Maandag 28/11/2022

DE VRIJEVALVAN SAINT-LAMBERT

FN Herstal is niet het enige Waalse overheidsbedrijf dat volop in de belangstelling staat. In Seraing vecht kristalproducent Val Saint-Lambert een wanhopige strijd uit voor zijn toekomst. Ooit werkte er zesduizend man, vandaag vrezen de laatste zeventig arbeiders voor hun baan. Tegen 11 september, of all dates, moet er vers geld op tafel liggen, anders gaan de boeken dicht. De economische recessie zit er voor iets tussen, maar het ware probleem zit dieper. Was Val Saint-Lambert vroeger een verplicht item op iedere huwelijkslijst, nu willen jongeren er niet meer van weten. Kristal is uit de mode, en daar zal de Vaas der Tien Provinciën geen verandering in brengen. Reportage over een puinhoop waar de bom nog moet vallen.

erik raspoet / foto's tim dirven

Madame Bucket raakt er maar niet uit. De groene vaas? Of toch liever de kobaltblauwe? Ze spreekt een taai dialect uit het Meetjesland, maar afgezien daarvan is de gelijkenis met het BBC-icoon frappant. Dezelfde bazige maniertjes, dezelfde matronefiguur, dezelfde smaak voor peperdure edelkitsch. Ze draait de vazen nog maar eens rond. Twijfels, twijfels, de prijs kan de keuze niet beslechten. Groen of blauw, ze kosten allebei een slordige 1.500 euro per stuk. Op de achtergrond speelt haar man met verve de rol van de veelgeplaagde Richard uit Keeping up Appearances. Verveeld staart hij naar het plafond, een onhoorbaar lied fluitend tussen de tanden. Voor zijn part wordt het bruin met roze spikkels, als het maar vooruitgaat. Ten langen leste hakt zijn rondborstige eega de knoop door. Ze koopt gewoon beide vazen, en doet er nog een prul van 700 euro bovenop.

Zichtbaar tevreden met haar besluit dist ze het equivalent van 150.000 oude Belgische franken op. "Een buitenkans", kraait ze. "Je hebt het toch op de radio gehoord? Val Saint-Lambert is failliet, binnenkort is het hier uitverkoop. We zijn vanmorgen speciaal naar Seraing gereden om toch maar niet te laat te komen."

De Buckets waren niet de enigen met die reflex. Al anderhalve week loopt het storm in de beroemde kristalfabriek, afgelopen weekend werden alle verkooprecords gebroken. Aanleiding voor de hype was een hoogst alarmerend radiobericht over de toekomst van Val Saint-Lambert. Financieel en administratief directeur Hilde Van Egdom is nog altijd niet over haar verbazing heen. "Na dat bericht in het middagjournaal stond de telefoon hier roodgloeiend", vertelt ze. "Blijkbaar heeft het nieuws zich als een lopend vuurtje verspreid, want de volgende ochtend kreeg ik telefoon van een dame uit Amerika. Of het klopte van dat faillissement? Die vrouw was een kot in de nacht opgestaan om ons zo vroeg mogelijk te bellen. Ze stond klaar om in het eerste het beste vliegtuig te springen, om toch maar niets van de uitverkoop te missen."

Lang niet alle bellers waren verzamelaars of opportunisten. Er liepen ook onbaatzuchtige faxen en e-mails binnen, onder meer van ex-Sabéniens die de arbeiders van Val Saint-Lambert een hart onder de riem staken. "De solidariteit is groot", beaamt directeur Van Egdom. "Mensen komen speciaal op bezoek om ons te steunen, sommigen kopen zelfs een stuk kristal in de hoop daarmee het bedrijf te redden."

