Zaterdag 17/04/2021

De vloeibare mens

undefined

De roman is natuurlijk een onmogelijk genre geworden in de tweede helft van deze eeuw. Gewoon een verhaaltje vertellen leek na de modernistische experimenten van James Joyce, Virginia Woolf, F. Bordewijk, Djuna Barnes, Paul van Ostaijen en Alfred Jarry al te banaal. Het omgekeerde was echter evenmin zonder risico: dat kon ontmaskerd worden als lege nieuwlichterij en ook het publiek zat niet altijd te wachten op boeken waarin het zelf op zoek moest naar de personages en het verhaal.

Niet dat de Nederlandstalige auteurs hun lezers na de Tweede Wereldoorlog op dat vlak doorlopend geprovoceerd hadden: formeel gezien waren de eerste romans van de toenmalige nieuwe namen (Claus, Reve, Hermans...) niet ècht grensverleggend geweest. Boon had vanaf Mijn kleine oorlog (1946) weliswaar steeds drastischer geëxperimenteerd met verschillende vertellers en verhaallagen, maar de realistische romanconventies had ook hij niet werkelijk geproblematiseerd.

Bert Schierbeek deed dat wel. Het boek Ik (1951) lijkt het resultaat van een fragmentatiebom: het verhaal, de beeldspraak, de syntaxis - alles is ontploft. Zelf sprak de auteur van 'proëzie': Schierbeek had de grenzen van de beide genres zózeer opgerekt dat ze over elkaar geschoven waren. De verbeelding van een herkenbare realiteit leek de laatste van zijn zorgen.

Sybren Polet (°1924) maakt(e) altijd een scherp onderscheid tussen beide genres en in zijn vroegste romans gaf hij ook een ander basiskenmerk van het traditionele proza (de psychologie) niet helemaal op. Toch wordt Breekwater (1961) in ons taalgebied beschouwd als een mijlpaal: de personages die Polet in dit boek introduceert mogen dan immers gekweld worden door menselijke, al te menselijke problemen (impotentie, veroudering, overspel), de doordeweekse inleving ligt hier voor de lezer toch niet echt meer voor de hand.

Neem het titelpersonage: in het begin van de roman heet dat niet Breekwater, maar Godgegeven en beklimt het King-Konggewijs een torengebouw om naar kantoor te gaan. Later wordt de man overreden door een 2CV en maakt vervolgens, als bevoorrecht toeschouwer, zijn eigen begrafenis mee. Hij lijkt een vrijwel onbeperkt vermogen tot regeneratie te hebben. In nog latere hoofdstukken sterft hij in bed, of loopt hij doelloos rond, of slaagt hij er bij gebrek aan erectie tot tweemaal toe niet in seks te hebben met zijn minnares (bij zijn vrouw lukt het wel), of luistert hij in de kroeg verveeld naar schier eindeloze uiteenzettingen van zijn tafelgenoot. Alsof dat nog nodig was, laat de auteur er geen twijfel aan bestaan dat het hier fictieve personages betreft.

Die net genoemde tafelgenoot, Lokien, duikt in het verhaal eerst op als een van de eiken op het plein voor Breekwaters kantoor. Bij gebrek aan andere personages waarmee Breekwater een "redelijk gesprek" kan voeren, worden deze bomen probleemloos in het verhaal opgenomen: "Hij kleedt ze aan, geeft ze een houding, een eigen habitus en karakter." Lokien, zo blijkt, is een jonge schrijver. Of, zo u er toch een uitleg aan wilt geven binnen de bekende grenzen der romankunst, de engelbewaarder of het alter-ego van Breekwater. In het boek wordt gesuggereerd dat hij tegelijkertijd diens zoon én vader is.

In het door mij geraadpleegde bibliotheekexemplaar stond na deze boom-wordt-mens-transformatie in de marge geschreven: "Is dit parodie op realistische roman?" Die vraag is minder obligaat dan ze misschien lijkt. Als een van de eerste en zeker ook een van de hardnekkigste auteurs in ons taalgebied heeft Polet sinds het begin van de jaren zestig de conventies van de realistische roman ontmaskerd.

Aangezien de roman in eerste en laatste instantie uit taal bestaat, is het een illusie te denken dat hij de realiteit zou kunnen weergeven 'zoals ze is'. De roman is per definitie kunstmatig, maar gebruikt de valste sluipwegen om dat te ontkennen. (Polet doet dat niet, hij legt die valsheid er wellustig dik bovenop: "'Hoe gaat het met onze dochter die in Australië woont en die getrouwd is met een mijnbouwkundig ingenieur?' vraagt de heer Godgegeven aan zijn vrouw.") Hoe onzichtbaar een verteller zich ook maakt, uiteindelijk is er toch altijd ergens een instantie aanwezig (de auteur) die aan de touwtjes trekt. (Niet toevallig werd Polet bekritiseerd omdat hij poppen in plaats van personages zou creëren.) Die personages kunnen ook nooit helemaal gekend zijn. In dat verband merkt Lokien in Breekwater op: "In een roman moet je volledig afgeronde mensen uitbeelden en die bestaan niet. Ik ken alleen mensen, en die uit te beelden is mij volledig genoeg."

Veeleer dan een parodie te zijn op de realistische roman maken dit soort opzichtige commentaarpassages van dit boek een soms gedateerd aandoende handleiding voor wat Polet later zelf 'Ander Proza' zou gaan noemen. In de gelijknamige bloemlezing en in vele andere essays en interviews toonde hij zich een overtuigd en eloquent tegenstander van het traditionele (niet-andere) proza: "Die eeuwige binnenhuiskunst, achtertuintjesnatuur, eenmansdepressies, hoofdpijnrelaties, broeierige twee-, drie- of eenhoeksverhoudingen, kachelwarmte, verongelijktheid, boekhoudkundig realisme, vrijgezellenromantiek, trapgatkonfidenties, sexuele rebellie, boerenkooltheologie en dooie-kanarievogeltragiek, met bijna nooit eens een opening naar iets wijders, iets algemeners..." Polet wou het zelf dus groter, ambitieuzer... anders.

Dat laatste is Breekwater zeker, maar ondanks de soms vernuftige metafictionele capriolen weet het boek zelf toch al te zelden die opening naar iets wijders te maken. In latere romans uit de Lokien-reeks zou Polet expliciet de geschiedenis en andere aspecten van de maatschappelijke realiteit thematiseren en ook vormelijk zou hij steeds verder gaan: citaten, enquêteformulieren, gedetailleerd uitgeschreven filmsequenties... Een (gezien de geregelde herdrukken) substantiële lezerskring en invloedrijke critici als Jacq Vogelaar en Paul de Wispelaere bogen zich vol enthousiasme over deze boeken, maar eind jaren zeventig keerde het tij en werd Polet welhaast unaniem uitgekotst. De eeuwige binnenhuiskunst leek het pleit toen te hebben gewonnen, maar de transformerende kwaliteiten van Polets personages hadden inmiddels gelukkig ook het Nederlandstalig proza zelf besmet. Bij zulke verschillende auteurs als A.F.Th. van der Heijden, Stefan Hertmans en Pol Hoste had het Ander Proza zich geruisloos geregenereerd tot, opnieuw (maar deze keer zonder hoofdletters), ander proza.

Sybren Polet, Breekwater, De Bezige Bij, Amsterdam, 1961, derde herziene druk 1973.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234