Dinsdag 22/09/2020

De vreemde geschiedenis van een oorsprong

Wat is haar origine? Wat is haar geschiedenis? Wie heeft er voor geposeerd? Talloze boeken zijn er al gewijd aan L'Origine du monde van Gustave Courbet. En alle zijn ze vooral gevuld met gis- en speurwerk. Door Bernard Dewulf

Het is klein: 55 bij 46 centimeter. Telkens weer valt dat op. In de immense ruimte van het Musée d'Orsay, waar het hangt, lijkt het onbeduidend. Maar het heeft een hoogdravende naam: L'Origine du monde. Het is geschilderd door Gustave Courbet (1819-1877) en laat het geslacht zien van een vrouw. Frontaal. Benen gespreid. Oog in oog.

Et alors? Enkele muisklikken en het sneeuwt vrouwengeslachten op het computerscherm. Waarom dan blijft dit 140 jaar oude schilderij, dit beeld van iets wat intussen onmatig binnen handbereik is, toch velen bezighouden? Niet alleen is de reproductie ervan het op één na best verkochte postkaartje in het Musée d'Orsay, opmerkelijk is vooral het aantal boeken dat in de laatste jaren aan het doek is gewijd. Vorig jaar verscheen L'Origine du monde. Histoire d'un tableau de Gustave Courbet van de Franse kunsthistoricus Thierry Savatier. Voordien waren al boeken uitgebracht van Michel Boujut (1991), Christine Orban (2000), Serge Rezvani (2000) en Enis Batur (2005). Het lijvigste is Le roman de l'Origine (1996) van schrijver Bernard Teyssèdre, ruim 450 pagina's uitsluitend over dat kleine doek.

Al die boeken zijn min of meer speurdersverhalen. Christine Orban gaat in J'étais l'origine du monde op zoek naar het model voor het schilderij en roept een nogal romantisch gekleurd fictief beeld op van de verhouding tussen dat model en de schilder. Bernard Teyssèdre en Thierry Savatier, die de belangwekkendste werken hebben geschreven, pluizen van naaldje tot draadje de geschiedenis van het doek uit. Teyssèdres boek is twee dikker dan het andere, omdat hij de vele lacunes in de geschiedenis opvult met fictie. Savatier cirkelt om de feiten.

Dat er zoveel bladzijden besteed zijn aan L'Origine du monde, het zal wel met het pikante beeld te maken hebben, een beeld dat verkoopt. Maar het doek heeft ook, inderdaad, een bijzondere geschiedenis. Wie het spoor van L'Origine wil volgen komt in achterkamers, in de onderwereld van de kunsthandel, in krochten van de geschiedenis. En ontmoet een aantal fascinerende figuren. Vooral komt hij veel raadselachtigheid tegen.

Ook dat verkoopt natuurlijk.

Laten we er eerst even voor staan. We zien een kut. Tegen dat onomwonden woord zou de schilder zelf geen bezwaar hebben. Niet alleen schepte Courbet graag en ordinair op over talloze al dan niet vermeende veroveringen, bepaald vrouwvriendelijk was hij niet. Hij was tout court niet echt een voorbeeldige mens. Opschepper, querulant, zelfingenomen en zo nog wat lelijks, maar een schilder van formaat en als 'realist' een baken in de kunstgeschiedenis.

Laten we kijken. Er is toch iets meer te zien dan gewoon dat geslacht. Er is vooral te zien hoe Courbet onze blik medeplichtig maakt. Ik haal er de Nederlandse schrijver K. Schippers bij, die geen heel boek maar wel een aandachtig 'verhaal' over het schilderij schreef (in Sprenkelingen, 1998).

Volgen we zijn oog.

"De voorzijde van de billen. Een huidplooi bij de rechterdij en een flauwe boog bij de andere dij, daar is de huid gespannen, het linkerbeen is veel verder gespreid. Het schemerige aderveld op de dijen, met enkele toetsen wit en blauw.

