek geschikt middel. Dat is trouwens ook de mening van de Europese consumentenorganisatie BEUC. Die is ondubbelzinnig voorstander van een snelle en voortvarende liberalisering.

Bij alle discussies wordt niet zelden één ding over het hoofd gezien: de belangen van de consument

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234