Vrijdag 25/06/2021

De vergeten oorlog tegen 'het rode gevaar'

'Sommigen denken dat we er dik voor betaald werden. Onzin. Voor een appel en ei gooiden we ons leven te grabbel. Achteraf kregen we een stel medailles.' De zeventiger wijst uitdrukkingsloos naar het hoopje eremetaal. 'Het enige wat we eraan overhielden was de jaloezie van onze collega-militairen.' Gisteren vertrok Cor Feyt (72) met een groep makkers van toen én met minister van Defensie André Flahaut naar Korea voor de officiële herdenking van de oorlog, die vijftig jaar geleden begon. 'Benieuwd wat ze daar te zeggen hebben. Er is nooit een vredesakkoord getekend, hè.'

Cathy Galle

Gewapend met een kopje thee en een doos koekjes steekt hij van wal. Zijn vrouw brengt nog vlug even de pantoffels. Hij praat er niet vaak over, vertrouwt hij ons toe. Wil er de mensen in zijn buurt niet mee lastigvallen. "Het interesseert toch geen kat." Maar wij drongen aan, wat leidde tot een uren durend gesprek.

Op de salontafel liggen foto's van toen. Jonge mannen in gevechtsuitrusting die vrolijk lachend aan een meer staan. Ernaast een groepsfoto van veteranen, genomen op de jaarlijkse Korea-dag, eerder dit jaar. "We zijn aan het uitsterven", zegt Feyt met een zucht. "Ik hou statistieken bij. De helft van de mannen van toen is al niet meer. Over tien jaar zal deze foto wellicht helemaal leeg zijn."

Cor Feyt was een van de ruim drieduizend Belgische jongeren die vijftig jaar geleden vrijwillig besloten hun leven te gaan wagen in een voor hen totaal onbekend land. De meesten hadden nog nooit van Korea gehoord, tot de Verenigde Staten de oorlog tussen het noordelijke en het zuidelijke deel tot "potentieel begin van een Derde Wereldoorlog" uitriepen. De communistische noordelijken waren het zuidelijke deel van het land binnengevallen, dat sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog tot de invloedssfeer van de Amerikanen behoorde. Via de pas opgerichte Navo riepen de Amerikanen de andere lidstaten op om ten strijde te trekken tegen het 'rode gevaar'.

België stemde toe om 'hulp' te sturen, zij het na lang aarzelen. De koningskwestie verhitte op dat moment de gemoederen. Korea lag ver van huis en was niet meteen de eerste zorg van de Belgen. Voor- en tegenstanders van de monarchie hadden het te druk met ruziën. Bovendien hadden de politici zo hun twijfels over de "nobele" motieven van de Amerikanen. Maar België had nog iets goed te maken bij de geallieerden. Uiteindelijk gaf de aankomst van een aanzienlijke lading oorlogsmateriaal vanuit Amerika, bedoeld om de zieltogende Belgische krijgsmacht nieuw leven in te blazen, de doorslag. Op 18 december 1950 vertrok een bataljon Belgen naar Korea om er aan de zijde van de Engelsen en Amerikanen tegen de communisten te vechten. Ze zouden er drie jaar blijven, de hele duur van de oorlog.

Cor Feyt was zelf net 21 geworden. Een jonge snaak met idealen en een groot rechtvaardigheidsgevoel, zo omschrijft hij zichzelf. Toen het leger vrijwilligers zocht om naar Korea te trekken, tekende hij meteen in. "Mannen die wilden vechten, waren er genoeg. Je moet de situatie van toen begrijpen. Net een wereldoorlog meegemaakt en gelijk dreigde het alweer fout te lopen. Noord-Koreanen vallen het zuidelijke deel van het schiereiland binnen met de duidelijke bedoeling de bevolking te onderwerpen. We hadden een déjà-vu-gevoel. En dan denk je natuurlijk: niet nog eens. Als rechtschapen mens kún je dan niet anders dan ten strijde trekken. Een Derde Wereldoorlog konden we niet meer aan."

Nu, vijftig jaar later is hij er nog steeds van overtuigd dat hij destijds de juiste beslissing genomen heeft. Ook al werd die hem door zijn omgeving, zeker door zijn collega-militairen, niet echt in dank afgenomen. De Korea-strijders werden na hun thuiskomst beschouwd als mannen met een steekje los. Losbandige avonturiers die, opgejut door de Amerikanen, blijkbaar niets beters te doen hadden dan te vechten tegen communisten. Maar Feyt voelde zich niet misleid. "Onzin", klink het driftig. "De overtuiging van de agressor deed er niet toe. Het was ons te doen om de wereldvrede. Díe stond op het spel. De thuisblijvers hebben dat nooit echt begrepen. Uiteraard waren wij geen lieverdjes. Maar met een bende schooljongens kun je niet naar de oorlog. Mensen met lef, die hadden we nodig. Het altegaartje dat in Leopoldsburg binnenkwam als vrijwilliger, groeide na drie maanden intensieve voorbereiding uit tot een hecht korps dat voor elkaar door het vuur ging."

