Woensdag 23/10/2019

De vermoorde onschuld

Kinderen van geëxecuteerden en langdurig gedetineerden komen in China veelal op straat terecht. Tenzij ze geluk hebben, en een leven krijgen in het door de provincie Antwerpen gesponsorde Kinderdorp, nabij Xi'an. Een verhaal over bloed, schuld en hoop.

Catherine Vuylsteke / Foto's Tim Dirven

Een mistige woensdagochtend - of is het de smog, die ons parten speelt? In de heuvels rond de oude Chinese keizerlijke hoofdstad Xi'an, heeft het tehuis Kinderdorp zich gevestigd aan de ingang van het op bevel van de overheid uniform diepblauw geschilderde dorp Milu. Voorbij de groene ijzeren omheining van de instelling strekt zich een rij huizen uit, met daarvoor enige groentepercelen die er in deze tijd van het jaar doods en bevroren bij liggen. Een aarden pad voert langs met donker plastic afgesloten latrines naar een stookhok en een kantine. In het midden van het enige honderden vierkante meter grote terrein staat de hoge watertoren van het dorp. Daarachter werden de voorbije jaren vier identieke bungalows opgetrokken, schenkingen van westerse bedrijven en ambassades.

Ze zijn opgedeeld in een enigszins verwarmde woonkamer, twee slaapkamers met stapelbedden voor maximaal twintig kinderen, een wasruimte en toiletten die alleen 's nachts gebruikt mogen worden, en een vertrek voor de inwonende verzorg(st)er.

Zesenzeventig jongens en meisjes vonden hier een nieuwe thuis.

Kinderdorp is een vreemdsoortig universum, gelaagd als de rokken van een ui. De buitenste doen aan een modale Chinese school denken, met zorgeloos lachende en schel ruziënde kinderstemmen. Ik hoor ze rijmpjes opzeggen, zich in spelletjes verliezen of elkaar het eigendomsrecht bewisten over een bal of een haarspeld.

Daaronder zitten de gefluisterde verhalen van de volwassenen die hier werken, tragische relazen over moeders die hardhandig en geboeid werden afgevoerd, die met de noorderzon verdwenen toen manlief achter de tralies belandde, of die hun kinderen ongewild horrorscènes lieten aanschouwen, hen aldus tot eeuwige nachtmerries of eindeloos bedwateren veroordelend.

In bloed en geweld zijn deze levens gesmoord, en veelal ook in schuld. Sommigen blokkeerden op beelden van botte bijlen en keukenmessen in de handen van wanhopigen of van kommen rijst waaronder rattenvergif werd gemengd. Anderen liepen levenslange averij op bij de aanblik van onherkenbaar geworden verwanten: dronken, razend, uitzinnig huilend of roerloos, koud en verstijfd.

De binnenste rokken zijn slechts sporadisch zichtbaar, en dan nog alleen voor de vertrouwelingen. Uit stilte, verdriet, woede en onbegrip bestaan ze, en bovenal uit al die dingen waar kinderen geen woorden voor hebben, en waar Chinese volwassenen er hen meestal geen voor willen geven. Ze zijn immers niet overtuigd van het heil van gevaarlijk balanceren boven de beerput van het verleden, in de hoop hem te doorgronden. Bie ku, guoqu jiu guoqu ba, is hun mantra. Huil niet, gedane zaken nemen geen keer.

Kinderdorp dankt zijn ontstaan, zo'n decennium geleden, aan de genade van enkele rechters, die eerst beschikten over de levens van oncorrigeerbaar of onvergeeflijk geachte mannen en vrouwen, om zich vervolgens geconfronteerd te weten met hun verweesd achterblijvende kinderen. Jongens en meisjes wier toekomst onzeker werd toen hun verleden de kogel kreeg, kwamen voor het eerst niet op straat maar in minitehuizen terecht. Vier in totaal, met vijftig onfortuinlijke kinderen in elk. Alleen, het mededogen van de edelachtbaren was van beperkte duur. Drie jaar na datum hadden drie opvangcentra hun deuren alweer gesloten, terwijl het laatste op apegapen lag.