De Amerikaanse kristalfanate is uiteindelijk niet naar België vertrokken. De geruchten over een uitverkoop zijn immers ietwat voorbarig. Val Saint-Lambert is nog niet dood, al cirkelen de gieren in steeds kleinere cirkels boven Seraing. De datum klinkt bepaald onheilspellend. Tegen 11 september moet er vers geld op tafel liggen, anders worden de boeken neergelegd. Zoals alle fabrikanten van luxeartikelen heeft Val Saint-Lambert zwaar te lijden van de wereldwijde economische recessie. Vorig jaar werd afgesloten met een exploitatieverlies van een miljoen euro. Daarmee is de schuldenberg tot 2,6 miljoen euro aangegroeid, hetzij meer dan de helft van het eigen vermogen. Het Waals Gewest, volledig eigenaar via de Société de la Gestion des Participations Wallonnes, weigert nog langer voor de verliezen op te draaien. Alle hoop is nu gevestigd op Duarte Raposo de Magalhães, een Portugese zakenman die het prestigieuze merk maar wat graag aan zijn kristalimperium wil toevoegen. Er werd al een principeakkoord gesloten. Een nieuwe groep rond de Portugese investeerder krijgt 60 procent van de aandelen. In ruil investeert ze met steun van de Franse likeurgigant Martini-Rossi 2 miljoen euro, waarna het Waals Gewest nog eens met 1,4 miljoen euro over de brug komt. Martini-Rossi haakte echter af nadat het zelf in slechte papieren was geraakt, waarna de groep van De Magalhaes niet meer in staat bleek de nodige middelen op tafel te gooien. Waals minister van Economie Serge Kubla heeft vorige week krasse taal gesproken. Uiterlijk morgen, zondag, moet De Magalhães de nodige garanties geven, anders springt de deal definitief af.

Hoe het dan verder moet, is niet duidelijk. Er bestaat nog een tweede overnamescenario met de vastgoedgroep Speci, die grootse plannen heeft met het 55 hectare metende fabrieksterrein. Of daarin nog een rol is weggelegd voor de kristalproductie is evenwel niet zeker. In het ergste geval spreekt de rechtbank van koophandel op 11 september de vereffening van de onderneming uit. Val Saint-Lambert mag dan zijn orderboekje afwerken en hopen op een mirakel. De kans dat zich in die omstandigheden alsnog een solide investeerder aanmeldt, lijkt nihil.

Serge Kubla heeft de handen vol met de Waalse overheidsbedrijven. Ook in de heisa omtrent de wapenlevering van 5.500 mitrailleurs aan Nepal heeft de MR-excellentie zich gemengd. Hij was het die Agalev-europarlementslid Bart Staes een groene pipo noemde en zich hardop afvroeg waar de Vlamingen het recht vandaan haalden zich met het contract te bemoeien.

Fabrique Nationale de Herstal en Val Saint-Lambert. Twee Waalse overheidsbedrijven, twee relicten uit de industriële glorieperiode van Wallonië, twee Luikse dinosaurussen die al decennialang met uitsterven worden bedreigd. Toch is er een verschil. Terwijl FN momenteel de hele Wetstraat in de ban houdt, zingt de kristalfabriek in alle anonimiteit haar zwanenzang. Het verschil zit hem in het economische gewicht. FN heeft wereldwijd nog altijd 2.500 mensen in dienst, van wie een kleine helft in Herstal. Bij Val Saint-Lambert daarentegen staan nog welgeteld 71 banen op de tocht. Een doorsnee-kmo dus, maar dan wel eentje met een ongeëvenaarde symboolwaarde.

Eenenzeventig banen, als jong meisje zou Marie-Louise Golinvaux het cijfer hebben weggelachen. "Vroeger had de Val wel vijf vestigingen", zegt ze. "Hier werkte zesduizend man, meer dan bij Cockerill." Ze heeft een gouden tand en loenst een beetje achter haar dikke brilglazen. Maar de foto op het dressoir liegt er niet om: als jong meisje was ze een beauté. Nostalgie, het is onvermijdelijk als een mens zijn oude dag slijt in het decor van zijn jeugd. Marie-Louise groeide op binnen de muren van de cisterciënzerabdij waar anno 1826 de Société des Verreries du Val Saint-Lambert werd opgericht.

