Woensdag 24/07/2019

De verlichtingswaarden zijn weer een gevechtssport geworden

Mark Elchardus is emeritus professor sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel en opiniemaker bij De Morgen. Zijn bijdrage verschijnt op zaterdag.

Toen ik student was in de Verenigde Staten vierden we in juli de maand van de nationale feestdagen: 4 juli (Amerika), 14 juli (Frankrijk) en 21 juli (België). Niet uit patriottisme. Het waren de vroege jaren 70, post-Westfaalse tijden dus. We geloofden toen nog dat het belang van nationale staten taande, nationalisme tot het verleden behoorde en wij wereldburgers werden. Nationale feestdagen waren folklore. Een gelegenheid om te genieten van een nationaal gerecht en een stevige hoeveelheid nationale drank. Maar van de drie feestdagen was er voor mij toch één die meer betekende: le quatorze juillet.

Die herdenkt de bestorming van de Bastille in 1789, maar eigenlijk gaat het bij die feestdag om "vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid". Die trits van waarden stamt uit de revolutionaire periode, maar werd pas in alle officiële gebouwen gebeiteld ten tijde van de Derde Republiek (1870-1940). Toen werd het de lijfspreuk van Frankrijk, een richtsnoer voor het onderwijs, de basis van een nieuwe moraal, de grondslag van de seculiere samenleving, het kompas waarop een door de industriële omwenteling ontredderde natie probeerde koers te houden. Het werd toen ook de vorm waarin, gebald en kernachtig, de verlichtingswaarden tot ons kwamen.

Wat betekenen deze nog vandaag? Nu zelfs een beroep wordt gedaan op vrijheid om soumission, onderwerping, het dragen van de boerka, alsook racisme en het verspreiden van haatboodschappen te verantwoorden. Ooit leken de betekenis van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid glashelder en glashard. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wilde het Vichy-regime ze daarom weg. Zij werden vervangen door travail, famille, patrie (werk, gezin en vaderland). Vandaag heeft onze diepste verdeeldheid niet langer te maken met het al dan niet aanvaarden van die waarden, maar met de betekenis die we eraan geven.

Broederlijkheid

Broederlijkheid wordt dikwijls geduid als solidariteit. Het dient letterlijk opgevat: komaf maken met het regime van de vader of de heerser en gaan samenleven als gelijken, als broeders en zusters. 'Democratie' zou dus een betere omzetting zijn, maar ook verre van toereikend. Eigenlijk zegt broederlijkheid precies wat het moet zeggen: men geeft om broers en zusters, ook al maakt men er soms ruzie mee. Het is een band die we niet kiezen. Die ons gegeven is; een verwantschap die verankerd is in het verleden en die zich via onze kinderen in de toekomst zal bestendigen.

Een van onze grote hedendaagse vragen is nu precies tot wie die gevoelens van broederlijkheid zich kunnen en horen uit te strekken. Sommigen willen alle mensen als broeders en zusters beschouwen. "Alle Menschen werden Brüder", zoals in het Europese volkslied. Maar in de crisis van 2007-2008 leek dat zelfs voor de zo dichtbije Grieken niet haalbaar. Er is altijd iets beperkends, uitsluitends aan de intense bindingen die we voelen met familie, ras, natie of religie. We kunnen daaruit breken, maar enkel, zo blijkt, ten koste van de diepte van de verbondenheid. Benjamin Nelson formuleerde dat ooit bloedmooi: "All men have been becoming brothers by becoming equally others." We zij allemaal broeders geworden door vreemden te worden voor elkaar.

Vandaag geven vele mensen weer te kennen dat zij geen vreemden willen zijn. Zij zoeken sterke broederlijkheid op. De meest solide verzorgingsstaten vinden we in homogene landen. Broederlijkheid houdt een onvermijdelijke spanning in. Als we de zoektocht naar broederlijkheid niet verbinden met gevoelens van enige morele plicht tegenover alle mensen, alle vreemden, verraden we de verlichtingsidealen, maar als we broederschap laten verwateren, mensen ver weg boven mensen nabij stellen, verraden we onze broeders en zusters. Die spanning uit zich vandaag steeds meer in een politiek conflict.