Het is Grote Broer Koen, zoals de kinderen de hier werkende Limburger noemen, met zijn al even grote idealisme als teddybeergehalte, die de instelling van een zekere sluiting redde. De achtjarige Kinderdorpbewoonster Guo Lin zou het vast toeschrijven aan Guanyin, de boeddha van de barmhartigheid die ze steeds in haar broekzak draagt, maar op een dag in 1999 informeerden westerse vrienden van ngo-medewerker Koen Sevenants of hij een voorstel had voor de spendering van 15.000 euro resterend budget. Het moest de meest behoevenden ten goede komen, vond hij, diegenen die door de maatschappij en de staat waren uitgespuwd en uitgevlakt. "Als je bedenkt", legt hij uit, "dat een zesde van de negen miljoen mensen achter de tralies wereldwijd Chinezen zijn, en dat er in 2005 volgens Amnesty International 3.797 doodvonnissen werden uitgesproken in China, terwijl een parlementslid het zelfs over 10.000 gevallen had, dan besef je meteen hoeveel kinderen er hier hun eigen straf uitzitten."

Er was veel werk aan de winkel. De basisbehoeften van de kinderen waren niet of nauwelijks vervuld en over papieren beschikten de meesten niet, waardoor ze bijvoorbeeld moeilijk konden studeren. Pa of ma in de gevangenis bezoeken, gebeurde zelden en van enige psychologische begeleiding was geen sprake. Sevenants: "We hebben hard gewerkt en zijn bepaald trots op wat we bereikt hebben. Meer nog: Morning Tears, zoals we de organisatie hebben genoemd, heeft de ambitie om een internationale vereniging te worden van en voor kinderen van gedetineerden. We willen ons niet alleen met liefdadigheid inlaten, maar deze vergeten jongeren ook wereldwijd op de agenda plaatsen, zodat overheden hun verantwoordelijkheid zouden nemen."

Simpel was het evenwel niet. Sevenants zegt dat er in 2003 zelfs een moment was dat hij er helemaal mee wilde kappen omdat hij het emotioneel niet meer aankon. "Soms moet je kinderen weigeren. Zie je, we hebben maar een beperkte capaciteit, en er zijn minstens tweehonderd kinderen van de circa duizend vrouwelijke gevangenen in Xi'an die dringende opvang nodig hebben. Dat stelt je voor een verscheurende keuze. Bovendien boek je niet altijd resultaat. Een van de erg ervaren werknemers van Kinderdorp zei ooit tegen me dat ze zich over één op de drie kinderen geen zorgen maakt, dat een ander derde het met voldoende hulp nog wel haalt, en dat het laatste derde een verloren zaak is. Misschien stelde ze het wat cru, maar helemaal ongelijk had ze niet.

"Je leest het overigens ook in internationale studies. Kinderen van gedetineerden hebben zes keer meer kans dan andere jongens en meisjes om achter de tralies te belanden, en ook het aantal mensen met psychologische problemen is in die groep veel hoger."

Het is Sevenants evenwel niet gelukt om te vertrekken. "Ik kon de kinderen, met wie ik zoveel tijd had doorgebracht, niet achterlaten. Ik moest ze zien opgroeien", zegt hij lachend. De Limburger ging er sindsdien hard tegenaan. Hij wrikte financiële steun los van tal van bedrijven, en wist ook de provinciebesturen van Antwerpen en Limburg te overtuigen van het heil van een langdurig engagement. Tevens bouwde hij een vertrouwensrelatie op met de Chinese overheid, die hem ertoe in staat zal stellen om vanaf deze zomer drie staatsgerunde pilotprojecten voor straatkinderen te lanceren.

Juffrouw Fang (50) hangt de was aan de lijn naast bungalow nummer drie, waar ze samenwoont met zo'n veertien kinderen van tussen de drieënhalf en zeventien jaar oud. Een makkelijk leven heeft ze niet. Ze verdient nog geen 40 euro per maand, kan slechts om de twee weken voor het weekend naar haar man en dochter toe en blijft voor het overige van elk vertier voor volwassenen verstoken. Fang nam vier jaar geleden dit baantje aan, toen het staatsbedrijf waar ze decennialang had gewerkt, de deuren sloot.

