Maandag 19/08/2019

Holocaust-archieven

De waarheid over de zeepmaker van Auschwitz

Douglas De Coninck dook onder in het Wiener-archief in Londen, waar talloze documenten over het nazisme worden bewaard. Hij ontdekte er enkele markante Belgische verhalen uit WO II. 
Vandaag deel 1: Philipp Auerbach, een Belgisch-Duitse chemicus die een tragisch lot beschoren was.

Philipp Auerbach in 1948. De Duitse Jood, die sinds 1934 in België woonde en werkte, overleefde de con­centratie­kampen en werd na de oorlog Duits staats­­­commis­saris voor racistische, religieuze en politieke vervolgden. Beeld Getty Images

Wasten Adolf Hitler en Heinrich Himmler zich werkelijk elke ochtend met zeep, gemaakt van in Auschwitz omgebrachte Joden? Zit er menselijk vet in de stukjes zeep die her en der onder gedenkplaten liggen begraven op Joodse kerkhoven? Na 70 jaar is het eindelijk openbaar: het manuscript van Philipp Auerbach, fabrikant van zeep uit Berchem.

Het papier is dunner dan een vloeitje.

De letters zijn ooit neergehamerd op een schrijfmachine. Kopieermachines waren er nog niet. Wilde je meerdere exemplaren van je manuscript, dan rolde je meerdere vellen flinterdun papier achter elkaar door de machine, met zwart carbonpapier ertussen. Er kunnen wereldwijd hooguit zes exemplaren van dit manuscript hebben bestaan.

Hij heeft zijn naam neergepend op de eerste van de 35 vellen. Philipp Auerbach, overlevende van de kampen van Auschwitz en Buchenwald. Na de oorlog aangesteld als eerste ‘staatscommissaris voor racistische, religieuze en politieke vervolgden’ in het toen nog door de Britten bezette Düsseldorf. Hij kreeg de leiding over de eerste operatie Wiedergut­machung: het becijferen van financiële compensaties voor slachtoffers van de Endlösung. Auerbach maakte geen enkel onderscheid tussen joden, zigeuners, communisten of holebi’s. Was daar zelfs heel stellig in, desnoods tegen de eigen joodse gemeenschap in.

Hij is daardoor vaak bestempeld als controversieel.

Over Philipp Auerbach zijn na z’n dood in het naoorlogse Duitsland behoorlijk wat studies en documentaires gemaakt. Wikipedia alleen vermeldt negen boeken. Auerbach stond als staatscommissaris op zijn strepen, stelde volgens zijn critici “onmogelijke eisen”. 

In 1951 zag hij zich beticht van fraude met compensatiegelden en schuldig bevonden door een rechtbank in München. Achteraf bleek die voor de helft te hebben bestaan uit ex-nazibeulen.

De nacht na het vonnis, een veroordeling tot 2,5 jaar cel, slikte Philipp Auerbach op 16 augustus 1952 een overdosis slaappillen. In zijn afscheidsbrief schreef hij: ‘Ik heb mij nooit persoonlijk verrijkt en kan deze schandelijke uitspraak niet tolereren. Ik heb gevochten tot het einde, het werd niets.’

Philipp Auerbach (midden) op een congres van Holocaust-overlevers in München. Beeld rv

Er zijn dus een hoop boeken verschenen over de in 1954 door een Duitse parlementaire commissie al volledig gerehabiliteerde man, maar het boek dat hij zelf ooit schreef, dat nu voor ons ligt, is nooit gepubliceerd. Hij heeft zijn oorlogsmemoires ergens in het jaar 1945 neergehamerd in het Engels. De titel: I Am the Man Who Saw Misery! Ik ben de man die de ellende zag. Uitroepteken.

We draaien het eerste vel om.

‘Opgedragen aan de doden van de concentratiekampen’, staat er. ‘En aan het geallieerde bevrijdingsleger, met dank.’

Het eerste vel voert ons terug naar de jaren voor de oorlog.