Het stichtingsverhaal heeft epische allures. De wieg van de kristalfabriek stond in Vonêche, een nu wat slaperig grensstadje in de provincie Namen. In de achttiende eeuw herbergde Vonêche, dat toen nog bij Frankrijk hoorde, de grootste kristalfabriek van Europa. Na de aanhechting bij de Verenigde Nederlanden in 1815 ging de Franse markt verloren en lag Vonêche op apegapen. Eigenaar Aimé-Gabriel d'Artigues verhuisde naar de Vogezen en stampte er een nieuwe fabriek uit de grond: Baccarat, tot op heden een belangrijke concurrent van Val Saint-Lambert. Die naam werd dan weer op de wereldkaart geplaatst door François Kemlin en Auguste Lelièvre, twee medewerkers van d'Artigues die na het opdoeken van Vonêche zelf in zaken gingen. Niet toevallig viel hun oog op de sedert de Franse Revolutie verlaten cisterciënzerabdij. De ligging kon niet idealer: vlak bij de Maas, op een zucht van de spoorlijn Keulen-Parijs, in de periferie van Luik met zijn reservoir geschoolde arbeiders, steenkool a volonté om de immer hongerige ovens te stoken. De groei was spectaculair. Van honderd arbeiders in 1826 ging het in dertig jaar tijd naar 1.200, op het einde van de negentiende eeuw piekte de werkgelegenheid tot meer dan 6.000 eenheden. Val Saint-Lambert produceerde lang niet alleen kristal, maar ook gewoon glas zoals koplampen voor de zich snel ontwikkelende automobielindustrie.

We waren Marie-Louise toevallig tegen het lijf gelopen, ze had net haar huis verlaten om boodschappen te doen. Niks dringends, we moesten heus niet aandringen om de missie uit te stellen. Al zegt ze het zelf, we hebben het getroffen met haar. Niet alleen omdat ze haar leven lang bij de Val heeft gewerkt, eerst als hulpje in de fabriek en later als boekhoudster. En ook niet alleen omdat haar man het tot maître-verrier heeft geschopt. Een jaar of twee geleden is hij gestorven, deels als gevolg van een longziekte die hij aan het glasblazen had overgehouden. Nee, de buitenkans schuilt in haar familienaam. "De Golinvaux behoren tot de oudste families van de Val", vertelt ze. "Onze wortels liggen in Vonêche. Mijn betovergrootvader was een van de eerste glasblazers die in het spoor van de stichters naar Seraing is getrokken."

We maken rechtsomkeer, naar de avenue de Macar, waar ze een fraai rijtjeshuis betrekt. Deze wijk werd door Val Saint-Lambert zelf gebouwd, ze was strikt voorbehouden aan de maîtres-verriers, die als de elite van de fabriek golden. Voor gewone arbeiders waren er afzonderlijke beluiken. In totaal beheerde de Val een patrimonium van vierhonderd huizen. Wonen was gratis, maar niet zonder voorwaarden. Arbeiders moesten minstens een kind naar de vakschool van de fabriek sturen, anders vlogen ze eruit.

Val Saint-Lambert was een pionier van het ondernemerspaternalisme. Arbeiders waren niet langer wegwerpproducten, zoals in de prille dagen van het wilde kapitalisme. Nee, het kwam eropaan hen met zorg te behandelen zodat ze langer meegingen, een overweging die des te meer steek hield in een sector waar vakmanschap en ervaring goud waard zijn. En dus had de fabriek niet alleen eigen ziekenhuizen en scholen waar kinderen werden klaargestoomd om in de voetsporen van hun ouders te treden. Reeds halverwege de negentiende eeuw, lang voor de opkomst van de vakbonden, werden hier spaarkassen, ziekenfondsen en coöperatieven opgericht. Fanfare, koor en gymnastiekclub boden gezonde ontspanning, de société de tempérance trok ten strijde tegen de alcoholduivel, die mores en productiviteit bedreigde. Want in dit corporatistische systeem stonden ook nobele initiatieven ten dienste van het hogere doel: de rendabiliteit van de fabriek en de winst van de aandeelhouders.