Terwijl ik haar met de wasspelden in de weer zie, moet ik onwillekeurig denken aan de woorden, enige uren eerder, van Kinderdorpboekhoudster Zhang. Dat alleen mensen die elders niet meer in aanmerking komen voor een job, bereid zijn om hier te werken, zei ze zonder veel omhaal. "Oudere ontslagen werknemers uit de staatsindustrie, of gepensioneerden met weinig om handen, zoals ik."

Fang beweert heel tevreden te zijn met haar baan. "De liefde die ik van de kinderen krijg, is onbetaalbaar", stelt ze enigszins verlegen. "Bovendien hebben ze onze aandacht en ons begrip heel erg nodig, een normaal mens kan zich nauwelijks voorstellen wat deze meisjes en jongens op vaak erg prille leeftijd al hebben meegemaakt. Ze hebben het er doorgaans niet over, maar soms valt aan het verleden niet te ontkomen. Neem die keer dat de grote jongens in het gebouw in een buitenwijk van Xi'an, waar we tot vorig jaar woonden, met rode verf hadden geknoeid. Een van de kinderen viel prompt flauw toen ze de rode sporen op de muur zag. Ze verdraagt de aanblik van bloed niet meer. Sinds die avond toch niet, toen haar moeder haar vader met een hakmes vermoordde en haar een teil liet vasthouden om het bloed in op te vangen. Die vrouw kreeg de kogel, maar voor haar dochter duurt de gruwel eeuwig."

De meeste kinderen zijn net na hun aankomst behoorlijk angstig, maar uiteindelijk gaan velen Kinderdorp zelfs verkiezen boven hun eigen familie. Fang: "Toen ik een van de meisjes, nu dertien en al drie jaar hier, strafte omdat ze andermaal de regels had overtreden, zei ze doodgemoedereerd dat het niet erg was. 'Jij straft me alleen met reden', legde ze uit, 'thuis kreeg ik er de hele tijd van langs, zonder dat iemand ooit uitlegde wat ik fout deed. Weet je, tante', zei het meisje, 'ik ben hier duizendmaal tienduizend keer liever dan thuis. Ik wil nooit meer bij je weg.'"

"Je ziet het vaak ook bij familiebezoeken in de gevangenis. Sommige kinderen kijken hun ouder niet aan, en antwoorden niet eens op diens vragen. Ze worden verteerd door haatgevoelens voor diegene die huns inziens hun leven verwoestte. Dergelijke situaties zijn bijzonder pijnlijk, zeker als je bedenkt dat het gros van die gevangenen het met dat kwartier bezoek, zo'n drie, vier keer per jaar, moet doen.

"Anderen zijn daarentegen dol op hun moeder of vader achter de tralies. Ze maken tekeningen, en zodra ze horen dat er een bezoek wordt geregeld, beginnen ze het dessert of de koekjes die ze soms krijgen, op te sparen om ze aan hun ouder te kunnen schenken."

Ondertussen zijn de eerste kinderen uit de nabijgelegen school teruggekeerd. Ze groeten beleefd en nemen de nieuwkomers vervolgens nieuwsgierig op. "Waar kom je vandaan", vraagt de dapperste uiteindelijk, terwijl de anderen het uitproesten. "Vast ook uit België", meent een meisje, "net zoals Grote Broer Koen."

De boekentassen worden in de kamer gedeponeerd, hun jassen houden de kinderen de hele dag aan. In de schoollokalen is er geen verwarming - bij temperaturen rond het vriespunt staan deur en venster open, en vliegen de mussen door de klas - en ook in de bungalows en de kantine van Kinderdorp is het ronduit koud. "Heeft tante misschien geen lang ondergoed", vraagt een jongen me later die dag, als hij mij geheel verkleumd tegen de enige werkende radiator in de eetzaal ziet aanschurken. Toch, probeer ik hem te overtuigen, en toon de drie lagen die me tegen de kou moeten beschermen. "Een kwestie van gewoonte", zegt de jongen nog, "u leert het nog wel."