Op 18 december 1950 vertrok het bataljon met de Kamina, een omgebouwde bananenboot die door het Belgische leger gebruikt werd om troepen te transporteren, uit de haven van Antwerpen. De boot was allesbehalve goed uitgerust om de zevenhonderd man van de eerste lichting een min of meer zorgeloze tocht te bieden. Cor is er ook van overtuigd dat de boot gesaboteerd werd, wellicht door communistisch gezinden in de haven van Antwerpen. "We waren nog niet goed en wel vertrokken of de eerste problemen doken al op. De stuurapparatuur was stuk, de verluchting werkte niet, net als de anti-magnetische band die ons tegen mijnen moest beschermen. Geen lachertje dus, die tocht. We probeerden ons bezig te houden met pokeren, het zingen van krijgsliederen en met kleine turnoefeningetjes, om in vorm te blijven. Meer konden we niet doen, we zaten als sardienen in een blik. Zes weken later kwamen we aan in Pusan, in het zuiden van Korea. Daar was het aan het sneeuwen. De plaatselijke troepen gaven ons wat warme kledij en we werden naar het front gestuurd."

Zijn gedachten dwalen af. Het voorhoofd wordt gefronst, de ogen worden vochtig. "Korea was geen spel, waar we even de held konden uithangen", klinkt het na een lange aarzeling. "Dat hebben we heel vlug ondervonden. De eerste doden en gewonden lieten niet lang op zich wachten. Ik heb kameraden een vreselijke dood zien sterven door granaatontploffingen. Ik heb hele bateljons, zowel de 'onzen' als de 'hunnen' op een beestachtige manier afgeslacht zien worden. De Amerikanen gebruikten napalm om de aanvallen af te slaan. Al eens gezien wat napalm doet bij een mens? De verminkingen waren vreselijk. Korea was erger dan Vietnam. Korea duurde drie jaar, Vietnam tien, maar in verhouding vielen er in Korea veel meer doden, zo'n vier miljoen. Alleen bestond de kleurentelevisie toen nog niet. Vietnam werd over de hele wereld uitgezonden in kleur. Korea verscheen enkel sporadisch in zwart-wit. Een wereld van verschil."

En dan komen de verhalen als een stortvloed los. Over het leven ginder in tentenkampen, de hete en vooral natte zomers, de vrieskoude winters. Over de dood van de compagniecommandant die een golf van wanhoop bij de soldaten veroorzaakte. "Hij kwam in een mijnenveld terecht en een minuut later lagen de lichaamsdelen verspreid over de rijstvelden. Hij was een moedig man." Een traan wordt weggepinkt en hij vertelt verder. Over de voortdurende aanvallen van grote groepen vijandelijke soldaten, waardoor het voor de Belgische militairen onmogelijk was om overdag te bewegen. Door het Noorden werden immers ook duizenden Chinezen ingezet - een presentje van Peking aan Stalin - die als een soort levend schild op de vijandelijke stellingen werden afgestuurd. "Wie uit de loopgraaf kwam, was zijn hoofd kwijt. We werden nachtdieren. Overdag sliepen we, 's nachts probeerden we aan te vallen."

"Zoiets verandert je wel hoor", klinkt het na enkele slokken thee. "Ik heb er ook een grote bewondering voor de Chinezen en Noord-Koreanen aan over gehouden. Het waren goeie en vooral moedige soldaten, alleen jammer dat ze aan de andere kant stonden. De meeste Noord-Koreanen waren arme boerenjongens die in het leger gingen om eindelijk eens voldoende te eten te hebben. Op een dag vond ik zelfs een leeg conservenblik voor mijn tent, met daarin een brief van de korpscommandant van de vijand. Hij stelde ons voor om op eigen houtje een einde te maken aan het bloedvergieten. Hoe graag we ook wilden, we konden er niet op ingaan. De officiële vredesbesprekingen zaten in het slop, maar zonder de politiek en onze oversten konden wij niets doen. We besloten dan maar om wat 'voorzichtiger' te vechten: zo weinig mogelijk doden maken. Een vreemd principe in een oorlog."

Voor de toenmalige overheid in België heeft Feyt nog maar weinig lovende woorden. Dat de Belgische steun in de Korea-oorlog een poging was van Brussel om voor vol te worden aangezien in de Navo, was duidelijk. Maar de publieke opinie vond het klinkklare onzin dat België meevocht: de oorlog in Korea kostte handenvol geld, en België had het, zo vlak na de Tweede Wereldoorlog, zelf zo hard nodig. Als reactie op de kritiek legde de overheid de Belgische strijdkrachten in Korea een munitiebeperking op, tot grote verbazing van de soldaten. "We kregen plots het bericht dat we te duur waren en voortaan maar een beperkt aantal granaten en munitie mochten gebruiken. Er werden quota vastgelegd. We hielden ons daar niet aan. Want wat doe je als je munitiequotum bereikt is, maar de vijand aanvalt? Schieten natuurlijk! Het was duidelijk dat de overheid niet wist waaraan ze begonnen was."

Hij zou nog wel eens terug willen naar de plaats van de loopgraven. "Ik ben er al eens geweest. Op de plaats waar onze stellingen lagen, staat nu het grote olympische complex van Seoul. Op de plaats waar lemen hutjes stonden, staan nu grote moderne buildings. Maar de oorlog is er nog altijd voelbaar."

'Korea was in verhouding erger dan Vietnam. Maar niemand wist het: er was nog geen kleuren-tv'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234