"Het haar lijkt op zoveel punten te stoppen, nee, even verder gaat er toch nog een plukje door, geen vaste grens is er voor dit gebied te vinden.

"De onzichtbare armen die het aan de huid rakende laken misschien toch nog over het hoofd zullen trekken. Naast de binnenkant van een dij een vrijgekomen reep witte huid die in een plooi zou verdwijnen als Joanna haar knie optrekt.

"De stand van het bovenlijf dat licht ingaat tegen de voorgenomen draai van het bekken, of het model nog net niet heeft beslist hoe het wil gaan liggen."

Over de 'Joanna' die Schippers opvoert straks meer.

Er is iets met de houding van het lichaam. Schippers: het lichaam "ligt niet recht voor de beschouwer op het bed. Hij ziet haar schuin vanboven. Het lijf heeft op het doek de vorm van een diagonaal. Het is of iemand links van je, dertig, veertig centimeter van je vandaan, pas het werkelijke uitzicht op Joanna is gegund."

De schrijver besluit: "Courbet maakt van iedere bezoeker een medeplichtige. Wie tussen de schaamlippen wil kijken moet een paar stappen naar links doen. Dat verhoogt het gevoel een voyeur te zijn."

Die stappen naar links leveren ons uiteraard niets op. Het is een schilderij. In het echt zouden we misschien de opening zien waar zelfs dit schandaaldoek niet toe gekomen is.

Schippers laat het model een laken hanteren. Zo lijkt het inderdaad. Maar misschien is het laken een jurk, en dat verandert de zaak. Maar ook daarover straks meer.

Eerst de feiten.

L'Origine du monde is geschilderd in 1866, maar pas in 1995 is het kunnen beginnen aan een openbaar bestaan. Anders gezegd, het doek heeft ruim 130 jaar een clandestien leven geleid, dat terwijl het achteraf uitentreuren bejubeld is als een chef-d'oeuvre. De eerste bezitter was een Turkse diplomaat, Khalil-Bey. Rond 1910 is het verkocht aan de Hongaarse baron en schilder Ferenc Hatvany. In 1954 kwam het in het bezit van Jacques Lacan, de beroemde psychoanalyticus. Veertig jaar later dus, op 26 juni 1995, werd het officieel voorgesteld in het Musée d'Orsay.

Er zijn ook enkele bescheiden getuigenissen van mensen die het werk in zijn 130 jaar van verdoken bestaan even hebben gezien. En dat is het dan. De rest is grotendeels gis- en speurwerk, waarmee al die boeken zijn gevuld. Logisch dat rond dit schilderij duchtig gefabuleerd is.

De oervraag is natuurlijk: wat is de origine van L'Origine? Niemand die het precies weet. Courbet had in 1866 al een behoorlijke naam en faam, had al commotie veroorzaakt, stond bekend als een 'wilde' schilder vanwege zijn onacademische, ruwe verfbehandeling, had uitgesproken socialistische ideeën, die hij ook in geschriften verwoordde, schilderde zo getrouw mogelijk 'dagelijkse' taferelen, maakte talrijke landschappen en zeegezichten en schilderde in de jaren 1860 een reeks almaar 'realistischer' naakten, waarvan L'Origine het hoogtepunt, of het verdwijnpunt, is.

De Turkse diplomaat Khalil-Bey, een kleur- en schatrijke figuur die in die jaren een deel van zijn fortuin opdeed in het bruisende Parijs en er vermoedelijk ook was om zijn syfilis te laten behandelen, wilde voor zijn kunstverzameling een van Courbets erotische werken kopen. Omdat het begeerde werk al verkocht was, beloofde Courbet er een ander te maken, zoals hij zelf zei: "een vervolg". De diplomaat kreeg L'Origine.