Na het middageten springen de meisjes in de elastiek, de jongens voetballen een eindje verderop. "Speel je met ons mee?" Een ondernemend kind met staartjes pakt lachend mijn hand. Het wordt het eerste van vele spelletjes, die we elkaar desnoods aanleren. Schipper mag ik overvaren, telefoontje, puzzelen en tal van vingerspelletjes vullen de vele vrije uren die we in de volgende dagen samen doorbrengen.

De voorkeur van de meisjes gaat evenwel uit naar Grote Grijze Wolf, met mezelve in de rol van vervaarlijk grommend beest dat het ene joelende kind na het andere verslindt, tot groot vermaak van de voorlopig nog gespaarde, rondrennende prooien.

Het spel schept vertrouwen en staat ons fysieke aanraking toe. Maar het is tevens een voorwendsel, een excuus voor mijn aanwezigheid evengoed als een scherm waarachter ik mijn schroom verberg.

Ik moet de kinderen over zichzelf laten vertellen, maar als ik nog maar terloops, tijdens het maken van een apemoeilijke berenpuzzel informeer naar de voor- en nadelen van een verblijf in Kinderdorp, zijn alleen stilte, gealarmeerde blikken en een afwijzende lichaamstaal mijn deel. En waarom zouden ze ook?

De dagen verstrijken. Ik mag onderhand vlechtjes maken in het haar van menigeen, leer tal van meisjes kruiwagen lopen, vestig definitief mijn reputatie als onverbeterlijke koukleum en ben de meest onvermoeibare Grote Grijze Wolf van de wijde omgeving. "Kom je morgen weer", vragen de kinderen nu elke avond. "En overmorgen? En als je naar België teruggaat, kom je dan nog of vergeet je ons weer?"

Guo Lin (8), een meisje uit een arme boerenfamilie in de naburige provincie Gansu, wier moeder ging lopen toen haar vader wegens een gewapende overval voor twaalf jaar achter de tralies belandde, is het nadrukkelijkst in die dingen. "Hoe laat kom je", vraagt ze, terwijl ze haar vingers als een groot insect over mijn handen laat kruipen. "En als je maandag vertrekt, hoe lang duurt het dan voor je terug bent? Deze zomer? Ik moet dan normaal gezien voor enige dagen naar mijn tante, maar als ik weet dat jij op bezoek komt, ga ik niet." Guo Lin lacht en taxeert mijn reactie. "Alleen mijn oma", zal ze de laatste dag tegen me zeggen, "was zo lief als jij. Het was eigenlijk niet zo leuk thuis."

Veel verder gaan de ontboezemingen van de meesten niet. Maar wat zou je willen, van meisjes of jongens die zich net de tafels van vermenigvuldiging eigen maken? En toch. Soms bieden verhalen zich ook onverwachts aan. Zo ging het met Kou Wei toch, de Engelse tolk van Sevenants die zich zo mogelijk nog radicaler dan hem in Morning Tears heeft vastgebeten. Ze heeft haar verleden nog nooit geopenbaard, meent Sevenants, behalve aan hem dan, aan een paar kinderen, en nu aan mij.

"Ik had nooit gedacht", begint een zichtbaar zenuwachtige en daarom kalmerende chrysanthenumthee drinkende Kou Wei, "dat ik zo betrokken zou raken bij dit project. Toch niet voor ik zelf het kind van een gedetineerde werd."

Ze weet niet goed waar te beginnen. "Misschien moet ik mijn jeugd eerst voor je samenvatten. Het was er een van voortdurende angst, immer onverwachte klappen en aanhoudende nachtmerries. Ik geloof niet dat mijn vader ooit lief tegen me is geweest, noch tegen mijn moeder. Alleen als hij er niet was, hadden we enige rust.

"In de buitenwereld stond hij, een politieman van beroep, bekend als een rustige, vriendelijke mens. Als de waardige zoon van zijn vader ook, die partijsecretaris was in onze districtshoofdstad." Alleen de buren en de familie kenden zijn ware gelaat. Het weerspiegelde zich voor de eersten in de al te frequente wanhopige kreten van Kou en haar moeder, en voor de laatsten in de beurse plekken waarmee hun lichamen vaker wel dan niet waren bedekt. "Zodra hij ruzie begon te zoeken, rende ik naar de buurvrouw. Mijn hele jeugd lang vond ik troost in haar armen. Hulp kon ze me evenwel niet bieden. Je kent het Chinese spreekwoord vast wel: dat het beter is tien tempels te vernietigen dan één gezin. Het waait wel weer over, zei ze altijd, dit soort dingen gebeurt nu eenmaal. Het is ons lot."