Antwerpen, 1940

Philipp Auerbach is in 1934, na de machtsovername door Hitler, op z’n 28ste met zijn gezin van Hamburg naar Brussel gevlucht. Daar vervolledigt hij aan het Institut Meurice zijn studies als chemicus. Hij maakt snel carrière, komt aan het hoofd te staan van een fabriek van schoonmaakproducten dat in Berchem werk verschaft aan tweeduizend mensen. Als hij in 1938 hoort over de Kristallnacht en de moord op zijn vader door de nazi’s, zet hij echtgenote Martha en dochter Helen op een schip naar Cuba. Hij hoopt hen later achterna te kunnen reizen, maar als het passagiersschip Saint-Louis in mei 1939 met ruim negenhonderd joodse vluchtelingen door Cuba naar Europa wordt teruggestuurd, is het duidelijk. Europese joden kunnen geen kant meer op.

Hier begint zijn verhaal. 9 mei 1940. Met op de radio het nieuws over de nakende invasie van de nazi’s in België.

‘De volgende ochtend bevestigden de orders van de Belgische regering wat we hadden gevreesd. Conform aan mijn plicht, meldde ik mij bij de politie (in Berchem, DDC), waar ik werd gearresteerd. Ondanks mijn denaturalisering door de Duitsers en ondanks dat ik bekendstond als een opposant van Hitler. Ik werd opgesloten in een cel en het enige wat ik hoorde, was kanongebulder.’

Op woensdag 15 mei 1940 wordt hij uit z’n cel gehaald en in het station van Berchem met zo’n duizend Duitsers en van Duitse sympathieën verdachte Belgen in een veewagon geduwd.

‘Hoe vernederend was het niet om samen te worden gegooid met Duitse spionnen, nazi’s in hun uniformen en leden van Duitse clubs. Overal waar de trein stopte, gooiden mensen stenen, spuwden ze naar ons. Drie dagen en twee nachten lang reed de trein verder, zuidwaarts Frankrijk in.’

Rookwolken

Vel na vel neemt Philipp Auerbach je mee op een reis langs de Franse kampen van Saint-Cyprien, Gurs en Le Vernet. Vluchtelingenstromen in Perpignan, Vichy en Pau, tot hij door het collaborerende Franse Vichy-regime aan de nazi’s wordt uitgeleverd. In januari 1944 wordt hij op een trein naar Auschwitz gezet.

Hij schrijft: ‘Auschwitz, dat zijn 4.800.000 doden, het summum van menselijke slechtheid, sadistische brutaliteit en beestachtige schanddaden. Hier stopte onze trein. We strompelden over de rails, geëscorteerd door gewapende SS-mannen. We zagen mannen in rijen van vijf, gekleed in gestreepte pakken. Hun uitgehongerde gedaantes, hun sombere blikken, hun wanhoop. We zagen de rookwolken boven de vier schoorstenen, niet zo ver van ons. We wisten nog niet wat voor fabriek daar was. Later werden onze twijfels bevestigd, dat deze wolken uit het crematorium van Auschwitz-Birkenau kwamen, waar elke dag 4.000 mensen werden geofferd. De SS verkocht de asse als meststof aan plaatselijke boeren.”

In de eerste jaren na de oorlog was 4,8 miljoen het algemeen aanvaarde dodencijfer voor Auschwitz-Birkenau. Het is later door historici bijgesteld naar 1,1 miljoen. Zou dit de reden kunnen zijn waarom de nabestaanden van Auerbach beslisten dat het manuscript niet mocht worden geopenbaard? De gedachte dat deze 35 velletjes, zoals gebeurde met andere niet altijd even factueel onderbouwde aantekeningen van overlevers, ooit zouden kunnen worden misbruikt door Holocaust-ontkenners?

Nee, dat is het niet.

Zijn eerste dagen in Auschwitz zijn hels.

‘We marcheerden ’s ochtends het kamp uit. De kapo vroeg hoeveel joden er in onze groep waren. Toen hem werd gezegd dat het er 180 waren, kwam het bevel dat er maar 100 mochten terug­keren. De andere 80 bleven achter, op beestachtige manier vermoord door hun eigen kameraden.’

Hij wordt ingedeeld in een groepje dat aan een rivier met spades stenen en rotsblokken in rail­wagentjes moet scheppen. Als zijn wagentje ontspoort, wordt hij door een bewaker in elkaar geslagen.