Het moet een besloten universum zijn geweest. In 1880 nam Val Saint-Lambert deel aan de Exposition Nationale in Brussel. Alleen arbeiders met vijftig jaar dienst mochten mee, lees ik in een oude kroniek. Voor veel deelnemers, noteerde de scribent, was het de allereerste keer dat ze zich buiten de fabrieksmuren hadden gewaagd. Zo grof heeft de nu 72-jarige Marie-Louise het niet gekend. "Maar ook in onze tijd werd de bewegingsvrijheid beperkt", zegt ze. "Om tien uur 's avonds ging de fabriekspoort dicht, zelfs de bewoners van de Cour du Val mochten niet meer binnen of buiten. Uitgaan in Luik zat er voor ons niet in. Ach, het ging er allemaal erg betuttelend toe. De patron kende iedere familie persoonlijk, hij deed regelmatig zijn ronde om de schoolresultaten van de kinderen te controleren."

Vazen en servies heeft ze intussen aan de kinderen weggeschonken, alleen aan de zes portglaasjes in groen kristal is ze verknocht. Die heeft haar man zelf geblazen en eigenhandig de fabriek uitgesmokkeld. "Iedereen smokkelde", voert ze ter verschoning aan. "Vaak waren het ruwe stukken die dan thuis werden afgewerkt. In Luik bestond een hele markt van clandestiene Val Saint-Lambert. Voor de arbeiders was het een kwestie van overleven, want de lonen waren erg laag. De fabriek probeerde het wel aan banden te leggen. Vrouwen werden bij de poort gefouilleerd, mannen moesten hun knapzak binnenstebuiten keren. Maar het fabrieksterrein was reusachtig groot, ik kende alle sluipwegen. Ik zie me daar nog lopen, met een vaas in mijn jas. Een keer hebben ze me betrapt en bij de directeur gebracht. 'Schaamt ge u niet', zei hij, 'met uw familienaam!'."

We hebben nog wat tijd te doden voor de rondleiding van start gaat. Ronddwalend over het fabrieksterrein meten we de kloof tussen twee werelden op. Er is het fotoboek van Marie-Louise. Rokende schoorstenen, ateliers waarop dag en nacht honderden tailleurs en graveurs in de weer zijn met het slijpen en polieren van kristal, treinen die af en aan rijden tussen de fabriek en de Maaskade. Daartegenover staat de realiteit. Van enige bedrijvigheid is geen spoor te bekennen, we lopen moederziel alleen tussen verlaten hangars en depots. Geen glas is nog heel, kapotte ramen zijn het ironische handelsmerk van deze kristalfabriek. Binnen is het een rotzooi. Kreupel meubilair, roestige vaten met chemische troep en machines waarvan niemand nog weet waartoe ze dienen. Veel is al afgebroken, van de tien schoorstenen op de oude luchtfoto's staat er nog één overeind. Sommige gebouwen hebben een nieuwe bestemming gekregen. Een van de cités werd als sociale woonwijk gerecycleerd. Het kasteel, waar destijds directie en administratie hun verblijf hadden, werd met Europese subsidies tot museum vertimmerd.

Niet afgebroken of gerenoveerd is de phalanstère, de kolonie voor leerjongens. Lange tijd genoot de Val Saint-Lambert een afwijking op de leerplicht. Werd er in de staalindustrie pas vanaf achttien jaar aangeworven, in de kristalfabriek kon dat al vanaf veertien. Met de bus werden ze zondagavond opgepikt, vaak in een boerengat in Limburg. Er werd voor hen gekookt, gewassen en geplast. Al wat zij moesten doen, was Frans leren en een vak onder de knie krijgen. Tailleurs, graveurs, souffleurs en verriers, bij Val Saint-Lambert waren altijd handen te kort. De phalanstère valt niet meer te redden. Bomen schieten door de daken, betreden kan alleen op eigen risico. Boven een van de deuren hangt een bordje met 'Friture' erop, je kunt de bakovens nog zien staan. Dat was weer slim bekeken van het patronaat. Niets beter dan frietjes om de werkmens te vriend te houden.