Kous moeder wilde er zich evenwel niet bij neerleggen. Deze arts legde talloze klachten neer bij het plaatselijke politiebureau en diende bij het Volkstribunaal evenveel echtscheidingsverzoeken in. "Het enige effect daarvan", meent Kou, "was nog grotere vaderlijke boosheid. Mijn grootvader, die zo ongeveer de status van de Almachtige had, werd immers altijd weer op de hoogte gesteld, en voor hem was een dergelijke schande in een modelfamilie als de onze volstrekt uitgesloten."

Kous woorden stokken in haar keel. "Mijn moeder was goed voor haar echtgenoot, hoewel ze een erg drukke baan had, kookte ze dagelijks en het appartement waarin we woonden, lag er altijd netjes bij. Ik geloof dat mijn vaders razernij met zijn onvervulde droom te maken had: hij wilde geen dochter maar een zoon, begrijp je."

Ik zie ze denken dat het haar schuld was. "Ik had mijn moeder beter moeten beschermen, ik wist alleen niet hoe. Toen ik naar de universiteit in Xi'an vertrok, om Engels te studeren, lag ik vaak de hele nacht te piekeren. Wat zou hij haar aandoen? Voor ik vertrok, liet ik mijn moeder beloven dat ze op me zou wachten. Eenmaal ik afgestudeerd zou zijn, zou ik in Peking een goedbetaalde baan zoeken, en zouden we samenwonen. Maar het heeft niet mogen zijn."

Kou was negentien, en derdejaarsstudent toen het telefoontje van haar beste vriend kwam. Of ze naar huis kon komen, hij moest met haar spreken. Luttele minuten later belde haar moeder. Dat ze op training vertrok, zei ze, en dat Kou in de vakantie naar oma moest gaan. Het zou haar moeders laatste teken van leven zijn. De volgende keer dat ze haar hoorde of zag, was zeven maanden later, in de rechtszaal. "Ik had een akelig voorgevoel. De nacht ervoor had ik de hele slaapzaal bijeengeschreeuwd, toen ik droomde hoe ik met een mes werd vermoord."

Het enige wat Kou zich nog van die dag herinnert is het gesprek met haar vriend. Dat haar moeder haar vader had vermoord, zei die, toen hij het geld wilde opmaken dat ze had gespaard voor Kous opleiding. De volgende drie dagen, zo vertelde haar oom haar later, verkeerde Kou in acute shock. Ze hoorde niet eens wat men tegen haar zei, en pas toen de dokter er uiteindelijk in slaagde haar een kalmerende injectie te geven, viel ze in slaap.

"De enige die contact had met mijn moeder, was de advocaat, die haar boodschap overbracht dat ik er te allen prijze buiten moest worden gehouden. Mijn oom legde me evenwel uit dat ik de enige was die haar leven kon redden. Grootvader zou niet rusten voor hij haar de dood in had gestuurd, en de buitenwereld wist niet wat we de voorbije twintig jaar hadden meegemaakt.

"Ik overhandigde mijn dagboeken, waarin ik jaar in jaar uit over de gruwel thuis had geschreven. Die schriften prijsgeven, ze moeten delen met een onbekende advocaat, was erg pijnlijk. Maar voor mijn moeder zou ik alles hebben gedaan."

Op het proces getuigt Kou drie keer. Ze kan de aanblik van haar moeder in het beklaagdenbankje haast niet verdragen en blijft op de dag van het vonnis uit de rechtszaal weg. "Mijn oom is erheen geweest, zelf zat ik thuis met een mes. Als zij dood moest, dan ik ook."

De tranen stromen onderhand over Kous gezicht. Dat duizend mensen een steunpetitie hadden ondertekend voor haar moeder, zegt ze met een gesmoorde stem, ze was echt ontzettend geliefd.