Met het "vervolg" verwees Courbet niet alleen naar zijn eigen naakten, waaronder een expliciet lesbisch tafereel, ook wilde hij rivaal Manet even iets laten zien. Manet had het jaar voordien een schandaal meegemaakt met het roemruchte Olympia, een doek waarop een 'gewone' vrouw, geen mythische of Bijbelse figuur, zich openlijk in al haar naaktheid toont. Er zijn aanwijzingen dat Courbet een stap verder wilde gaan dan Manet, met une toile impossible. Of hij zelf dan wel de flamboyante Turkse diplomaat op het gedurfde idee is gekomen om dan maar gewoon 'alles' te laten zien, we weten het niet.

We weten heel weinig. Ook over de omstandigheden waarin L'Origine tot stand is gekomen is zo goed als niets bekend. Vast staat dat Khalil-Bey het schilderij ophing in een cabinet de toilette, buiten zijn officiële collectie, met een gordijntje ervoor, een groen gordijntje - de kleur van de islam. Genodigden werden dan naar het kamertje gebracht, waar het doek openging en het schouwpel zichtbaar werd.

Met dat gordijn begon, kunnen we zeggen, de ondergrondse geschiedenis van L'Origine (en was de wraak op Manet niet echt geslaagd). In vogelvlucht komt die geschiedenis hierop neer. Twee jaar na de aanschaf, in 1868, moet de spilzuchtige Khalil-Bey zijn kunstverzameling verkopen. Van alle werken weten we waar ze heen zijn gegaan, behalve van L'Origine. Pas in 1912 duikt het doek weer op. Waar het al die tijd verblijft, is onbekend. Er is maar één korte getuigenis, van een van de beroemde Goncourtbroers, die het doek in 1889 opmerkt bij een kleine Parijse brocanteur. Het zit dan verborgen achter een ander schilderij van Courbet, een keurig gezicht op een kasteel.

In 1912 koopt de bekende Galerie Bernheim-Jeune het werk van een mysterieuze 'Mme Vial'. Een jaar later wordt het verkocht aan de al genoemde Hongaarse baron Ferenc Hatvany. Jarenlang is het doek in diens bezit, maar nauwelijks iemand die dat weet of het schilderij te zien krijgt.

Dan breekt de Tweede Wereldoorlog uit. Hatvany, een Jood, laat zijn kunstverzameling, dus ook L'Origine, in een bankkluis in Boedapest onderbrengen. Hier wordt het verhaal ingewikkeld en ontstaan tal van apocriefe geschiedenissen. Terugkerende figuren daarin zijn de nazi's en de Russen. Nu eens hebben de enen, dan de anderen, dan weer allebei het doek gestolen, verkwanseld, verdonkeremaand. De feiten, volgens recent opgedoken documenten: de nazi's laten de bankkluizen in Boedapest met rust. De Russen zijn in deze minder scrupuleus en samen met talrijke andere werken wordt L'Origine naar Rusland gebracht. Toch slaagt Hatvany, die ontsnapt aan deportatie dankzij 'Jodenredder' Raoul Wallenberg, er met de hulp van een corrupte hooggeplaatste Rus in een deel van zijn verzameling, waaronder L'Origine, 'terug te kopen'. In 1949 pas komt hij met onder meer L'Origine in Parijs aan. Vijf jaar later koopt Jacques Lacan, op vraag van zijn vrouw, Sylvia Bataille, het doek.

Vanaf dan heeft het werk, bijna negentig jaar na zijn ontstaan, zijn 'verborgen geschiedenis' goeddeels achter de rug. In de diepte onder de vogelvlucht die ik net heb afgelegd spelen zich vele kleinere en grotere verhalen af, rijzen talloze vragen, leidt L'Origine door zijn afwezigheid misschien wel een 'spannender' bestaan dan wanneer het onmiddellijk het daglicht had gezien, waren er in ieder geval nooit zoveel gretig in het duister tastende boeken en verhalen over geschreven.

Ook bij Jacques Lacan, toch geen fatsoensrakker, hing L'Origine niet in de woonkamer. De Lacans waren niet vrij van pudeur en lieten kunstenaar André Masson een voorpaneel maken, een schilderij waarop in een 'veilige' abstracte compositie elementen uit L'Origine waren verwerkt. "Een geheim systeem", zo staat te lezen, "liet toe om het paneel te laten glijden, zodat het doek van Courbet zichtbaar werd."