Een groepje toeristen staat zich te vergapen aan het absolute pronkstuk van de toonzaal: de Vaas der Negen Provinciën, die speciaal voor de wereldtentoonstelling van 1894 werd gemaakt. Het gevaarte meet meer dan twee meter, bestaat uit tachtig onderdelen en zou bij een verkoop minimaal 600.000 euro opleveren. Val Saint-Lambert zou dat geld goed kunnen gebruiken. Alleen: de beroemde vaas is eigendom van de weduwe van Patrick Depuydt, de Vlaamse investeerder die in 1988 Val Saint-Lambert overnam. De kristalfabriek, destijds al afgeslankt tot een tweehonderdtal werknemers, had op dat moment enkele woelige decennia achter de rug. In 1972 had de Société Générale de verliespost uit haar portefeuille gegooid, op zich een veeg teken aan de wand. Of het nu steenkoolmijnen, hoogovens dan wel glasfabrieken zijn, als de Société Générale er zijn handen van aftrekt, kun je er donder op zetten dat het vet van de soep is en dat het sociaal passief voor rekening van de gemeenschap valt. Zo ook in Seraing. De Val veranderde in een staatsbedrijf, het was de periode waarin de glasnijverheid tot een van de vijf nationale sectoren werd uitgeroepen. Privé-investeerders lieten op zich wachten, tot in 1988 Patrick Depuydt zich meldde. We kunnen niet beweren dat de Kortrijkse bedrijvendokter geen moeite heeft gedaan. Machines werden gemoderniseerd, designers aangetrokken, marketing en distributie op een nieuwe leest geschoeid, al bij al heeft hij er 6 miljoen euro in gepompt. Zonder resultaat, en in 1996 liet hij de zaak weer aan het Waals Gewest over.

Een van zijn naaste medewerkers, de Antwerpse Hilde Van Egdom, is gebleven. Als financieel directeur zou ze vele oorzaken kunnen opsommen voor de gestage neergang. De chronische onderkapitalisatie bijvoorbeeld, waardoor Val Saint-Lambert achterop geraakte, zowel op het vlak van de technologie als van het design. Nochtans was Val Saint-Lambert lange tijd een geheide trendsetter. Stijlen als art nouveau en art deco werden gretig toegepast. Henry Vandevelde was zowel een fan als een inspiratiebron, ontwerpers als Philippe Wolfers en de Franse broers Müller vergaarden bij Val Saint-Lambert onsterfelijke roem. Vergeleken met hun creaties oogt de huidige collectie saai en ouderwets.

"Ik weet het", zegt Hilde Van Egdom. "Er zit te weinig hedendaags in onze catalogus. Al vraag ik me af of het wel zin heeft het roer om te gooien. Bij Vlaamse klanten moet je niet komen aandraven met strakke ontwerpen. Die willen gedoubleerde vazen met een kleur, zwaar getailleerd en somptueus gegraveerd. Je kunt dat betreuren, maar na de Amerikanen zijn de Vlamingen onze beste klanten."