De arts krijgt uitstel van executie, een strafmaat die volgens Human Rights Watch in een kwart van de moordzaken wordt gehanteerd en die inhoudt dat ze twee jaar krijgt om te bewijzen dat ze zich mentaal heeft hervormd. Het zijn lange maanden, waarin de dood nog voortdurend om het hoekje loert. Immers, wie niet voldoet, krijgt alsnog de kogel, de rest kijkt tegen minstens twintig jaar achter de tralies aan. "Het ergste was dat de rechter zelf tegen mijn oom zei dat hij haar twaalf jaar had willen geven, de minimumstraf voor moord, maar de druk van mijn grootvader was te groot."

Het zal uiteindelijk twee jaar en twee maanden duren vooraleer Kou haar moeder opnieuw ziet. Zesentwintig maanden van stilte: geen brief, noch telefoon. "Ik moest mijn oom beloven dat ik niet zou huilen. Het zal haar verwoesten, zei hij, jij moet flink zijn. We hebben die eerste keer dat we een kwartier samen kregen, alleen over anderen gepraat. Over de dingen die niet fundamenteel zijn.

"Het duurde maanden vooraleer we het over die noodlottige dag en daad konden hebben. Ze heeft er geen spijt van, mijn lieve moeder, het enige, zegt ze, dat aan haar knaagt, is te weten dat ze mij ongelukkig heeft gemaakt, dat ik nu het kind van een misdadiger ben.

"Het lijkt vreemd maar ik heb er meer moeite mee dan zij om haar gevangenschap te accepteren. Ze verdient geen straf, haar hele echtelijke leven was één penitentie. Ze probeert er mij van te overtuigen dat het best goed met haar gaat. Ze werkt van maandag tot vrijdag in de kliniek van de gevangenis en geeft op zaterdag les. Niemand doet me hier pijn, geloof me", zei ze, "ik word gerespecteerd. Eigenlijk heb ik een beter leven dan vroeger, alleen jij en de vrijheid ontbreken."

Kou Weis moeder zit onderhand zes jaar in de gevangenis, ze heeft dermate goede relaties met de directie dat ze haar dochter in haar cel mag ontvangen, soms zelfs gedurende twee uur. Wanneer ze vrijkomt, staat nog niet vast. "Over tien jaar misschien, dan is ze 62."

Vrijdagavond, uit eten met enkele van de oudste meisjes in een Sichuanees restaurant in Xi'an. De stemming is uitgelaten, het eten heerlijk en de nacht nog jong. De tieners willen straks gaan bowlen, of minstens naar een gezellige bar, en verheugen zich nu al over het vooruitzicht straks in een hotel te mogen slapen. Met een televisie die eindeloos veel kanalen heeft, matrassen waarin je wegzakt, een heus bad en ongelimiteerde hoeveelheden kokend heet water. Dat ze pas om vier uur gingen slapen, zullen ze de volgende middag met kleine oogjes bekennen.

De zeventienjarige Zhang Xiangyu selecteert als een goede Chinese gastvrouw de beste hapjes voor ons en zegt dat ze een grote bewondering koestert voor journalisten. Ze leest naar eigen zeggen elke krant die ze te pakken krijgt en wil later absoluut schrijfster worden. Of beter: ze heeft haar eerste boek al af, over haar tienjarig verblijf in Kinderdorp, en het wordt onderhand in het Engels vertaald.

De boekhoudster van Kinderdorp noemde het meisje een paar dagen geleden nog een modelkind. Ze studeert bijzonder goed en heeft het familiedrama psychologisch goed verwerkt, zei ze. Volgens haar was Zhangs vader een drinkende, hoererende nietsnut die zijn echtgenote ook na hun scheiding bleef lastigvallen. Op een van die ongewenste bezoeken brachten Zhangs moeder en oudere broer hem om. De jongen is ondertussen weer vrij, zij heeft nog enige jaren voor de boeg.

"Ik hoop vooral dat mijn boek voor meer begrip zal zorgen", zegt Zhang zacht. "Weet je, het ergste van een jeugd in Kinderdorp is niet het ontbreken van ouders, maar de noodzaak om voortdurend afscheid te nemen van diegenen van wie je houdt. Ik heb me vroeger vaak voorgenomen om me niet meer aan mensen te hechten, want elke keer is het alsof je zelf een beetje doodgaat, en er een stukje van je leven verdwijnt." Haar vriendin Zhang Hao knikt. "Je weet nooit hoe lang iemand zal blijven, als deze of gene oom of tante het in zijn/haar hoofd haalt om je op te halen, moet je gehoorzamen."

Zelfs kinderen die niet terug willen naar een gewelddadige of volstrekt kansloze gezinssituatie, worden fysiek verplicht om met hun bloedverwant mee te gaan. "Het enige wat wij kunnen doen", aldus Sevenants, "is contact proberen te houden. We leren de kinderen daarom telefoneren en geven wat zakgeld mee, zodat ze ons zouden kunnen bellen. Maar of dat lukt... Bovendien, wettelijk hebben we geen enkel recht om ons nog met hun leven te bemoeien."

Als we op zaterdagmiddag weer in Kinderdorp aankomen, zijn de oudste jongens druk in de weer. Ze maken de houtvoorraad klaar voor het kampvuur van die avond en kibbelen over het voorrecht om straks als outdoor-dj achter de draaitafel te mogen staan. Een paar tienermeisjes informeren terloops of tante van dansen houdt. Zelf zijn ze er gek op, maar alleen durven ze niet goed.

Xiang Kepeng (16) heeft een bijzondere verantwoordelijkheid gekregen. Hij moet erop toezien dat de kleinste kinderen niet al te wild rond het vuur rennen en de avond zonder brandwonden doorkomen. Hij zegt zich vereerd te voelen, en ik begrijp hem best. De jongen zit nog altijd op de lagere school, de leraren beschouwen hem als een hopeloos geval en ook boekhoudster Zhang heeft geen erg hoge pet van hem op. "Die jongen behoort tot het verloren derde", zei ze een paar dagen geleden, "we zijn al blij dat hij enige maanden geleden ophield met bedwateren. Maar het feit dat hij nu soms betrapt wordt met alcohol en sigaretten, baart ons grote zorgen."

Welke adolescent heeft nog nooit een glas gedronken of aan een sigaret getrokken, wil ik opmerken, maar mevrouw Zhang duldt weinig tegenspraak.

Xiang is een gevoelige, introverte jongen die hier al zes jaar woont en droomt van een carrière in het leger. Een kwestie van iets te betekenen voor zijn land, zegt hij. "En ik weet", vervolgt hij met zachte stem, "dat mijn moeder erg trots op me zou zijn." Xiangs moeder, de vrouw die zijn vader vermoordde, of dat tenminste bekende. En die alleen van haar jongste zoon bezoek krijgt, zo'n twee, drie keer per jaar, een kwartier lang. De oudste probeerde het wel, maar aangezien hij geen papieren heeft, werd de jongeman niet in de gevangenis toegelaten. "Ik weet dat ze onschuldig is, ze heeft het mij gezegd en ik geloof haar. Ze zou nooit tegen me liegen. Eenmaal ze vrij is, zal ik voor haar zorgen. Dat duurt nog minstens tien jaar, maar ik zal op haar wachten."

De jongen tuurt voor zich uit, terwijl hij vertelt over het drama dat zijn familie verwoestte. "We hadden het vroeger erg goed, mijn vader was dorpshoofd, hij kon het prima vinden met mijn moeder en mijn broer en ik kwamen elk weekend naar huis van de school in een naburige stad. We waren een gelukkig gezin, neem dat van mij aan. Ik vraag me vaak af wat er gebeurd kan zijn, maar snap er niets van. En als ik het moeder vraag, zegt ze dat we het verleden moeten laten rusten." Guoqu jiu guoqu ba. Wat voorbij is, is voorbij.

"Ik herinner me dat het één dag voor de vakantie was, mijn moeder belde naar de school, we moesten meteen komen. Ik was negen, en begreep dat het ernstig was, anders zouden we niet met de schoolbus worden gebracht. Ik droom nog vaak van het moment dat ik het huis binnenging. De aanblik van de kamer, mijn vaders dode, verstijfde lichaam, mijn moeder in tranen. Toen arriveerde de politie, ze deden haar handboeien om en trokken haar hardhandig mee. Dat beeld kwelt me na al die jaren nog steeds, het overvalt me, verlamt me.