Het schilderij werd toegevoegd aan Lacans collectie, die zich meestendeels in zijn buitenverblijf bevond. Gasten werden er mee naartoe genomen, het bekijken ging telkens vergezeld van een ritueel, dat het gevoel moest opwekken samen een machtig geheim te ontdekken. Bijna ontroerend zijn de bladzijden over Lacans 'eenzame sessies' met het doek. Hij had ervoor gezorgd dat het alleen ascetisch rechtopstaand bekeken kon worden en had de gewoonte aangenomen op zondag enige tijd alleen met doek door te brengen - oog in oog met dat afgrondelijke oog dat tot in zijn ziel keek, zowel naar zijn 'moi' als diep in zijn 'je'.

Tremendum et fascinosum was zijn deel, maar de psychoanalyticus hield aan L'Origine ook talrijke vragen en inzichten over, onder meer betreffende de status van iconen, de werking van het Verlangen, het verschijnsel 'vagina dentata', en natuurlijk de eeuwige vraag, die Freud al stelde en niet kon oplossen: Was will das Weib. Voor Lacan zat in L'Origine ook manifest en veelbetekenend de moeder ("un crocodile dans la bouche duquel vous êtes") verscholen.

De allereerste 'interpretatie' die L'Origine mocht ervaren was dus die van de psychoanalyse. Intussen is het schilderij in alle hoeken, kanten en glooiingen bekeken en beschouwd. Tot, uiteraard, in de boudoirs van het feminisme toe. Courbet zou daar een vette bulderlach niet hebben kunnen onderdrukken. Wat de schilder nu zelf met zijn doek heeft willen zeggen, hij heeft er nooit iets bijzonders over losgelaten. Een vraag die alvast mij bezighoudt: waarom Courbet zich van zijn meest 'expliciete' maar meteen in de anonimiteit verdwenen doek verder zo weinig heeft aangetrokken, als hij dan toch in zijn onmatige ijdelheid de grote Manet en de kunstgeschiedenis het nakijken wilde geven.

Het is en blijft gissen.

Misschien het mooiste nattevingerwerk is gepleegd inzake het 'model' voor L'Origine. De vraag: wie of wat heeft geposeerd voor dit openhartige beeld. Vrouwen zat, snoefde de met de jaren onaantrekkelijker Courbet, die zich wilden laten portretteren door hem. Maar een portret is nog geen Origine. Ook in dit deel van de geschiedenis is geen bewijs voor welk verhaal dan ook.

Bijna iedereen, ook K. Schippers, gaat ervan uit dat een vrouw van vlees en bloed zich voor de schilder heeft gelegd, en dat de schilder maar te kijken en weer te geven had. Er komt een handvol vrouwen in aanmerking voor de rol. Er is Jeanne de Tourbey, een mondaine, libertijnse vrouw die kunstenaars en rijke mannen verzamelde. Bij die verzameling hoorde Khalil-Bey, de eerste eigenaar en misschien de opdrachtgever van L'Origine. Dat Jeanne model zou hebben gestaan strookt met haar levenswandel. Bovendien, zo heeft Savatier zorgvuldig nagekeken, komt haar "carnation", haar vleeskleur, zoals die te zien is op een portret, opvallend overeen met het palet van L'Origine.

Zo zijn er nog enkele vrouwen, kleinere kanshebbers.

De 'officiële' kandidaat is Joanna Hiffernan (°1843), een enigszins tragische figuur van wie de sterfdatum onbekend is en wier naam eindeloos verhaspeld wordt, als was dat een teken van haar wat schimmige bestaan. Bijna altijd wordt zij als vanzelfsprekend vereenzelvigd met de vrouw achter L'Origine. De geschiedenis van Jo en het schilderij is er een van jaloezie, wraak en rivaliteit onder twee grote schilders. Ook dat verkoopt.

