Vrijdag 09/12/2022

De verloren zoon van een miljonair

et was in het voorjaar van 2010 in café Wildschut in Amsterdam-Zuid dat de 28-jarige Alfred Jan Jerry Winkler - die toen nog een andere achternaam had - voor het eerst van zijn leven een afbeelding van zijn vader zag. Het was niet eens een echte foto, maar een kopie van een krantenpagina uit de Volkskrant van vier jaar eerder.

Hij huilde.

Jerry had tien dagen daarvoor geëmotioneerd de krant gebeld. Er had in de herfst van 2006 een verhaal in de Volkskrant gestaan over de tumultueuze afwikkeling van de erfenis van een rijke zakenman uit Bussum, zei hij. Deze Alfred Winkler was kinderloos gestorven.

Jerry was dringend op zoek naar informatie over het stuk, zo maakte hij de Volkskrant-telefoniste duidelijk. Het was voor hem een zaak van levensbelang.

Eén ding voelde hij heel sterk: dit zou het draaipunt van zijn leven worden. Het moment dat hij afscheid nam van zijn oude bestaan. Van de straatpensions, de drugs en de drank, van zijn stiefvader, en van zijn oude achternaam. Vanaf nu heette hij Jerry Winkler. Hij was de enige zoon van de Alfred Winkler uit het artikel. Dat moest zo zijn.

Begin 2010 had Jerry zijn vader Johnnie, die hij al jaren niet meer zag, opgebeld. Diens tweede vrouw had opgenomen. “Ik moet iets vragen”, zei Jerry tegen haar. “Is Johnnie mijn vader wel? Ik lijk in niets op hem. Dat hoor ik al mijn hele leven. Ik zie eruit als een Spanjaard, en hij als een Hollander.”

“Johnnie is er niet, maar hij zal je straks alles uitleggen”, zei de vrouw. Later die dag belde Johnnie terug. “Ik moet je iets vertellen”, zei hij. “Je hebt gelijk. Ik ben je vader niet.” En hij gooide eruit wat hij al die jaren niet had willen zeggen.

Jerry was van een ander. Maar van wie, dat wist hij niet.

Jerry’s moeder had nooit iemand verteld dat haar echtgenoot Johnnie onvruchtbaar was op het moment dat zij zwanger was geworden. De zwangerschap was voor Johnnie een slag in zijn gezicht, maar hij had niet doorgevraagd; zijn huwelijk was toch al broos.

Ruim drie jaar later, in 1985, gebeurde het onvermijdelijke: Jerry’s ouders scheidden. Zijn vader verliet de eengezinswoning in het Noord-Hollandse Diemen-Zuid, waar de peuter Alfred Jan Jerry - roepnaam Jerry - samen met zijn acht jaar oudere broer Johnnie junior en zijn moeder bleef wonen.

Johnnie junior was vernoemd naar zijn vader, zo veel was duidelijk. Maar waarom was Jerry’s eerste naam Alfred, vroegen de jongens haar. Ze vertelde dat ze gecharmeerd was door Alfred J. Kwak, het personage uit de musical van Herman van Veen. Dat klonk ook toen al als een onwaarschijnlijk verhaal.

Jerry en Johnnie kenden acht mooie jaren, in Diemen. Ze gingen naar school, hadden het goed en speelden uren op straat. Er was een speeltuin en een trapveldje voor de deur. Lange Frans en Baas B., die later de bekendste rappers uit Diemen zouden worden, waren hun buurjongens en voetbalvrienden.

Maar in 1990 sloeg het noodlot toe. Er werd bij hun moeder een hersentumor geconstateerd. Ze moest onder het mes, overleefde de operatie, maar kon niet meer voor de jongens zorgen. Jerry verhuisde naar zijn vader en diens nieuwe vrouw, en Johnnie junior bleef alleen achter in de woning in Diemen-Zuid.

Acht jaar later overleed zijn moeder. Jerry en Johnnie junior, die inmiddels taxichauffeur was geworden, troffen haar op een ochtend dood aan in een zorgwoning in Diemen.

Dealen en zwerven

Het boterde niet tussen de kleine Jerry en zijn vader Johnnie. Jerry liep op zijn 14de weg van huis, om er nooit meer terug te keren. Het was het begin van een lange tocht langs internaten, opvanghuizen, gastgezinnen en daklozenpensions door heel Nederland. Twaalf jaar lang was hij overal en nergens. Als door een wonder bleef hij uit de handen van de politie. Hij gebruikte, dealde en zwierf.