"Tien dagen later zijn mijn broer en ik haar gaan opzoeken in de districtsgevangenis, waar ze in voorarrest zat. Moeder zag er verschrikkelijk uit. Ze had overal kneuzingen en haar handen en armen zaten onder de brandwonden. Geen wonder dat ze zogenaamd bekend had. Later hoorden we dat mijn oom, vaders broer, geld had gegeven aan de politie. Hij wilde per se dat zij de moord toegaf. Om ons huis in te pikken, denken we, en ons land."

In het jaar na de moord op zijn vader woonde Xiang bij een familielid. "Het was een vreselijke tijd. Naar school gaan kon niet langer, we moesten van 's morgens vroeg tot 's avonds laat werken en kregen nauwelijks te eten. Mijn broer is er weggelopen, en ik later ook. Door bemiddeling van de politie ben ik uiteindelijk hier terechtgekomen. Ik was eerst erg bang, maar ik heb niet gehuild. Jongens moeten flink zijn, toch?"

Het kampvuur is een groot succes geworden: urenlang hebben de kinderen gedanst en gespeeld. "Dit was de mooiste avond van mijn leven", zegt Guo Lin, als ik haar en haar vriendinnen bij negenen naar hun bungalow breng. Ze knijpt zachtjes in mijn hand en vraagt hoe laat we de volgende dag komen.

Zondag, de laatste dag in Kinderdorp. Talloze jachtpartijen van de Grote Grijze Wolf, Schipper mag ik overvaren, tot iedereen er haast bij valt, en uren van kleuren en knippen van wenskaarten voor Chinees Nieuwjaar.

Als we na negenen aanstalten maken om te vertrekken, stopt Guo Lin me een kaart in de handen. "Aan niemand tonen", zegt ze uitdrukkelijk, "en pas lezen als je in het hotel bent aangekomen." Ik heb er voor haar ook een gemaakt, onhandig en niet artistiek hoogstaand, maar minstens oprecht en goedbedoeld. Ze is er zichtbaar erg blij mee, en stopt ze meteen onder haar hoofdkussen.

"Stuur je me enveloppes op, met je adres?", vraagt ze vervolgens met een klein stemmetje, bijna smekend. "Ik kan nog niet goed schrijven, maar ik zal hard op de karakters oefenen, beloofd. Dan kan ik je vaak schrijven." Het anders zo assertieve meisje van acht lijkt plots erg breekbaar. Ze draait zich om en wrijft stilletjes een traan weg. "Vergeet me niet, tante."

Terwijl de andere meisjes nog afscheid nemen, gaat Guo Lin naar bed. Ze draait haar gezicht naar de muur. Op de laatste groet van tante reageert ze niet meer.

In de hotelkamer haal ik haar kaart boven. 'Ik hou van tante', staat er, 'ik wil bij tante blijven, samen spelen. Ik vind tante geweldig. Beloof me dat je goed voor jezelf zal zorgen, en ik garandeer je dat ik hetzelfde doe, zodat we elkaar weerzien.'

www.morningtears.com

Een van de erg ervaren werknemers van Kinderdorp zei me ooit dat ze zich over één op de drie kinderen geen zorgen maakt, dat een ander derde het met voldoende hulp nog wel haalt, en dat het laatste derde een verloren zaak is

Kou Wei:

Ze heeft er geen spijt van, mijn lieve moeder,

het enige, zegt ze, dat aan haar knaagt, is te weten dat ze mij ongelukkig heeft gemaakt, dat ik nu het kind van een misdadiger ben'

Xiang Kepeng (16):

Ik weet dat moeder onschuldig is, ze heeft het mij gezegd en ik geloof haar. Ze zou nooit tegen me liegen. Eenmaal ze vrij is, zal ik voor haar zorgen. Dat duurt nog minstens tien jaar, maar ik zal op haar wachten

Zhang Xiangyu (17):

Weet je, het ergste van een jeugd in Kinderdorp is niet het ontbreken van ouders, maar de noodzaak om voortdurend afscheid te nemen van diegenen van wie je houdt

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234