Waarmee we meteen de vinger op de wonde hebben gelegd. Goed, de economische crisis heeft de sector geen deugd gedaan. Het Franse trio Baccarat, Saint-Louis en Lalique, het Amerikaanse Steuben, het Japanse Hoya: álle producenten van artisanaal kristal maken beroerde tijden door. Het ware probleem heeft echter weinig met conjunctuurschommelingen maar des te meer met een trendbreuk te maken. Kristal is ongeveer even hip als koekjesdozen met gekroonde hoofden. "Het product is uit de mode", stelt Van Egdom vast. "Wie zet nu nog een kristallen servies op zijn huwelijkslijst? Jonge koppels malen niet meer om overbodige luxe, ze ontvangen liever geld om een dure auto te kopen of een verre reis te boeken. En als ze wijn willen drinken, trekken ze naar Ikea: 2,5 euro voor zes glazen. Bij ons kost het goedkoopste exemplaar 18 euro. Per stuk, welteverstaan."

We lopen met zijn allen achter Eric Delvaux aan. Gids tegen wil en dank, hij steekt zijn degout niet onder stoelen of banken. Al die rondleidingen brengen wel geld in het laatje, maar evengoed houden ze hem van zijn ware taak af. Hij is designer, zijn jongste ontwerp is een glazen servies dat in al zijn soberheid fris afsteekt bij de rest van de collectie. Vroeger besloeg die collectie makkelijk twintig catalogi, tegenwoordig past ze in één band. Maar vroeger telde Val Saint-Lambert dan ook tientallen ontwerpers, vandaag is Eric de enige voltijdse créateur. En dan nog, door de chronische personeelsschaarste moet hij er allerlei beuzelarijen bij nemen. Folders opmaken met Photoshop, persknipsels bundelen en toeristen rondleiden, hij mag al blij zijn als hij een uurtje ongestoord aan de tekentafel kan zitten. De aanblik van de productiehal is choquerend. Ook dit gebouw lijkt rijp voor de sloop, je kunt erwten schieten door de vele reten en kieren. We laten de andere bezoekers vooruitsnellen en blijven plakken bij de glasblazers.

Het meubilair heeft twee Duitse invasies overleefd, maar de smeltoven is hypermodern. Bij de installatie in 1997 zagen ze de toekomst nog rooskleurig in. De oven, die continu op 1.400 graden draait, werd berekend op een fabriek van zeshonderd arbeiders. Verspilling, maar wel mooi om naar te kijken. Op geregelde tijdstippen braakt de oven een oranje cilinder uit, een brok smeuïg, kneedbaar kristal. Volgens het huisrecept moet er minstens 24 procent lood in zitten. Die samenstelling verklaart niet alleen het soortelijk gewicht maar ook de helderheid en bewerkelijkheid van het kristal. Tijd om af te koelen krijgt onze cilinder niet. Arbeiders planten er een ijzeren staaf in en zeulen ermee naar de werkpost waar het wonder van Val Saint-Lambert wordt voltrokken.

In feite is het een ploegsport, de rollen liggen vast, de hiërarchie is onwrikbaar. Onderaan op de ladder staat de porteur-à-l'arche, die de afgewerkte producten naar weer een andere oven brengt om de vorm te fixeren. Een trapje hoger staat de cueilleur, de man die extra kristalpasta aanlevert waarmee de maître-verrier zijn glazen van stelen en voeten voorziet. De carreur is een belangrijke speler, hij prepareert de glasklomp voor de man om wie alles draait. Dat is natuurlijk de maître-verrier, die uit een gloeiende glasklomp vazen, karaffen of schalen blaast en boetseert. Constant Meunier, de schilder-beeldhouwer die de heroïek van het proletariaat vereeuwigde, zocht vaak inspiratie bij Val Saint-Lambert. Geen wonder, bedenk ik terwijl Antonio Cimino zijn vak demonstreert. Wijdbeens staat hij boven de mal, het blaasroer aan de lippen. Op zo'n moment torent hij trots en autoritair boven de anderen uit. Maître-verrier, de titel werd hem niet in de schoot geworpen. Ook hij is op zijn zestiende als porteur-à-l'arche begonnen. Meer dan vijftien jaar heeft hij erover gedaan om de knepen van het vak te leren. De oude rotten die hem hebben geïnitieerd zijn allemaal met pensioen, Antonio is nu de enige maître-verrier die nog grote stukken blaast. "Je mag niet bang zijn", verklapt hij zijn geheim. "Soms sta je met een stuk van meer dan een miljoen te zwaaien. Als dan je mouw in brand vliegt door de hitte, mag je niet panikeren. Volhouden tot je makker er een geut water over kiepert. Brandwonden of niet, zo'n stuk laat je niet vallen."