In 2009 brak Jerry zijn knieschijf en kon hij een half jaar geen kant op. Hij woonde bij het Leger des Heils totdat zijn broer een antikraakwoning voor hem regelde. Hij deed een beroepstest bij een ROC (een regionaal opleidingscentrum), waaruit bleek dat hij goed kon rekenen, en ook bovengemiddeld creatief was. Voorzichtig begon hij na te denken over zijn toekomst.

En nu had hij dit weer. Wie was zijn vader dan wel? Waarom was er altijd tegen hem gelogen? Waarom werd het tapijt elke keer onder zijn voeten weggetrokken? Hij had een fles whisky gekocht, een paar gram coke, en leefde in de dagen na het telefoongesprek met zijn vader in de shit.

Daarna vond hij zichzelf terug. Zo zou het nooit lukken, besefte hij. Om antwoorden te vinden, moest hij zijn hoofd op orde krijgen.

Van het overlijden van zijn moeder wist Jerry weinig meer. In de warrige dagen na haar dood hadden Jerry en zijn broer het huis in Diemen kort en klein geslagen. Daarna hadden ze rigoureus opgeruimd. Papieren zeiden hen niets. Die hadden ze allemaal weggegooid, om te voorkomen dat de mensen die na hen kwamen ermee aan de haal zouden gaan. Het enige wat Jerry had meegenomen was een zilveren aansteker, waarop met blauwe letters Technipower stond. Dat was het bedrijf waar zijn moeder secretaresse was geweest toen hij werd geboren.

Misschien bestond het bedrijf nog, of zou een oud-medewerker hem kunnen helpen, fantaseerde hij.

En dus zat Jerry op een middag achter de computer, en tikte hij in het wilde weg zoektermen in bij Google. De combinatie ‘Technipower en Jerry’ leverde niets op, en de andere woordcombinaties die bij hem opkwamen evenmin.

Jerry besloot te gaan zoeken met zijn eerste naam, Alfred. Hij tikte ‘Technipower en Alfred’ in. En daar verscheen, boven aan de lijst van zoekresultaten, een artikel uit de Volkskrant over verwikkelingen rond de erfenis van Technipower-directeur Alfred Winkler.

Arme vogels

Daarom had Jerry de Volkskrant gebeld. Daarom zat hij nu in café Wildschut en keek naar een verfrommelde krantenpagina, met daarop een foto van een kolossale villa in Bussum, de voormalige woning van Winkler, en tevens het oude hoofdkantoor van Technipower. ‘Arme vogels’, stond als titel boven het paginagrote artikel.

Maar daar keek Jerry niet naar. Op de krantenpagina stond ook een zwart-witfoto van een man, die op een acteur uit een jaren 50-film leek. De man zat op een boot, met een vrouw en een kind. Het was Alfred Winkler.

Knappe man, zei Jerry. Daarna zei hij tien minuten niets. Hij dacht aan de jaren dat hij op straat had geleefd. Aan de smerige pensions waar hij had geslapen, als hij niet in het park of onder een brug overnachtte. In de pensions had hij overleefd door als eerste van al die zwervers zoals hij, uit zijn bed te komen. Zo werkte het.

Als hij voor 5 uur opstond, kon hij voor alle ranzige types douchen, en dan was hij ook op tijd om bij het ontbijt een paar plakjes broodbeleg mee te grissen. Deed ie dat niet, dan stond hij tussen hun viezigheid, zonder eten. Eenmaal buiten had Jerry twee doelen: drugs en drank. In een roes kon hij de rotzooi waarin hij leefde nog het beste aan.

Na tien minuten staren naar de krantenpagina barstte Jerry los. Hoe zat het dan? Leefden er nog mensen die hem meer konden vertellen over Alfred Winkler ? Wat was er gebeurd? Waren er nog meer foto’s van zijn vader? Had hij broers of zusters?

Vier maanden na zijn eerste ontmoeting met de verslaggever van de krant zat Jerry weer in café Wildschut. Hij was in tophumeur. Hij had een shirt met korte mouwen aan, zodat iedereen zijn indrukwekkende verzameling tatoeages kon zien. Kijk maar naar me, Wildschut, dacht hij. Kijk maar naar me, nette mensen. Ze moesten eens weten wat er speelde. Mocht hij ook een keer?

Maar voordat hij pret zou gaan maken met de blonde stoot die voor hem op weg was naar het café, moest Jerry iets afhandelen. Hij moest en zou laten zien dat zijn voorgevoel juist was geweest. In zijn tas had hij een document van het Academisch Ziekenhuis in Leiden, dat hij kort daarvoor had opgehaald bij het advocatenkantoor Vink & Partners, recht tegenover het Rijksmuseum.

