Dinsdag 26/10/2021

De vice-regent van God

Vandaag precies vijfentwintig jaar geleden werd in Iran de Islamitische Revolutie gewonnen. De aanvoerder ervan past in het rijtje van Mao Zedong en Ho Chi Minh, maar in tegenstelling tot hen was Ayatollah Ruhollah Khomeini tegelijk tiers-mondiste èn antilinks. 77 was hij toen hij als balling uit Parijs terugkeerde. Zijn hele leven had in dienst gestaan van de islam en de revolutie.

Zogoed als niets is in ons collectieve geheugen over Khomeini opgenomen. Dat hij een baard had, en een tulband droeg, ja, en dat hij een der verbreiders was van de politieke islam. Maar hoe wist deze duidelijk charismatische man zijn volk tot de laatste grote revolutie van de twintigste eeuw te bewegen? Wie inspireerde hem en hoe slaagde hij erin de omverwerping van de sjah vanuit Parijs te orchestreren? Het zijn een paar van de vragen die de Britse professor Vanessa Martin in haar pas verschenen Creating an Islamic State. Khomeini and the Making of a New Iran poogt te beantwoorden. Ze doet dat overigens op een heldere, erg leesbare en vlotte manier. Revolutionairen zijn altijd kinderen van hun tijd, en dat gaat voor Khomeini, ondanks zijn traditionalistische imago, evengoed op. Tegen de tijd dat deze, uit het droge Centraal-Iraanse Khomein afkomstige derde zoon van een lagere clericus 24 is, vestigt de Pahlavi-dynastie (1926-1979) zich in Iran. Reza Sjah zal een groot bewonderaar van Turkijes held der modernisering Atatürk blijken, een man dus die zijn volk via verregaande gedwongen verwestersing in de vaart der volkeren wil opstuwen. Hij voert in 1928 de zogenaamde hoedenwet in, die mannen een traditioneel hoofddeksel ontzegt en hen verplicht zich westers te kleden. Mollahs, die in het sjiitische Iran overigens tal van maatschappelijke functies hebben, moeten een overheidsvergunning aanvragen om zich nog met een tulband te mogen laten zien. In 1936 worden de vrouwen verplicht ontsluierd - wat er voor vele op neerkomt dat ze zich niet meer buitenshuis vertonen. De bureaucratie telt tegen 1941 90.000 ambtenaren, de economie komt onder staatscontrole en in de strijd tegen het obscurantisme worden er volop scholen gebouwd. In 1919 waren er 23.000 leerlingen, verspreid over 300 onderwijsinstellingen, tegen 1941 krijgt een half miljoen kinderen onderricht in 8.000 scholen.

Reza Sjah heeft evenwel al te duidelijke sympathieën voor de nazi's en wordt in 1941 door de Britten en Russen - die Iran als wingewest in verschillende opzichten interessant vinden - aan de dijk gezet.

Zijn zoon Muhammad Rez Shah (1941-1979) neemt het roer van hem over en schroeft de kledingvoorschriften terug om de clerus gunstiger te stemmen. De laatste sjah van Iran zal evenwel als de lakei van het Westen de geschiedenis ingaan: de premier die poogde Irans olie-inkomsten naar het eigen volk te laten vloeien, laat hij door een CIA-coup afzetten, in 1957 richt hij met de steun van Washington de later bijzonder gevreesde geheime politie Savak op en tussen 1953 en 1963 leent hij van de VS een half miljard dollar om een modern leger uit te bouwen met 200.000 manschappen.

Oppositie tegen de sjah

Terwijl de olie-inkomsten groeien, neemt ook de kloof tussen arm en rijk schrikbarend toe. De sjah denkt alleen aan de zijnen, ontvolkt het platteland met zijn agro-industrieprojecten en snelt aan een dermate hoog tempo de moderniteit tegemoet dat de inflatie op hol slaat en zelfs de nieuwe lagere middenklasse die hijzelf creëerde economisch haast onderuit gaat. De sjah is evenwel geen man van zelfkritiek: het zijn de traditionele kooplui, de 'bazaari', die de schuld krijgen van de hoge prijzen en die daarvoor zelfs de nor in worden gedraaid.

Tegen de sjah's autoritaire, corrupte bewind komt uit twee hoeken oppositie: van seculier links, dat de verpaupering van de onderklasse, de economische ongelijkheid en het volstrekte gebrek aan politieke participatie van andersdenkenden onacceptabel vindt, en vanuit de netwerken van traditionele handelaarsgildes en 'ulama' die de uitverkoop aan het buitenland - gaande van het tabakmonopolie over olie tot de geforceerde secularisatie - zien als een aanslag op hun cultuur en eer. De laatstgenoemden zullen in Ruhollah Khomeini een waar leider vinden.