‘Een arts en vriend heeft me geholpen mijn wonden te doen genezen. Enkele dagen later werd ik aan Sturmbannführer Pflaum voorgesteld om als chemicus te gaan werken.’

Vertekend beeld

Het wordt zijn redding. De nazi’s ontdekken zijn gave: het vervaardigen van zeep uit dierlijke vetten. Hij heeft die gave op vel 6 van zijn manuscript al zijdelings ter sprake gebracht, als hij beschrijft hoe zijn gevangenenkamp langs de Zuid-Franse kust in de zomer van 1940 wordt getroffen door een stortvloed: ‘Een groot deel van het vee was verdronken. Ik kreeg de opdracht de omgekomen dieren te verzamelen en er zeep van te maken.’

Hij is niet zomaar zeepmaker, hij is een vakman. Hij krijgt als chef-chemicus de taak om in Auschwitz zeep van de allerbeste kwaliteit te produceren, speciaal voor Adolf Hitler en Heinrich Himmler, zo wordt hem verteld. Hij verwerft een beschermd statuut in het basiskamp Auschwitz 1, wat maakt dat hij een wat vertekend beeld heeft van wat zich enkele kilometers verderop afspeelt in Birkenau.

We bladeren verder.

Hij heeft het over SS-Obersturmführer Franz Hössler, een van de wreedaardigste kampbeulen, die in 1941 en 1942 de eerste massa-executies op joden uitvoert en duizenden persoonlijk de gas­kamers injaagt. Hij is eind 1945 door de Britten na een kort militair proces opgehangen in Bergen-Belsen. Hössler wordt door Auerbach halfweg het manuscript omschreven als ‘een humane en fatsoenlijke man’. Kan dat dan de reden zijn voor de geheimhouding?

Ook niet.

Vrouwen desinfecteren

Het is ook niet dat hij zaken verbloemt. Dat hij verder ergens ook maar iets zou hebben neergehamerd waar negationisten mee aan de slag konden.

In het voorjaar van 1944 is Auerbach getuige van de aankomst van maar liefst een half miljoen Hongaarse joden. Als chef-chemicus moeten hij en zijn mensen eindeloze rijen naakte vrouwen des­infecteren. Hij schrijft: ‘Die Hongaarse transporten heb ik zelf gezien. Ik herinner me ook dat mijn Griekse vrienden ons vertelden dat mensen werden vermoord met gas, maar wij konden dat niet geloven. Wij moesten onszelf ervan overtuigen dat we de echte waarheid over Auschwitz niet kenden. Het basiskamp in Auschwitz was een paradijs, vergeleken met de omstandigheden in Birkenau.’

Het blijft gek dat deze historisch zo pertinente getuigenis zo lang is achtergehouden. Philipp Auerbach drukt in z’n voorwoord zelf nochtans nadrukkelijk de wil uit om te worden gelezen: ‘Dit boek kan niet pretenderen volledig te zijn, want elke gevangene heeft te veel verschrikkingen meegemaakt, misschien meer dan ikzelf. Toch geeft dit boek een waarheidsgetrouw beeld van wat zich afspeelde in de kampen. Laat het helpen om herhaling van dergelijk kwaad te voorkomen.’

Er lag een door zijn nabestaanden geschonken exemplaar in de archieven van het Leo Baeck Institute in New York, waar het tot voor kort enkel “onderhevig aan restricties” kon worden geconsulteerd. Een ander exemplaar lag hier te verkommeren, in het Wiener-archief. Nu is het openbaar.

Wansmakelijke grap

Op jewishvirtuallibrary.org lees je: “In Auschwitz diende Auerbach medicijnen en pesticiden te maken. Hij getuigde te zijn gedwongen om zeep te maken van menselijke resten.”

Zo staat het ook vermeld op Wikipedia, in diverse boeken en tal van korte onlinebiografietjes.