Het was een verwantschapsrapport van het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek, van 2 augustus 2010, met de volgende conclusie:

“Op grond van de 17 zogenaamde autosomale DNA-kenmerken is het meer dan 1 miljoen keer waarschijnlijker dat AK82 het biologisch kind is van AW36, dan van een willekeurige andere man. Anders gezegd, het is voor meer dan 99,9999 procent zeker dat dhr. A.F. Winkler, geb. datum: 27-7-1936, de biologische vader is van Alfred Jan Jerry, geb. datum: 4-7-1982.”

DNA

Jerry had in zijn zoektocht naar zijn vader iedereen benaderd die hem iets zou kunnen vertellen over zijn vader. Ook de beste vriendin van zijn moeder, maar zelfs zij kon hem geen duidelijkheid verschaffen. Nee, zijn moeder had haar nooit verteld van een affaire met haar baas. En ze wist ook niet dat Jerry’s vader Johnnie onvruchtbaar was.

Ook had Jerry gesproken met de personen die vier jaar daarvoor de publiciteit hadden gezocht over de nalatenschap van zijn vader. Hij had de stiefdochter van Winkler gezien (zie kader onder op deze pagina), en de mensen die haar hadden proberen te helpen om haar geschiedenis met Alfred Winkler boven tafel te krijgen.

Hij wist nu veel meer, maar hij was er nog niet. Daarom had hij op een goede dag aangebeld bij het advocatenkantoor Vink & Partners, dat huisde in een grote kantoorvilla aan het Museumplein in Amsterdam. Daar werkten de fiscale en juridische adviseurs van de stichtingen waaraan zijn vader miljoenen had nagelaten, wist hij. Hij had eerst een uur om de hoek gezeten, om moed te verzamelen, en toen hij zich sterk genoeg voelde, had hij aangebeld.

In de ontvangstruimte van het monumentale pand had hij tegen de secretaresse gezegd dat hij Klaus Vink wilde spreken, de naamgever van het kantoor. Vink had hem kort te woord gestaan, en zijn telefoonnummer gevraagd.

Een week later werd hij gebeld, en was hij teruggegaan naar het kantoor. Daar had hij in een gesprek met Klaus Vink zijn geschiedenis uit de doeken gedaan. En vertelde hij wie hij dacht te zijn. Jerry had ook een jeugdfoto van Alfred Winkler laten zien.

Vink had nog nooit zo’n verhaal gehoord. Maar ongeloofwaardig vond hij het niet. En wat leek Jerry op de jonge Alfred op de foto. Dus besloot hij, in overleg met zijn kantoorgenoten die de erfenisstichting vertegenwoordigden, een DNA-test aan te vragen.

Sindsdien leeft Jerry in de omgekeerde wereld. Hij mag van Klaus Vink op een appartement passen en mee naar de skybox in de Arena, waar de advocaat voorzitter is van de Ajax Business Club. En hij is in gesprek over hoe het verder moet met de erfenis. Hij verwacht dat hij uiteindelijk geld krijgt, zegt hij, maar niet nu al en niet in één keer.

En trouwens: het gaat niet om de miljoenen. Hij wilde zijn afkomst weten, en zijn biologische vader. Dat is hem gelukt. Hij is de Oliver Twist van 2010. Hij is de hoofdrolspeler in een modern sprookje.

Hij wil nog één ding kwijt. Hij weet maar al te goed dat hij in al die jaren op straat mensen pijn heeft gedaan. Ja, hij heeft verkeerde beslissingen genomen. Hij heeft gelogen, hij heeft bedrogen en hij heeft gesjoemeld om aan geld te raken. Hij wist niet wie hij was toen hij zo deed. Hij was niet echt, hij dronk en hij gebruikte.

Maar dat is allemaal voorbij. Niet alles is goed te praten, maar met hem is het goed gekomen. Hij wil het eerlijk zeggen zodat iedereen het weet. Hij heeft respect voor iedereen die hem heeft geholpen, en begrip voor mensen die boos op hem zijn.

Hij zal goeie dingen doen met het geld van zijn vader. Iets voor daklozen, iets voor zijn familie. En hij gaat studeren, en iets voor zichzelf beginnen. Zo moet zijn vader het gewild hebben.

Laat mij het bonnetje maar betalen, zei Jerry. Ik ben de zoon van een miljonair.

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234