Dinsdag 19/11/2019

De waarheid spreekt niet vanzelf

Een nuttige aanzet tot publieke discussie: 'Mensen,

rechten en islam. Beschouwingen over grondrechten'

Griet Boddez

Over de soms troebele verhouding tussen islam en mensenrechten en de toepassing van de mensenrechten ten opzichte van moslims in de Nederlandse maatschappij gaf de Stichting Bijzondere Leerstoel Islam (SBLI) aan de Universiteit van Amsterdam een verzameling essays uit, Mensen, rechten en islam, die in de stroom van publicaties bij gelegenheid van het halve-eeuwfeest van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) vorig jaar misschien niet de aandacht kreeg die ze verdiende. Er verschijnt niet elke dag een boek dat, zoals deze meer dan verdienstelijke bundel, werkelijk aanzet tot publieke discussie over de genoemde kwesties.

In het eerste deel gaan de auteurs uit van een internationaal en algemeen standpunt. Hun bijdragen maken de complexiteit van elk onderzoek in verband met de islamitische godsdienst duidelijk. Jammer genoeg, zo stellen ze, gaan nogal wat auteurs oppervlakkig of demagogisch te werk. Met enkele goed gekozen citaten uit de koran of de hadieth (de zeer gezaghebbende verzameling niet-koranische, overgeleverde verhalen over de Profeet) kan men zowat alles bewijzen. Er is ook begripsverwarring, 'islam' is een naam die veel ladingen moet dekken en men laat na het juiste onderzoeksterrein te definiëren. Gaat het om een plaatselijke variant, een specifieke periode in de geschiedenis, over de koran of over afgeleide geschriften, of over de politieke islam die al eeuwen de godsdienst misbruikt?

Het is een feit dat de bloeiperiode van de islamitische rede al eeuwen voorbij is, en dat slecht enkelingen vanuit een moderne instelling kritisch-wetenschappelijk onderzoek doen. De auteurs benadrukken dan ook het belang van studie, de noodzaak van herinterpretatie van de bronnen en oude begrippen, om zo de schijnbare contradictie tussen mensenrechten en islam weg te werken.

In het eerste en meest filosofische artikel peilt Mohammed Arkoun omzichtig en met grote wetenschappelijke ernst naar de basis van elk standpunt in de mensenrechtendiscussie: de inhoud van het begrip 'persoon'. Hij komt tot de conclusie dat de islamitische visie ver afstaat van de moderne, voornamelijk westerse visie van de persoon als rationeel en autonoom handelend individu. (Moderniteit is voor Arkoun een mentaliteit, niet gebonden aan een tijdperk.) Hij roept de moslims op om de eigen waarden opnieuw te bekijken en pleit voor een nu vrijwel onbestaande dialoog tussen de twee groepen om tot een nieuw mensbeeld te komen. Een wisselwerking tussen het religieuze en het moderne denken, met wederzijdse problematisering, zou erg nuttig zijn. Het stimuleert tot bezinning en verfijning van algemeen aanvaarde principes. Kritisch onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de eigen en 'enige' waarheid zijn een absolute noodzaak. Een intellectueel incestueuze houding, waardoor elke partij enkel probeert haar eigen gelijk te bevestigen, is gevaarlijk: "De logica van de oorlog is geworteld in de logica van de vanzelfsprekende waarheid."

Moslims staan overigens niet alleen in hun aarzeling om de UVMR te aanvaarden wegens het ontbreken in de tekst van elke band tussen de mens en het goddelijke. In verschillende discussies (zoals over euthanasie en abortus, thema's die in het laatste essay behandeld worden door Abdulwahid van Bommel) zien we eerder de polarisatie gelovigen tegenover niet-gelovigen dan die van moslims tegenover niet-moslims opduiken. Maar ook voor een aantal 'moderne' wetenschappers is God niet langer morsdood. Misschien is er in de komende eeuw weer meer plaats voor spiritualiteit en wordt de scheiding tussen beide identiteiten wat minder onoverkomelijk.

Volgens Riffat Hassan leven we nu in een periode van grote verlichting en duisternis tegelijk en zijn we op een punt gekomen waar de discrepantie tussen de praktijken van moslims en de islamitische regels verantwoord zal moeten worden. Voor moslimvrouwen kan de koran, uit een niet-patriarchaal standpunt geïnterpreteerd, een hefboom voor hun emancipatie zijn, gezien de nadruk die erin wordt gelegd op zelfverwerkelijking en bevrijding van de mens, en door de vele rechten die de vrouw erin toegekend krijgt. Veel gebruiken die zogenaamd islamitisch zijn, zijn immers in tegenspraak met de koranische regels: het uithuwelijken van minderjarige meisjes, bijvoorbeeld, aangezien het huwelijk een contract tussen volwassenen is. Het idee dat de echtgenoot het uiteindelijke lot van zijn vrouw zou bepalen (hel of hemel?), in een godsdienst die elke bemiddelaar tussen god en de gelovige verwerpt, noemt ze tragisch en ironisch.