Ondanks alles heeft de meester-glasblazer veel aan prestige ingeboet. Vroeger waren het echte seigneurs die zich met hemd en vlinderdas van het gemeen onderscheidden. Blazen in een mal lieten ze over aan een souffleur, alleen voor het fijne werk zetten ze de canne aan hun lippen. Ze werden trouwens aangemoedigd om buiten de uren te experimenteren en eigen creaties te ontwikkelen. "Spijtig genoeg is daar nu allemaal geen tijd meer voor", zegt Antonio. "Het personeelsgebrek laat geen fantasietjes meer toe. Ik kan in mijn ploeg geen man missen. Als er twee tegelijk ziek vallen, wordt er geen vaas meer geproduceerd. Eerlijk gezegd, ik zie de toekomst somber in. Het metier gaat verloren, er wordt niets meer gedaan aan interne opleiding. Jongeren halen trouwens hun neus op voor dit werk. Onder Depuydt hebben ze veertig jongeren aangetrokken. Wel, na een week schoten er nog twee over."

Ik blijf me verbazen over de werkomstandigheden. Niemand draagt beschermende kledij, zelfs handschoenen vallen nergens te bespeuren. Hinderlijk bij het contact met het materiaal, de medische inspectie neemt genoegen met die uitleg. Boven Seraing is intussen een wolkbreuk losgebarsten. Het dak lekt als een mandje, overal ontstaan grote plassen. De refter is helemaal ondergelopen, het is een betonnen krocht die me doet denken aan een kleedkamer in vierde provinciale. Val Saint-Lambert, de naam wordt wereldwijd met aristocratie en bourgeoisie geassocieerd, het bijbehorende prijskaartje is navenant. De klanten moesten eens weten in wat voor erbarmelijk kader hun poepchique spielereien totstandkomen.

Pierre Dias heeft het allemaal anders geweten. Vijftig jaar dienst achter de rug, eerst als tailleur, vervolgens als ontwerper. Hij is gepensioneerd, maar dat valt er niet aan te merken. Iedere werkdag kun je hem vinden in een lokaaltje achter de toonzaal. Het behang is vuil, het plafond bladdert af, de buislamp giet een koud licht over zijn rommelhok. Je moet behoorlijk idealistisch zijn om hier vrijwillig je oude dag te slijten. Pierre Dias werd me aanbevolen als het wandelende geheugen van Val Saint-Lambert. En inderdaad, zijn zak met weetjes en watjes is onuitputtelijk. Wisten we dat de majestueuze kroonluster van het Brusselse hotel Métropole van Val Saint-Lambert komt? Dat het wereldberoemde paleis van de maharadja in Udaipur uitpuilt van het Belgische kristal? Met het vergaren van dergelijke anekdotes krijg je natuurlijk je dag niet gevuld. Pierre Dias heeft zijn handen vol met expertises voor antiquairs en collectioneurs. Toch vindt hij nog tijd voor zijn geheime missie. Hij rolt een stuk tekenpapier uit over de vloer, ik herken de contouren van een reusachtige vaas. "Met de huidige crisis moeten we op het ergste voorbereid zijn", verklaart Pierre het mysterie. "Stel dat madame Depuydt morgen haar Vaas der Negen Provinciën opeist, dan hebben we geen pronkstuk meer voor de toonzaal. Daarom heb ik me opnieuw aan de tekentafel gezet. Met dit stuk kunnen we de leemte opvullen. Ik heb zelfs rekening gehouden met de staatshervorming. Dit wordt de Vaas der Tien Provinciën."

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234