Khomeini wordt in Iran overigens niet de eerste geestelijke die zich succesvol met politiek bemoeit: als de laatste Qajar-vorst Nasser Al-din Sjah in 1891 besluit het monopolie van de tabaksindustrie aan het Britse Imperial Tobacco Comp. te verkopen voor 15.000 pond per jaar, komt de belangrijkste geestelijke van dat moment, Mirza Hassan Shirazi - die het hele milieu van verhandelaars geruïneerd ziet - in actie. Hij spreekt een fatwa uit: voortaan zullen de gelovigen geen waterpijpen meer roken, noch in enige andere vorm tabak verbruiken. De fatwa wordt nageleefd en de sjah wordt aldus gedwongen zijn overeenkomst te herzien.

Ruhollah Khomeini komt uit een familie van afstammelingen van de profeet langs de lijn van de dochter en van de zevende imam van de sjiieten. Zijn overgrootvader vestigde zich aan het begin van de zeventiende eeuw nabij het Indiase Lucknow maar zijn grootvader kwam omstreeks 1830 op pelgrimstocht naar het (Iraakse) heilige oord Najaf en vestigde zich vervolgens in Khomein, 200 kilometer ten noordwesten van Isfahan.

Ruhollah is de derde en laatste zoon: zijn vader wordt vier maanden na zijn geboorte immers vermoord door een gewapende bende. Vervolgens wordt hij door zijn moeder en tante opgevoed en gaat hij al snel naar een madrassa. De jongeman blijkt een briljant student met een grote bewondering voor Mudanis, een clericus die zijn verzet tegen de sjah in 1938 met de dood bekoopt en hem de noodzaak van een simpele levensstijl bijbrengt.

Op zijn 27ste trouwt Khomeini met de 15-jarige Khadidja Thaqafi, die later van hem zal zeggen dat hij ook maagd was op hun trouwdag. Het huwelijk zal zestig jaar duren en nimmer neemt Khomeini een andere vrouw dan deze, met wie hij een zoon en een dochter heeft.

Een filosofische leider

Tegen de tijd dat hij 33 is, heeft de man uit Khomein de hele driedelige religieuze opleidingscyclus doorlopen, wat hem automatisch toegang geeft tot de hogere clerus. Maar aangezien hij intellectueel en filosofisch onvoldaan blijft, zoekt hij in de heilige stad Qom privé-meesters die hem kunnen opleiden in de ''irfan', een mystieke filosofie over de eenheid van het goddelijke ene en het universele zelf. Zijn belangrijkste mentor is ayatollah Muhamed Ali Shahabadi, die van mening is dat de islamitische landen in verval raakten door corruptie, waardoor hun trots en hun islamitische rechten werden ondermijnd. En aldus, zo meent hij, propageren ze niet langer het concept 'doe goed en mijd het kwaad'. Tegelijk leest en becommentarieert Khomeini gretig Griekse en latere islamitische filosofen. Vooral de Theologia van Aristoteles en Plato's Republiek met zijn concept van de wijze en deugdzame leider die zijn gemeenschap naar een beter leven zal gidsen, spreken hem erg aan. Het sluit overigens nauw aan bij de denkbeelden van al-Farabi (870-950) en van Ibn Arabi (1165-1240), die de leider als een perfecte man zonder zonde zag, vol wijsheid en kennis van het goddelijke, de vice-regent van God op aarde. In datzelfde rijtje past Mulla Sadra (1571-1640) met zijn visie op de perfecte mens die in het vierde en laatste stadium van zijn ontwikkeling terugkeert naar de gemeenschap met kennis van het transcendente.

Precies aan dit leidersbeeld zal Khomeini zich spiegelen: het zal hem inspireren tot het concept van de 'velayat-e faqih' (voogdij van de jurist). Dit na de revolutie in de grondwet opgenomen principe belemmert tot op heden Irans pogingen tot democratisering, aangezien het de 'Opperste Leider' de macht geeft om in elke beslissing of vorm van wetgeving in te grijpen.

Geliefd bij studenten

Khomeini geeft vanaf het einde van de jaren dertig les en vergaart in Qom al snel een schare enthousiaste studenten rond zich, onder wie ook veel traditionele ambachtslui en 'bazaari'. Het populairst zullen zijn ethica-lessen blijken. Hij gaat uit van de grondgedachte dat zelfkennis leidt tot zelfdiscipline, van waaruit zelfontplooiing volgt. Uit de soefistische ''irfan' haalt hij zijn geloof in de directe individuele actie en het martelaarschap en zijn overtuiging dat maatschappelijke chaos noodzakelijk kan zijn, dat autoriteit en de rigiditeit van de islamitische teksten ter discussie kunnen worden gesteld.