In islamitische landen moet men de wetten tegen vrouwen aanvechten met betere religieuze argumenten, dus is er onderzoek naar de bronnen van de normatieve islam nodig. En vrouwen moeten volwaardige gesprekspartners worden in theologische discussies over vrouwenkwesties. Belangrijk is dat innerlijke belemmeringen, zoals het ontbreken van een positief zelfbeeld, van een gevoel van veiligheid, van mentale en morele autonomie, worden weggenomen, zodat de vrouwen zichzelf kunnen bevrijden.

Het is zinloos en intellectueel oneerlijk om het klassieke islamitische recht, dat nog dateert uit de middeleeuwen, te meten aan hedendaagse waarden en maatstaven, aldus Ruud Peters. Ter vergelijking: het concept van de mensenrechten zoals dat in de achttiende eeuw ontstond was in beginsel alleen van toepassing op blanke vrije mannen. Op een dieper fundamenteel niveau blijkt de sjaria universeel te zijn en gebaseerd op een essentiële gelijkheid van alle mensen. De inhoud van deze basiswaarden en onvervreemdbare rechten moet worden gezien tegen de historische achtergrond. Maar ze kunnen een uitgangspunt zijn voor een debat over een nieuwe interpretatie van het islamitische recht die de huidige mensenrechten zou beschermen.

Deel twee onderzoekt de concrete mogelijkheden en grenzen van de godsdienstvrijheid uit een Nederlandse invalshoek, die ook voor België interessant kan zijn. Meer en meer worden de mensenrechten in Nederland juridisch toegepast, en vooral het recht op godsdienstvrijheid wordt door moslims aangegrepen om bepaalde rechten te verwerven. Doorgaans wordt zonder meer aangenomen dat onze westerse maatschappijen de mensenrechten eerbiedigen. Maar hoe staat het met de praktische toepassing ervan in het overheidsbeleid, op het werk, in de rechtsorde, het onderwijs en de gezondheidszorg? De conclusie luidt dat die zich nog vaak in "het schemergebied tussen wet en werkelijkheid" bevindt. Een van de oorzaken is zeker dat er grote lacunes zijn in de wetgeving. Vrij veel wordt overgelaten aan de willekeur van de ambtenarij of de rechter, die soms op basis van betwistbare argumenten, zoals het bestaan van buitenlandse inmenging (Noordam en Van Oordt) beslissen. Het gebrek aan eenduidigheid in de moslimgemeenschap zelf is een ander belangrijk obstakel in het opstellen van wetten en regels. Men kan van een Nederlandse rechter niet verwachten dat hij de rol van theologen overneemt. De moslimgemeenschap zelf dient beslissingen te nemen en uit deze impasse te raken.

Belangrijk voor de toekomst van een samenleving is het onderwijs. Anders dan in Nederland bestaan er in België geen islamitische scholen. Wel kan men in het gemeenschapsonderwijs (theoretisch althans, er is een gebrek aan erkende leerkrachten) islamitische godsdienst volgen, maar het hele programma is er vanzelfsprekend niet doordrenkt van de islamitische waarden. Het is begrijpelijk dat een gedeelte van de moslimouders islamitische scholen wensen. (Hoeveel christelijke ouders zouden hun kinderen naar een islamitische school sturen?) En volgens de principes van godsdienstvrijheid en vrije keuze van onderwijs hebben ze daar recht op. Maar is het wenselijk dat verschillende bevolkingsgroepen in een samenleving van elkaar gescheiden opgroeien en van elkaar vervreemden? Voor beide partijen is een confrontatie van jongsaf aan vruchtbaarder voor het denken dan continue bevestiging van de waarden die ze van thuis meekrijgen. Als beide groepen via het onderwijs een aantal waarden delen, wordt wederzijds begrip al minder utopisch. Het gemeenschapsonderwijs zou ieders eigenheid zoveel mogelijk moeten respecteren, zodat de behoefte aan een apart net niet te groot wordt. Wat creativiteit kan vast een aantal obstakels voor moslims wegnemen, zolang men van een detail geen principekwestie of symbool maakt.

"Moslims nodigen wij uit tot kritische zelfreflectie en niet-moslims reiken wij een voorzet aan tot nadere meningsvorming," zo stelt de voorzitter van het SBLI-bestuur in het voorwoord. En vice versa, zou ik zeggen na de lectuur van dit boek, waarin zowel filosofische kwesties als zeer concrete problemen worden behandeld. Mij bevalt vooral de dynamische visie die eruit spreekt, het zoeken naar nieuwe mogelijkheden vanuit een realistische opstelling. Dit is een toekomstproject dat ingaat tegen de stelling dat een dialoog tussen moslims en niet-moslims onmogelijk is, een statisch standpunt waarmee men zich blind staart op het heden en beide partijen tot verstarring veroordeelt, alsof een maatschappij niet voortdurend in beweging zou zijn.

Katja Noordam, Roemer van Oordt en Coskun Cörüz (red.), Mensen, rechten en islam. Beschouwingen over grondrechten, Bulaaq/SBLI, 221 p., 590 frank.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234