Jo Hiffernan was een Ierse vrouw. Zeer roodharig en zeer mooi. In 1860 maakt ze kennis met de in Londen verblijvende Amerikaanse schilder James Whistler. Zij poseert voor hem en wordt, op klassieke wijze, al snel zijn minnares. Het is grote liefde, Whistler schildert haar meermaals, zijn bekendste portret van haar is Symphony in White No. 1: The White Girl (1862). Het is een beeld van een haast angelieke vrouw, die in een onbestemde verte kijkt - als in haar eigen verdwijnende toekomst. Een beeld van onwezenlijke zuiverheid ook.

Whistler wilde zich met dat doek onttrekken aan het 'realisme' van Courbet en een grotere vergeestelijking en raadselachtigheid bereiken. Courbet vond Symphony tegenvallen, het leek hem te zeer "een spiritistische verschijning". Ondanks hun tegenstellingen werden Courbet en Whistler, die regelmatig naar Frankrijk ging, een tijdlang goede vrienden. In 1865, het jaar voor Courbet L'Origine schilderde, brachten Courbet, Whistler en Jo zelfs enkele weken samen door, in Trouville, Normandië. De schilders schilderden, zwommen, aten en dronken, Jo genoot van het samenzijn. Courbet maakte een intussen beroemd portret van haar, Jo, la belle Irlandaise.

Kort daarop reisde Whistler plotseling naar Chili af, om er met de Chilenen te strijden tegen de Spanjaarden. Gevochten heeft hij er niet, geschilderd wel. De precieze reden voor zijn overhaaste vertrek is nooit duidelijk geworden - bepaald politiek of sociaal geëngageerd was hij niet - maar vermoedelijk had het te maken met Jo, en met Courbet. Wat er tussen die laatste twee precies is gebeurd tijdens de weken in Trouville weten we niet. Vast staat dat Jo in afwezigheid van 'haar' Whistler naar Frankrijk trok en er Courbet opzocht. Bijna zeker poseerde ze voor het lesbische tafereel Le Sommeil - ze is er herkenbaar. Conclusie, volgens velen: ze heeft ook geposeerd voor het kort daarop geschilderde L'Origine.

De psychologie van die besluitvorming is begrijpelijk en aantrekkelijk. De snel ouder wordende Courbet was verliefd, hij had een hekel aan het al te vergeestelijkte beeld dat Whistler ophing van Jo, en de vrouw in het algemeen, en stak met L'Origine als het ware zijn middenvinger op naar een amoureuze en artistieke rivaal, en naar de leugen van de kunst. Zó, mon cher, ziet een vrouw eruit, niet als een engel in een witte jurk.

Dat Whistler Jo verliet kort nadat L'Origine werd gemaakt, al weten we niet of hij het doek ooit heeft gezien, dat Jo opging in de nevelen van de geschiedenis maar volgens één getuige nog even uit die nevelen, gesluierd, opdook aan het sterfbed van 'haar' Whistler, in 1903, versterkt uiteraard het hele verhaal.

Ook hier is druk gespeculeerd over de 'carnation'. Het Ierse uiterlijk van Jo is daarin doorslaggevend. Sommigen negeren de kwestie, anderen geven ze een draai, K. Schippers vraagt zich even af of Jo nu "blondrossig of roodbruin haar" had, maar gaat er voorts zonder veel aarzeling van uit dat "Joanna Hiffernan voor Courbet poseerde met gespreide benen".

Savatier echter besluit dat hij geen believer is. Twee elementaire gegevens overtuigen hem niet. Jo, als roodharige, kon onmogelijk het bruine schaamhaar van L'Origine hebben. En als Ierse én roodharige had zij ongetwijfeld een veel blekere huid dan de vrouw op het schilderij. Courbet, als principieel realist, zou dit soort 'leugens' nooit hebben toegelaten.