Gelijkheid

Gelijkheid wordt al lang heel verschillend ingevuld. Gelijkheid van kansen versus gelijkheid van uitkomst, daar komt het verschil in grote mate op neer. In een samenleving die de persoonlijke verantwoordelijkheid centraal stelt, zijn mensen geneigd de gelijkheid van kansen te benadrukken. Het blijkt echter moeilijk zelfs die magere definitie van gelijkheid te verwezenlijken. We slagen er niet in kinderen uit kansarme gezinnen gelijke kansen te geven in het onderwijs; we slagen er evenmin in discriminatie op de arbeidsmarkt weg te werken. Ook daarom lijkt het onvermijdelijk dat de notie van persoonlijke verantwoordelijkheid ter discussie wordt gesteld. Het radicaler links dat zich vandaag in Europa manifesteert, is een streven naar meer gelijkheid van uitkomst; naar een gelijkheidsstreven dat in grotere mate is losgekoppeld van merite en persoonlijke verantwoordelijkheid. Dat streven zal de links-rechtstegenstelling weer scherper stellen.

Vrijheid

Vrijheid wordt nu heel vaak opgevat zoals John Stuart Mill dat deed in On Liberty. Technisch noemt men dat negatieve vrijheid: de afwezigheid van verbieden. Dat verschilt van positieve vrijheid of het geven van handelingsbekwaamheid, empowerment wordt soms gezegd. Negatieve vrijheid is bijvoorbeeld de afwezigheid van beperkingen op de vrije meningsuiting. In die zin is er bij ons veel vrijheid. Positieve vrijheid is iedereen even veel kans geven zijn mening te uiten en te laten horen. In die zin is er voor velen bitter weinig vrijheid. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Dat is de voedingsbodem van populisme.

John Stuart Mill was een rabiaat voorstander van negatieve vrijheid. Voor hem stond op die vrijheid geen limiet, zolang men geen schade toebrengt aan anderen. Dat principe wordt door zijn volgelingen tot in den treure herhaalt, alsof daarmee de kous af is. Maar wat is schade aan anderen? Er zijn geen sluitende criteria om dat in absolute termen te beoordelen. Om echt zinvol te zijn, had John Stuart Mill wat zakelijker moeten vaststellen: alles kan, behalve wat volgens de traditie, de gangbare normen of de meerderheid niet kan. Wat vrijheid inhoudt, is met andere woorden sterk cultureel bepaald. In onze traditie past het zo weinig mogelijk beperkingen aan de vrije meningsuiting op te leggen, onder meer omdat wij geloven dat dit tot betere inzichten en meer waarheid leidt. We vinden dat het krenken van een mens strenger dient veroordeeld dan het lachen met een religieus idool, omdat wij concrete individuen sacraliseren, heiliger achten dan goden. Daarom zijn we ook tegen de doodstraf en onder bepaalde omstandigheden die de wilsbeschikking van het individu en het leven respecteren, voor de mogelijkheid van abortus en euthanasie. We zij daar niet voor omdat het om uitingen van vrijheid zou gaan. Wat een onzinnige positie zou dat zijn. Mensen die het individu niet sacraliseren, vinden het nu net een uiting van hun vrijheid als zij godslastering, geloofsafval, euthanasie en abortus verbieden en zelfs met de dood te bestraffen.

Wat in naam van de vrijheid kan worden gedaan, verschilt diametraal van de ene tot de andere cultuur. We hebben grenzen nodig om die spanningsvolle verschillen enigszins te pacificeren. We moeten hardnekkig streven naar secularisme om co-existentie binnen onze eigen grenzen mogelijk te maken. Grotere diversiteit doet ons trouwens weer beseffen dat sommige opvattingen uiteindelijk toch incompatibel zijn.

De verlichtingswaarden, waar inmiddels zoveel mensen zich op beroepen, zijn weer een gevechtssport geworden. Aux armes, citoyens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden