Maandag 12/04/2021

interview

“De verkrachting van een vrouw, en zeker een groepsverkrachting, is eerder homoseksueel dan heteroseksueel van aard”

Edoardo Albinati: ‘Verkrachting heeft weinig met lust te maken, en alles met onderwerping.’ Beeld Corbis via Getty Images
Edoardo Albinati: ‘Verkrachting heeft weinig met lust te maken, en alles met onderwerping.’Beeld Corbis via Getty Images

Decennialang dacht Edoardo Albinati (62) na over hoe drie jongens die op zijn chique Romeinse school hadden gezeten, zo’n monsterlijke misdaad konden begaan: twee meisjes verkrachten, folteren en vermoorden. In essentie gaat zijn monumentale boek over de duistere kanten van de mannelijke seksualiteit. “Ik heb het monster recht in de ogen willen kijken.”

Het massacre van Circeo

De harde kern van Albinati’s boek is een veelbesproken misdrijf dat in 1975 Italië met afgrijzen vervulde, ‘il massacro del Circeo’. Drie neofascistische jongemannen van rond de twintig uit een gegoede wijk van Rome ontvoeren, verkrachten en martelen op onbeschrijflijk gruwelijke wijze twee volkse meisjes in een vakantiehuis op de kaap Circeo. Wat deze monsters niet weten, is dat een van hun slachtoffers, de 17-jarige studente Donatella Colasanti, tijdens hun laatste gewelds­uitbarsting de bovenmenselijke kracht heeft gevonden om te doen alsof ze al dood was. Het wordt haar ‘redding’. Donatella wordt naast het lijk van haar 19-jarige vriendin Rosaria Lopez in de kofferbak van een Fiat 127 gegooid en van Circeo terug­gereden naar Rome. Terwijl haar beulen zich thuis even opfrissen en een ijsje gaan halen, weet Donatella tegen middernacht de aandacht te trekken van een passerende wijk­agent die vervolgens de hulp van collega’s inroept. Een foto­journalist hoort het bericht op de politie­radio en vereeuwigt het moment waarop het gruwelijk toegetakelde meisje uit de kofferbak wordt gehaald.

In een gerucht­makend proces – heel Italië bemoeit zich er mee – worden de drie daders tot levens­lange gevangenisstraffen veroordeeld, één van hen bij verstek omdat hij het land is ontvlucht en spoorloos is.

De jonge Edoardo Albinati had op dezelfde school gezeten als de daders en woonde in dezelfde Romeinse wijk. Nadat een van de daders, vrij op borgtocht, in 2005 twee nieuwe wrede moorden pleegde, ditmaal op een moeder en haar 14-jarige dochter, voelde Albinati de noodzaak om de zaak te doorgronden. (Ronald de Rooij)

Kerk of kerker. Eigenlijk zijn dat de enig mogelijke locaties voor een interview met Edoardo Albinati, de schrijver die met zijn meer dan duizend pagina’s tellende roman De katholieke school de Premio Strega won. Kerk, omdat hij naar dezelfde chique katholieke jongens­school ging als enkele van de daders van het delict dat de basis vormt van zijn grote werk: een heftige verkrachtings- en moordzaak in het Rome van 1975. Kerker, omdat hij twintig jaar lang als onderwijzer werkte in de beruchte Rebibbia-­gevangenis in Rome.

De katholieke school is vol­strekt uniek: het meandert, het is genadeloos, het is heel precies en toch lyrisch, bedachtzaam en vurig, deprimerend en grappig. Het is kortom een van de beste boeken die ik de afgelopen jaren las. Daarom ben ik vandaag hier, in Den Haag, een stad zonder kerkers, waar Albinati moet optreden op een literair festival. We zitten in een restaurant in de Grote Kerk, waar vandaag een woonbeurs plaatsvindt; niemand heeft oog voor Jezus of Maria, gedempt gevloek over de huizenprijzen van tegenwoordig weerkaatst tegen de dikke muren.

Albinati, die op school altijd een buitenstaander was, is zelf niet gelovig. Hij heeft zich nooit aan het geloof kunnen overgeven, raakte verdwaald in de vele paradoxen ervan. De belangrijkste paradox volgens hem? Die van de vergeving. Als je toch vergeven kunt worden, waarom zou je dan géén misdaad plegen?

De reden dat de kleine Edoardo op een katholieke school terechtkwam, was prozaïsch: het was simpelweg de beste school in de buurt, priesters gingen tenminste nooit in staking. Zijn vader (ingenieur) en moeder (huisvrouw), Romeinse middenklassers, duldden het geloof dat hun zoon onderwezen kreeg. Eén keer ging zijn moeder verhaal halen bij de school­leiding, toen een leraar zijn klas gebood om boven elk blaadje dat ze beschreven VMG te schrijven: Vive Maria Gesù. Kort daarna mocht de leraar uitzien naar ander werk. Ze konden zich goed verwoorden, de Albinati’s.

Dat u op die katholieke school terechtkwam, was de beslissing van uw ouders. Maar uw werk in de gevangenis is uit vrije wil. Waarom hebt u daartoe besloten?

Edoardo Albinati: “Om meerdere redenen. Ik voelde een existentiële noodzaak om afgesneden te worden van de samenleving, om me te segregeren, te isoleren. Ik wilde weg kunnen uit het literaire circuit en de wereldvreemdheid die er leeft. Maar achteraf denk ik ook dat de lange gevangenistraditie van de Italiaanse literatuur een rol heeft gespeeld. Dante, Machiavelli, Gramsci, heel veel van onze schrijvers hebben hun beste werk bedacht of uitgevoerd in de gevangenis, in isolement of in ballingschap.”

U hebt ook een boek geschreven over uw ervaringen als gevangenisleraar, Maggio selvaggio (Woeste mei). Op pagina één schrijft u: ‘Questo è un libro sull’ irrealtà’. ‘Dit is een boek over de onwerkelijkheid’. Wat bedoelt u daarmee?

“Gevangenen leven in een bizarre, onwerkelijke werkelijkheid. Ze leven in een theater, een spiegelhuis, waar ze een permanente show moeten opvoeren, anders krijgen ze straf, dat wil zeggen nog meer straf, in hun geval is het een dubbele of soms driedubbele straf. Hun echte leven is stopgezet, vermoedelijk bestaat het niet meer als ze ooit op vrije voeten komen. Ze leven op een zeer laag bestaans­niveau. En toch gaan ze door, toch vinden ze betekenis. Dat interesseert me. Het vereist een zeker niveau van boeddhistisch denken, een verhoogde staat van bewustzijn, anders hou je dat niet vol. Ik heb hele domme, hele wijze mensen leren kennen in de gevangenis.”

Hoe hield u zich staande?

“Door hen nooit te vragen wat ze hadden gedaan.”

Zou je niet juist kunnen zeggen dat de gevangenis het ultieme gevolg is van de realtà, de werkelijkheid: dat misdaad in de mens zit?

Op dat moment laat hij me op zijn telefoon het omslag van de Engelse vertaling van zijn boek zien: wespen die landen op een tros rottende druiven. Hij vraagt me wat ik ervan vind.

Ik zeg hem dat het beeld lijkt te suggereren dat misdaad, in dit geval verkrachting, weliswaar verdorven is, maar ook aanlokkelijk. Het delict is verrot, maar ook zoet.

Hij knikt: “Dat dacht ik ook. Het is in elk geval het tegenovergestelde van de rotte-appel­theorie. Die zegt ons dat er in elke oogst wel een paar rotte appels zijn, een paar afwijkingen, lelijke uitzonderingen die niks zeggen over het overgrote deel van de gezonde, blakende oogst. Het lijkt een subtiel verschil, maar dat is het niet. Het gaat om de vraag: zit de misdaad in ons allemaal, of alleen in een klein groepje mislukkelingen?”

Zeg het maar. Is elke man een potentiële verkrachter?

“Ik vind het heel moeilijk om hierover een statement te maken. Ik moet voorzichtig zijn, mijn woorden wegen als het over de masculiene aard gaat. Het boek is natuurlijk niet voor niets zo dik. Ik heb honderdduizenden pagina’s gelezen, decennia lang nagedacht over deze misdaad, en als ik er dan in zo’n interview iets over moet zeggen, als ik mijn gedachten moet omzetten in soundbites, gaat alle nuance verloren. Ik heb niet één allesomvattende theorie.”

Nee, maar u geeft wel een paar uitgangspunten die de aanzet vormen tot een theorie. Één uitgangspunt is bijvoorbeeld dat het bij verkrachtingen, en zeker bij groepsverkrachtingen, eigenlijk helemaal niet om de vrouw gaat. Het gaat om de man, die zijn mannelijkheid wil bewijzen.

“De Heilige Augustinus schreef ooit dat de penis weliswaar het symbool is van de mannelijke kracht, zijn energie en potentie, maar tegelijk ook de bron van zijn impotentie, van zijn ultieme falen. De penis kan het laten afweten, hij kan je in de steek laten. Het is dus tegelijk een symbool van de mannelijke fragiliteit, van zijn ongelooflijke onmacht.

“Ik vond dat een prachtig, wreed inzicht. Mannen hebben altijd weer het idee dat ze hun mannelijkheid moeten bewijzen, en de meest primaire manier om dat te doen, is seks. En vergis je niet, seks is een obsessie, altijd al geweest. Seks betekent niks voor je, of het betekent alles voor je. Voor de meesten van ons betekent het alles. De rokkenjager, de casanova, de don­juan, ze worden gedreven door dezelfde obsessie als de gemiddelde man: ze willen keer op keer bewijzen dat ze geen mislukkelingen zijn.

“Het gaat niet om seks, het gaat om macht, en de bevestiging van jezelf als man. Elke vrouw, elke verovering, vormt een nieuwe bevestiging. Maar zodra de ene vrouw het bed heeft verlaten, moet er een nieuwe bevestiging gevonden worden.”

Tot zover seks, de alledaagse uitingsvorm van die obsessie. Maar verkrachting is toch iets heel anders. Dat is een misdrijf. Om in christelijke termen te blijven: een zonde.

“Verkrachting is vooral een heel makkelijke manier om te bewijzen dat jij de baas bent, zowel over de vrouw als over je penis. Verkrachting heeft weinig met lust te maken, en alles met onderwerping.

“Verkrachting, denk ik soms, draait niet zozeer om de verkrachter of de verkrachte, als wel om de ander, de derde persoon, de andere mannen die je wilt overtuigen van je kracht. In die zin is een verkrachting, en zeker een groepsverkrachting, dus eerder homo­seksueel dan hetero­seksueel van aard, hoe vreemd dat ook klinkt.”

Wacht even, verkrachting is makkelijk?

“In de zin van ‘toegankelijk’. Als man heb je meer dan de helft van de wereldbevolking tot je beschikking als potentieel slachtoffer, en in 99 procent van de gevallen ben je fysiek sterker dan haar. Verkrachting biedt veel voordelen voor zwakke, laffe mensen. Zeker als je het ook nog doet in groepsverband; dan vier je tegelijk het bondgenootschap, de onderlinge band. In veel landen is groepsverkrachting een soort weekend­uitje.”

Dus vanuit de verkrachter gezien is de vrouw eigenlijk niet eens een slachtoffer. Ze is eerder bijkomende schade.

“De vrouw is het theater. Het slagveld.”

In een oorlog tussen mannen dus, niet een oorlog tussen vrouwen en mannen.

“Juist. Kijk naar Bosnië, waar twee oorlogvoerende groepen elkaars vrouwen verkrachtten, om te laten zien wie de baas was.

“Daarnaast heeft verkrachting ook een twee­ledig pedagogisch element. Aan het adres van de mannen: houd je vrouwen onder controle. Aan het adres van de vrouwen: ken je plek.”

In enkele recensies van het boek werd u verweten dat u op al die pagina’s eigenlijk nauwelijks oog hebt voor de vrouwelijke ervaring, de vrouwen krijgen geen stem.

“Dat ze geen stem krijgen betekent niet dat ik niet met hen begaan ben, integendeel. Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe erg het is om verkracht te worden, het is een trauma waar veel vrouwen nooit overheen komen, nooit helemaal. In mijn boek krijgen ze geen stem, omdat ze vanuit de dader gezien onbelangrijk zijn, inwisselbaar. Dat is toch des te wreder, des te gruwelijker? Dát is de kern van dit probleem.”

Reageren mannen anders op dit boek dan vrouwen?

“Wel, de kritiek die je net noemde, die heb ik alleen van mannen gehoord. Feministen hebben zich meteen achter het boek geschaard. Eindelijk een man die er echt over schrijft, zeiden ze, die helemaal eerlijk en direct durft te zijn. Mijn eerste lezers waren vrouwen, mijn agente, mijn verloofde, mijn dochter.”

Wat denkt u dat het betekent dat vooral mannen deze kritiek hebben geuit?

“Het is enigszins hypocriet. Het is een omslachtige manier om te zeggen: zo zijn wij mannen echt niet. Die verkrachters waren uitzonderingen, ze waren...”

Rotte appels?

“Juist. Maar dat is niet waar. Natuurlijk, statistisch gezien zijn veel meer mannen geen verkrachter dan wel verkrachter, het is een minderheid die overgaat tot die daad. Maar de kern van die daad, de eerste kiem, dat is de fragiliteit die elke man kent, en die elke man wil uitwissen. Ik heb het monster recht in de ogen willen kijken. Het monster dat we dagelijks in de spiegel zien.”

Het enige verschil tussen de man en het monster ligt besloten in de daad, niet in het verlangen om de vrouw, af en toe, op welke manier dan ook, te onderwerpen?

“Ja. Maar dat verschil is levensgroot. Dat is het verschil tussen de gevangenis en de vrije lucht.”

Terugkomend op de groepsverkrachting die het centrum vormt van uw boek: welke rol speelt religie in het verhaal? Het was niet zomaar een school die jullie bezochten, het was een katholieke school.

“Volgens mij is het feit dat het om een exclusief mannelijke school gaat belangrijker dan dat er religie werd onderwezen. Mannen onder elkaar, jongens die zichzelf op elke mogelijke manier willen bewijzen, die eigenlijk geen enkel contact hebben met vrouwen... dat kan niet goed gaan. Die groeien op met een heel vreemd beeld van de vrouw, ze leren niet waar haar grenzen liggen, en hoe ze haar moeten zien, als Maria, als moeder, als Magdalena? Moeten ze haar idealiseren of van haar walgen? Haar liefhebben of haar haten? Voor ons als leerlingen bleef de vrouw wezensvreemd, een mysterie.”

Hoe verhielden jullie je tot het mysterie?

“Door het te bewonderen en stiekem te willen knechten. Veel daarvan werd speels geuit, in de vorm van schunnige taalgrapjes, rijmpjes en moppen. Kijk, jongens differentiëren zich maar op een paar manieren: intellectueel, fysiek en seksueel. De meest beproefde manieren om je krachten te meten zijn sport en spel. Intellectueel en fysiek gezien werd het snel duidelijk wie veel en wie weinig aanzien genoot. Mensen denken vaak dat spel, het wedstrijd­element, erom draait dat er iemand triomfeert. Volgens mij gaat het erom dat er iemand wordt vernederd. Elk spel is wreed.”

En op seksueel vlak?

“Dat lag moeilijker. Hoe moesten we spelen met een wezen dat we niet kenden?”

Maar verkrachting is toch geen spel?

“Nee, maar wel een krachtmeting. Denk aan die beroemde scène in Kubricks A Clockwork Orange, die groepsverkrachting, die is geënsceneerd als een grappig ballet, met gelach en luide muziek. Kreeg hij felle kritiek op. Maar voor mij raakt dat aan iets heel belangrijks: een uitsluitend mannelijke populatie, hoe groot ook, zal alle manieren aangrijpen om de onderlinge hiërarchie te bepalen. Voor hen is het een spel. Voor hen is alles een spel. Voor de buitenwereld is niks een spel.”

Hoe heeft de school gereageerd op het boek?

“Op zeer katholieke wijze. De enige reactie van de rector was: het leerlingen­aantal is niet afgenomen door het schandaal, en ook niet door het boek. Niks aan de hand dus. Het katholieke uitgangspunt ‘hij die zonder zonde is werpe de eerste steen’ leert ons dat elk van ons schuldig is. Maar het betekent natuurlijk tegelijk dat iedereen ónschuldig is. Het geloof is een grote, kalme, onverstoorbare rivier, en we wassen allemaal onze handen in onschuld.”

Tot slot: denkt u dat zo’n schandaal nog eens kan voorkomen?

“Moeilijk te zeggen. Enerzijds is het heel tijdgebonden; de milieus waar de daders in opgroeiden, bestaan niet meer, die uitsluitend mannelijke gemeenschappen zijn veel zeldzamer geworden, iedereen heeft een mobieltje, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld waar je bent. Dus nee, dít schandaal zal nooit meer voorkomen. Anderzijds komt het voort uit iets wat diep verankerd is in de man, is het dus van alle tijden, en worden elke dag nieuwe verkrachters geboren.”

Edoardo Albinati, ‘De katholieke school’, Atlas Contact, 1.312 p., 39,99 euro. Vertaald door Manon Smits en Pieter van der Drift. Beeld rv
Edoardo Albinati, ‘De katholieke school’, Atlas Contact, 1.312 p., 39,99 euro. Vertaald door Manon Smits en Pieter van der Drift.Beeld rv
Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234