Het is maar hoe je het bekijkt. Realisme, ook bij de notoire Courbet, is een rekbaar begrip. Het aanbrengen van donkerbruin haar waar het oog roodbruin ziet, lijkt me niet meer dan een pekelzonde tegen de gebod van 'de weergave van de werkelijkheid'. En over de teint van de huid op L'Origine kunnen we tot het einde der tijden redetwisten.

Hoe het allemaal zij, ondanks alle speurwerk is er geen enkele vrouw teruggevonden van wie we kunnen zeggen: zij was het. Er is geen enkele aanwijzing, geen enkel spoor. Dat zovelen toch zo graag die vrouw willen ontdekken, zich daar een aandoenlijke moeite voor getroosten, zegt veel over de romantische mythes die we graag om het kunstenaarschap weven. Dat alles terwijl de oplossing voor de hand ligt: er is bij het scheppen van L'Origine, dat doek over het centrum van het centrum, helemaal geen vrouw te pas gekomen. Ik bedoel: niemand heeft zich uren- of dagenlang voor de grote realist neergevlijd en in het licht van de eeuwigheid de benen gespreid.

De kans is namelijk zeer groot dat Courbet gewoon een erg verduldig model heeft gebruikt: een vrouw van fotopapier.

In de jaren 1860 was de fotografie enkele decennia jong. Naaktfotografie was voor de eerste fotografen een lucratieve bezigheid, die hen echter wel, zoals in het geval van de bekende Auguste Belloc, de gevangenis kon kosten. Talrijke schilders maakten gebruik van die betrekkelijke 'underground'-foto's om goedkoop aan een model te komen. In het atelier van Courbet in Ornans zijn honderden negatieven en foto's van naakte vrouwen gevonden. Daar is geen enkele bij die zou hebben kunnen gediend voor L'Origine, maar niets sluit uit dat Courbet een intussen vrij bekende reeks foto's heeft gezien, of geleend, van de fameuze Belloc waarop inderdaad een vrouw haar jurk optilt en haar geslacht laat zien. De gelijkenissen met L'Origine zijn frappant: dezelfde pose, dezelfde kadrering, dezelfde stof - die dus geen laken is, maar een jurk, een gegeven dat door zijn doelgerichtheid (de vrouw die expliciet haar kleding 'even' opheft) het erotische gehalte van het beeld aanzienlijk verhoogt.

"Niets sluit uit", schreef ik zonet, dat Courbet die fotoreeks heeft gebruikt. Dat is, ik besef het, een zwaktebod. Ook voor de hypothese van de foto als origineel voor L'Origine is geen enkel bewijs. Zo aandachtig als mogelijk heb ik naar het doek gekeken, maar ook daar is, voor zover ik kan zien, niets te zien dat iets zegt over de aard van het origineel, of dat nu een aanwezige, poserende vrouw dan wel een stukje ontwikkeld papier was. Uiteraard niet. Een goed schilderij is een parallel universum, waar een parallel licht bestaat, parallel vlees, een parallel geslacht.

Maar dat de grote realist Courbet voor zijn meest ophefmakende doek, dat zoveel verhalen, mythes, interpretaties en erotische kronkels heeft verwekt, 'gewoon' een foto, een tweedehands beeld van de werkelijkheid, zou hebben gebruikt, zoals vanaf de uitvinding van de fotografie en ook nu nog zoveel schilders dagelijks doen, het is een idee, een geloof dat voor mij interessanter, en zelfs troostender is dan de hardnekkige romantische constructie die we me maar blijven bouwen en herbouwen.

Het maakt er L'Origine du monde niet minder opwindend op. Integendeel.

Wie het spoor van 'L'Origine' wil volgen komt in de onderwereld van de kunsthandel, in krochten van de geschiedenis. En ontmoet een aantal fascinerende figurenEerste eigenaar Khalil-Bey hing het schilderij op in een 'cabinet de toilette', met een gordijntje ervoor. Genodigden werden dan naar het kamertje gebracht, waar het doek openging en het schouwpel zichtbaar werd

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234