Ondertussen besluit de clerus zich beter te organiseren, naar het voorbeeld van de steeds centralistischer optredende staat. De mollahs hebben vooral geld nodig, willen ze hun macht uitbreiden. Ze moeten dus zorgen dat de 'zakat' of religieuze contributie van de gelovigen niet langer verdwijnt naar het Iraakse Najaf. Qom moet Najaf als sjiitisch epicentrum vervangen. Om dat te verwezenlijken wordt het religieuze onderwijs in Qom hervormd - de leerlingen mogen voortaan de vakken en leraren kiezen, er worden vreemde talen onderwezen en debat is het ordewoord. Bovendien wordt voor het eerst in lange tijd een 'marja', een hoogste leider der sjiieten, gekozen, Ayatollah Muhammed Husain Burujirdi (1875-1961), die het seminarie in Qom gaat leiden.

Aanvankelijk heeft Burujirdi een goede relatie met de vooral bij studenten erg populaire Khomeini. Hij neemt de veel jongere geestelijke zelfs op in zijn kring van naaste medewerkers. Maar Khomeini is veel radicaler dan de 'marja', die met de sjah een afspraak heeft dat hij zich niet met politiek zal bemoeien als die laatste de islam met rust laat. Khomeini laat zijn ongenoegen over Burujirdi's aanpak evenwel niet blijken: hij beseft dat verzet tegen de staat geen zin heeft zonder eenheid. Khomeini zal tot aan de opstand van 5 juni 1963 moeten wachten voor de Nahzat of 'organisatie' wordt geboren die hem uiteindelijk naar de macht zal leiden.

Honderden martelaren

Begin jaren zestig doen er zich verschillende problemen voor. Zo poogt de sjah zeer tegen de zin van de Iraanse mollahs een clericus uit Najaf tot nieuwe 'marja' te laten uitroepen om de macht van Qom in te dijken. Tegelijk ontstaat er een conflict rond de gemeenteraadsverkiezingen. De clerus is ertegen dat zowel de kiezers als de kandidaten geen islamspecialisten hoeven te zijn, dat niet-moslims ook hun kandidatuur stellen en dat vrouwen hun stem mogen uitbrengen. Op dat moment spreekt ook Khomeini zich tegen vrouwenstem- en erfrecht uit, een mening die hij later duidelijk zal herzien om zich van voldoende steun voor de revolutie te verzekeren.

Als knokploegen in maart de Faiziyya-school aanvallen waar Khomeini lesgeeft, valt er één dode en krijgt de sjah de schuld. Tegelijk loopt de Muharam uit de hand, het sjiitische ritueel waarbij het martelaarschap wordt gevierd van imam Husain, de 'rechtvaardige' die zijn leven geeft in de strijd tegen de onrechtvaardige staat. De symbolische kracht van de Muharam ontgaat ook de sjah niet en als Hajji Riza'i Taiyib het portret meedraagt van Khomeini wordt hij meteen gearresteerd en gemarteld. Zijn weigering tot een bekentenis dat de clerus hem heeft omgekocht, kost hem uiteindelijk zijn kop.

Khomeini zelf houdt op 3 juni 1963 een virulente speech en wordt twee dagen later gearresteerd. Prompt treden de netwerken van Khomeini's studenten en 'bazaari' in werking. Er worden in Qom, Isfahan, Shiraz, Mashhad en Teheran protestdemonstraties gehouden. De krijgswet wordt afgekondigd en het repressieve overheidsoptreden sorteert honderden martelaren van de beweging.

Na tien maanden komt Khomeini in april 1964 vrij. Hij bindt meteen de strijd aan tegen het westerse imperialisme. Of concreet: tegen een nieuwe wet die immuniteit verschaft aan VS-burgers in Iran en tegen een lening bij de VS ten belope van 200 miljoen dollar voor nieuwe wapenaankopen. De organisatie van 'bazaari' en studenten, de Nahzat, mag dan ideologisch traditionalistisch zijn, vanaf het begin gebruikt ze moderne technieken van massacommunicatie en -mobilisatie om haar boodschappen te verspreiden. Cassettes met Khomeini's toespraken circuleren in de bazaars, en opnieuw wordt de geestelijke gearresteerd. Eerst wordt hij naar Ankara en vervolgens Bursa verbannen om zich vanaf 1965 in Najaf te vestigen, waar hij blijft tot hij in 1978 enige maanden in Parijs doorbrengt.

In ballingschap

In ballingschap zal Khomeini blijven fulmineren tegen "het illegale, onderdrukkende, corrupte" regime van de sjah. Zijn toespraken zijn vaak nog diezelfde dag in Iran op cassette te verkrijgen, waar ze vlot worden gedistribueerd. En ook in andere opzichten dankt Khomeini veel van zijn succes aan de netwerken van studenten en bazaari. Voor die laatste, die in een conservatief universum leven waarin democratie en buitenlandse invloed en concurrentie geen plaats hebben, heeft Khomeini twee essentiële kwaliteiten: moed en godsvrucht.

Khomeini besefte al van het begin van de jaren zestig dat de netwerken vooral naar Teheran moesten worden uitgebreid om pamfletten te drukken en te verspreiden, een tactiek die een van zijn studenten in de cel van linkse activisten leerde. Om de banden aan te halen, nodigt hij groepen van zo'n twintig ambachts- en kooplui naar Qom uit voor seminaries. Hij maakt een verpletterende indruk: het gros heeft achteraf zijn leven voor de geestelijke veil. Uit die groepen worden cellen gevormd, die met elkaar verbonden zijn maar elkaar niet kennen, waarbinnen iedereen gelijk is en die op drie terreinen actief zijn: in de moskeeën, het werkmilieu en de familie.

De geheime dienst Savak pakt de linkse oppositiebewegingen ondertussen genadeloos aan, de clerusoppositie wordt met rust gelaten. De gevreesde Savak is nochtans best op de hoogte van de activiteiten van de Nahzat maar de sjah wil liever niet gezien worden als een man die de islam aanvalt. En bovendien maakt ook het Westen zich veel meer zorgen om de dreiging van links dan om een religieuze oppositie die zich tot dan nog nergens tot een echt politiek alternatief heeft opgeworpen.

Korte tijd is de Vereniging van Verenigde Maatschappijen, zoals dit netwerk zich ook noemt, militair actief, omdat ze niet als passief wil worden beschouwd in de concurrentie met links om de harten van de Iraniërs die de sjah moe zijn. Maar als in januari 1965 premier Mansur wordt vermoord, krijgt de Vereniging de schuld en wordt ze hard aangepakt, wat de liefde voor de gewapende strijd instant doet bekoelen.

Terwijl Khomeini in Najaf beschouwingen schrijft en op band opgenomen speeches houdt, zijn de huidige Opperste Leider Ali Khamenei, Ali Montazeri (de man in wie Khomeini in 1985 zijn opvolger meende te zien maar die vervolgens te kritisch bleek), later president Rafsanjani en Ali Mishkini zijn mobiliserende gezanten in Iran. Ideologisch gezien staat vooral de later vermoorde Murtaza Mutahari dicht bij Khomeini. Hij bedenkt een islamistisch alternatief voor het marxisme dat de jongeren aanspreekt door de recent naar de steden geïmmigreerde rurale onderklasse te mobiliseren.

Terwijl Khomeini in zijn geschriften uit de jaren veertig en vijftig al duidelijk maakte dat het hem ging om de "uitvoering van Gods wil met de sharia als richtsnoer", bleef hij in de jaren zeventig erg vaag over zijn maatschappelijke project, teneinde de eenheid te bewaren.

Het antwoord dat hij op die bewuste 2 februari 1979 gaf op de vraag welk gevoel hij had nu hij weer voet op eigen bodem zette, sprak nochtans boekdelen. Geen gevoel, antwoordde Khomeini resoluut, niet het vaderland telde voor hem, maar het Dar al-Islam (huis van de islam) en dat kon overal zijn.

De man uit Khomein, ondertussen 77 jaar oud, was vastberaden om dat huis te construeren. Maar pragmatiek en voorzichtigheid stuurden hem in zijn graduele aanpak. Velen hadden hem en de Nahzat immers gesteund omdat hij het krachtigste wapen tegen de sjah was, de man die in tegenstelling tot alle anderen niet alleen appelleerde aan de ontevreden middenklasse, maar evengoed aan de stedelijke paupers die alleen door de liefdadigheid van de moskeeën in leven waren gehouden. Bijgevolg verordonneerde de 'velayat-e faqih' een maand na de revolutie alleen dat vrouwen gesluierd moesten zijn en alcohol verboden was. Tegen zijn radicale achterban, die cinema's gesloten wou zien en muziek verboden, zei hij dat ze geduld moesten oefenen. Maar deze mensen wilden bloed zien vloeien, en dus begonnen, minder dan een maand na de machtsovername de executies, op het dak van een school, wekenlang, dag en nacht. En in de jaren die volgden zouden niet alleen de oude sjah-getrouwen maar ook de voormalige bondgenoten van links bijzonder genadeloos worden aangepakt. En wie zich tot al te veel kritiek liet verleiden, zoals ayatollah Montazeri, werd als verrader aan de kant geschoven. De perfecte leider die Khomeini voor de zijnen was, maakt immers geen fouten. Hij streeft louter het Rijk Gods na.

Catherine Vuylsteke

slaagde hij erin de omverwerping van de sjah vanuit Parijs te orchestreren? Niet het vaderland telde voor Khomeini, maar het huis van de islam en dat kon overal zijn

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234