RIF-zeep behoorde tot de uitrusting van Duitse soldaten. De afkorting in gotische letters stond voor Reichs­stelle für Industrielle Fettver­sorgung, en niet voor Reichs-Juden-Fett. Beeld rv

Historici en chemici zijn het er anders al een poosje over eens dat er tijdens de oorlog nooit zoiets heeft bestaan als een industrieel gebruik van menselijke vetten voor zeep. Bij de bevrijding van het Poolse Gdańsk werd in 1945 wel het labo ontdekt van de Duitse professor Rudolf Spanner, die op vraag van de nazi’s aan de slag was gegaan met vetten van Russische gevangenen uit het concentratiekamp van Stutthof. Het was Spanner zelfs gelukt een aantal mensenzeepjes te produceren, maar die productie bleef erg marginaal. In 2006 kon in een labo worden aangetoond dat de zeep van Spanner inderdaad menselijke resten bevatte, maar ook dat de zeep waardeloos was en nooit de experimentele fase is ontgroeid.

Toch blijven veel mensen tot vandaag geloven dat jodenzeep heeft bestaan. Tijdens de oorlog, zo werd lang aangenomen, kon je ze herkennen aan de in gotisch schrift aangebrachte initialen ‘RIF’ op de zeepjes die elke Duitse soldaat in z’n basisuitrusting meekreeg. RIF stond voor Reichsstelle für Industrielle Fettversorgung, maar in het gotisch schrift valt een I nauwelijks te onderscheiden van een J. Het waren de nazi’s zelf die de wansmakelijke grap bedachten. Dat RJF in werkelijkheid stond voor Reichs-Juden-Fett.

Er zijn miljoenen van die RIF-zeepjes geproduceerd en na de oorlog als nazicuriosa verspreid geraakt over de continenten.

In 1970 doken er vier stuks op in de kelder van een joods gezin in Atlanta. De zeepjes waren in 1945 door een Amerikaanse soldaat na de bevrijding van een Duits kamp meegenomen. Hij had zich dat waanzinnige verhaal laten vertellen, en had besloten om ze te bewaren. Nu was zijn vrouw bij gebrek aan waspoeder wat gaan rommelen in de kelder, dacht ze wat van dit spul te kunnen gebruiken. Net toen kwam hij thuis.

Drama. De lokale rabbijn werd erbij geroepen. Die ging de vier zeepjes de volgende ochtend in alle vroegte ceremonieel begraven op het Joodse kerkhof van Greenwood. En daar liggen ze vandaag nog steeds, onder een gedenksteen: ‘Hier rusten vier stukken zeep, de laatste Aardse resten van Joodse slachtoffers van de Nazi Holocaust.’

Een gedenksteen op een Joods kerkhof in het Roemeense Radauti verwijst naar de stukken RIF-zeep die er liggen begraven. Beeld rv

Soortgelijke gedenkstenen, met een of meerdere stukken zeep eronder, vind je in Havana, Jeruzalem en enkele Roemeense steden.

Controverse

Nogal wat mensen binnen de Joodse gemeenschap hebben het begrijpelijkerwijze lastig om te moeten overwegen om zo’n gedenksteen weg te halen. Een van de hardnekkigste aanhangers van de jodenzeepmythe is de 75-jarige Ben Hirsch, die zelf in Atlanta woont en de gebeurtenissen van 1970 mee beleefde.

Hirsch is een neef van Philipp Auerbach en had als een van de weinigen toegang tot zijn manuscript. Hij publiceerde in 2000 zijn eigen boek Hearing a Different Drummer, een zoektocht naar zijn roots. Aan het eind van het boek citeert hij een kort fragment uit de memoires van zijn oom. Het gaat om volgende passage, die volgens Hirsch het bewijs levert dat er in Auschwitz daadwerkelijk jodenzeep is geproduceerd: ‘Als chef van de zeepfabricatie moest ik (Philipp Auerbach dus, DDC) voor de productie van vet zorgen in het slachthuis. Bijna elke week ben ik daar drie tot vier keer geweest om het afval van vet en ingewanden op te halen voor de zeepvervaardiging.’

Het boek van Hirsch zorgde binnen de Joodse gemeenschap in de VS voor controverse. Toen Hirsch een signeersessie wilde organiseren in het Holocaust Museum in Washington, werd hem dat geweigerd. Vanwege die ene passage. Historici van het museum waren al tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende bewijs was voor jodenzeep.

Ben Hirsch reageerde verontwaardigd: “Hoe durf je te zeggen dat iets niet is gebeurd, enkel door aan te voeren dat er onvoldoende bewijs is? Ik kan mij niet voorstellen dat iemand in zijn memoires schrijft dat hij zeep heeft gemaakt als hij dat niet zou hebben gedaan. Het is niet iets om trots op te zijn.”

Dit is de verklaring die de familie zelf altijd gaf voor het achterhouden van het manuscript. Je doet de nagedachtenis van Philipp Auerbach alleen maar oneer aan door zoiets gruwelijks verder te openbaren.

Het slachthuis

Nu ligt het manuscript voor ons.

Zestiende vel: ‘Onze afdeling moest ook de zeep voor het persoonlijke gebruik van de heer Hitler en SS-Reichsführer Himmler produceren. Deze productie heeft mij en mijn medewerkers een aardige bron van inkomsten opgeleverd. Ik heb voor de productiedoeleinden alcohol geëist, die je absoluut niet nodig hebt voor het maken van de zeep, maar die wel heel belangrijk was om voedsel vast te krijgen. Onze Poolse kameraden waren erg dol op alcohol en door ruilhandel bekwamen wij brood en margarine, waardoor onze kleine rantsoenen werden verbeterd. De zeep was ook erg in trek in de vrouwenkampen, waar we het tegen ondergoed, pullovers en handschoenen ruilden. Ik denk dat Hitler zich in zijn graf zou omdraaien ​​als hij zou weten hoeveel van zijn goede zeep er is uitgewisseld.”

Philipp Auerbach doet er nogal ludiek over, veel luchtiger dan in de rest van zijn manuscript. Terwijl we het hier, als we zijn neef mogen geloven, hebben over een vorm van kannibalisme. Wat begint te intrigeren, is de passage over het slachthuis. Als iemand de woorden ‘Auschwitz’ en ‘slachthuis’ in één zin plaatst, denk je vanzelf aan gaskamers en crematoria. Maar er was in Auschwitz, zoals achteraf uitgebreid gedocumenteerd, ook een slachthuis voor koeien, schapen en varkens.

We bladeren verder. Achttiende vel.

Auerbach beschrijft hoe de kampen van en rond Auschwitz in de eerste plaats een bron van gratis arbeidskrachten waren in een gigantisch industrieel complex met munitie- en chemische fabrieken, het Reiske-laboratorium en faciliteiten voor de meer dan 100.000 Duitsers die er gestationeerd waren. Hij vermeldt een industriële bakkerij, een beenhouwerij, een kantine, kledijopslagplaatsen. Daar was mankracht voor nodig, aangeleverd vanuit de kampen.

En hier is ze, de door Hirsch geciteerde passage.

Integraal nu: ‘De meest gewilde arbeidsgroepen waren natuurlijk degene die iets te maken hadden met voedsel. De keuken van de SS was bijzonder goed georganiseerd en een blik op de kapo leverde genoeg bewijs van hoe goed ze daar kookten. Ook het slachthuis was zo’n belangrijk instituut. Als chef van de zeepfabricatie moest ik voor de productie van vet zorgen en controles uitvoeren in het slachthuis. Bijna elke week ben ik daar drie tot vier keer geweest om het afval van vet op te halen voor de zeepvervaardiging, wat altijd voordelig was voor mij.”

Hij beschrijft hierna trucjes waarmee hij vanuit het slachthuis biefstukken en worsten meesmokkelde voor zijn medegevangenen. Er kan niet de minste twijfel over bestaan wat voor slachthuis Auerbach bedoelde. Het is ook lastig om je ook maar een moment te trachten verbeelden dat zijn neef Ben Hirsch er ooit iets anders in kon hebben gelezen.

Als er ooit een nominatie in het leven geroepen wordt voor Slechtst Begrepen Mens Ooit, hou dan Philipp Auerbach misschien even in gedachten.

Maandag deel 2: 
Victor Martin, de Belgische Oskar Schindler

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden