Zondag 15/09/2019

De verborgen gelovige in ons

Onze tijd is een constante hoogmis voor onheilsprofeten. Sla de krant maar open: kind-misdadigers, pestende volwassenen, pedofiele bisschoppen, besluiteloze politici, graaicultuur en jongeren zonder burgerzin - je weet niet waar te beginnen. Naar aloude religieuze traditie zoeken we een zondebok, dat vergemakkelijkt de nachtrust. De kortzichtigen onder ons leggen de schuld bij het langharige mei ’68-tuig dat zo nodig de vrije liefde wou; de verontruste intellectuelen gaan een stap verder en vinden de oorzaak bij de verlichting van de 18de eeuw. Het toen eveneens langharige tuig (pruiken) had het lumineuze idee alle klassieke normen en waarden ter discussie te stellen, de religie af te schaffen, de republiek in te voeren en de rede als leidraad te nemen. En kijk eens waar het ons gebracht heeft, dat is zo ongeveer de boodschap die de laatste tijd her en der te lezen valt. Binnen ons taalgebied is Ad Verbrugge daarvan de bekendste vertegenwoordiger. Net zoals nogal wat anderen legt hij de oorzaak van ongeveer alle kwaad bij onze toenemende individualisering en dalende spiritualiteit, waarvan het startpunt bij die vermaledijde verlichte filosofen ligt. Die hadden, godbetert, het waanidee dat een maatschappij gebaseerd kon zijn op een natuurlijke moraal. Alasdair MacIntyre beschrijft het een stuk intelligenter in zijn After Virtue: een rationele moraal kan slechts functioneren zolang er nog sporen zijn van een religie - eens die uitgewist, is het hek van de dam, en dat is volgens hem wat we nu meemaken. Ondertussen heeft deze kritiek ook de algemene pers bereikt: in The Guardian van 28 september benoemt G. Monbiot het ‘Enlightenment model’ als ingaand tegen de menselijke aard en meteen ook bron van onze huidige lethargie. De populaire remedie valt overal te horen: meer kerk, meer politie, meer bestraffing en alles wordt beter. Vader een pijp rokend aan de haard, moeder aan het fornuis, de kinderen op tijd naar bed. En liefst overal camerabewaking.

Soortgelijke analyses van onze tijd zijn vandaag schering en inslag, en tot op zekere hoogte verleidelijk. Toch klopt er iets niet - pleiten voor meer pastoors?! -, alleen is het zo moeilijk om aan te geven wát er niet klopt. In dit opzicht is het pas gepubliceerde boek van Philipp Blom een verademing - het heeft mij een ‘aha-erlebnis’ bezorgd, het doorbreken van een inzicht dat op het puntje van mijn tong lag maar toch niet geformuleerd wou worden.

Kort en bondig samengevat: de oorzaak van onze problemen ligt niet bij de verlichting en het verdwijnen van de religie. Integendeel: de eigenlijke verlichting heeft nooit doorgang gevonden en we zijn nog steeds veel te religieus, zelfs wij, de zelfverklaarde atheïsten, agnostici en vrijzinnigen. Dit is de goed onderbouwde boodschap van het filosofische traktaat dat Philipp Blom presenteert in de vorm van een uiterst boeiend geschreven historische studie.

Het verdorven genootschap

Zoals de titel aangeeft, focust hij op de vergeten radicalen van de verlichting. Wie een ruimer overzicht wil, leest de uitstekende studie van Gie van den Berghe, De mens voorbij. Het verdorven genootschap dat Blom ons serveert, bestaat vooral uit Diderot, Holbach, Helvetius en Raynal. De kans is groot dat u (net zoals ik, voor ik het boek gelezen had) er maar één van kent: Diderot. Dat is nu net het punt dat Blom wil maken: ze zijn vergeten, en dat is geen toeval. Wij moeten het stellen met een Voltaire en vooral met een Rousseau. De rampzalige gevolgen daarvan worden nu zichtbaar, en straks kan de laatste het licht uitdoen. Terwijl we net méér verlichting nodig hebben.

Tijd: tweede helft van de 18de eeuw, donderdag- en zondagavond. Plaats: Parijs, rue Royale Saint-Roch, de salon van baron d’Holbach. Aanwezigen: een groep intellectuelen, ‘philosophes’, die debatteren over een ideale maatschappij gebaseerd op de wetenschap. Hun doel: het grootste geluk voor het grootst aantal mensen, zoals het later bij Bentham zal luiden. In die discussies is Diderot de drijvende kracht - hij is ook de man achter de Encyclopédie, een monumentale publicatie-in-afleveringen, waarin vijfentwintig jaar lang zowel de nieuwe wetenschappelijke als maatschappelijke ideeën uitgedragen worden. Een botsing met de Bijbel, en dus met de autoriteiten, is onvermijdelijk.

De leidraad van de radicalen is eenvoudig. Wat mensen schade berokkent, is verkeerd, wat hun geluk bevordert, juist - en dit geldt voor iedereen, los van leeftijd, geslacht, stand of ras. Diderot was een van de eersten die heftig protesteerden tegen slavernij. Zijn opvattingen waren toen letterlijk levensgevaarlijk. In die tijd kon een boek slechts gepubliceerd worden na officiële goedkeuring door kerk en staat. Clandestiene drukkerijtjes werden opgezet tussen de stapels brandhout langs de Seine. Revolutionaire pamfletten werden verkocht op straathoeken, ‘sous le manteau’. De publicatie van Lettre sur les aveugles à l’usage de ceux qui voient, waarin Diderot aantoont dat moraal niet universeel is, maar afhangt van de maatschappelijke context, is een stap te ver. Hij wordt in 1749 opgesloten en komt slechts vrij nadat hij een document ondertekend heeft waarin hij verklaart nooit meer iets godslasterlijks te zullen publiceren, op straffe van definitieve opsluiting - en in die tijd was definitief definitief. Nog op 1 juli 1766 werd Jean-François de la Barre, een jonge edelman, gefolterd en onthoofd. Zijn misdaad: het bezit van twee erotische romans en een boek van Voltaire.

Voltaire zelf was al in 1728 naar Genève gevlucht en durfde geen radicale uitspraken meer te doen. Integendeel, hij profileerde zich publiek als ‘deïst’, de voorloper van de huidige ‘ietsist’: “Ik ben geen katholiek, maar toch geloof ik dat er iets...”, (te vergelijken met “Ik ben geen racist, maar toch denk ik dat...”). Overigens was hij ervan overtuigd dat religie voor het plebs noodzakelijk was, want op grond van de daarmee gepaard gaande angst zou het minder stelen en bedriegen. D’Holbach en Diderot dachten er precies het tegenovergestelde over: religie is een instrument om mensen te onderdrukken en dom te houden. Bevrijd ze van hun irrationele angsten, geef ze een betere opleiding en een menswaardig bestaan, en de criminaliteit zal dalen. Ze waren dan ook beiden radicaal atheïst.

Als er geen god bestaat die via een of andere openbaring oplegt wat goed of kwaad is, dan moeten we daar zelf over nadenken. Voor beloning of straf hoeven we ook al niet te wachten op een hiernamaals, dat moet op aarde gebeuren volgens een systeem dat gebaseerd is op inzicht in de menselijke aard.

Dit standpunt is meteen het eerste dat de groep rond Diderot tot radicalen maakt, zeker in vergelijking met Voltaire. Een tweede radicaal verschil komt vooral tot uiting in vergelijking met een andere coryfee, met name Rousseau. Door zijn calvinistische opvoeding had de man een verkrampte houding tegenover lichamelijkheid en passie. Zijn jeugdjaren in een Zwitsers boerendorp idealiseerde hij later tot een mythisch paradijs van voor de zondeval. In dat dorp leerde hij trouwens genieten van de klappen van de plaatselijke onderwijzeres, een erotische voorkeur die hij levenslang zou behouden én waaraan hij bovendien zijn eigen hoogstaande moraal toeschreef. Het contrast met Diderot was groot: als puber werd ook hij geconfronteerd met zijn hormonen, deed ook hij een beroep op God om ‘rein’ te kunnen blijven. Vrij snel ontdekte hij echter de absurditeit ervan, en als volwassene schreef hij over gelovigen: “Uitgerekend wanneer de natuur tot hen roept, gaan ze over op een leven dat juist tegen die natuur ingaat.”

Studie van die menselijke natuur is voor de groep rond d’Holbach cruciaal, want precies daarop moet de nieuwe maatschappelijke ordening gebaseerd zijn. Drie menselijke kenmerken zijn daarbij centraal: rede, passie en empathie, als pijlers van een seculiere samenleving. Voor de radicale verlichtingsdenkers is passie de drijvende kracht, die best door de rede gestuurd kan worden, zij het dat deze laatste nooit de overhand kan halen. De ontkenning daarvan is voor hen inherent aan religie, waarin al het lichamelijke slecht is en alleen het spirituele telt.

Rousseau wantrouwde zowel de rede als de hartstocht en droomde van een idyllische gemeenschap waarin deugdzaamheid centraal staat, als uitdrukking van een ‘volonté générale’, zij het strak geleid door een verlicht despoot. Het is geen toeval dat nogal wat totalitaire regimes naar hem verwijzen, te beginnen met Robespierre, voor wie de guillotine het voornaamste instrument van de rede was. Na hem volgden Lenin en Pol Pot, die, net zoals Mao, wilden terugkeren naar de gelukzalige boerenbuiten à la Rousseau. In de woorden van Blom: “een staat waarin alle dissidenten worden verbannen of gewoon terechtgesteld, terwijl massa’s gelukkige boeren de grote leider toejuichen.”

De rede als oppermanager

D’Holbach en Diderot konden hun levensgevaarlijke ideeën nauwelijks publiceren, in tegenstelling tot Voltaire en Rousseau, die een eclatant succes hadden. Hun halfzachte opvattingen zouden ten tijde van de Franse revolutie door Robespierre verheven worden tot een seculiere staatsgodsdienst met de Rede als nieuwe godin. Het ‘opperwezen’ kreeg zelfs een eredienst in de ‘tempel van de rede’. Frankrijk is er nog steeds niet van bekomen. Nog later combineerde nazi-Duitsland een instrumentele rationaliteit met een soort natuurgodsdienst. Vandaag is de rede gerationaliseerd tot het utilitaire binnen een veralgemeend managementdenken, met het accent op effectiviteit. Empathie is allang vervangen door concurrentie en hartstocht hoort thuis in de psychiatrie of de vrouwenblaadjes. Geopolitiek van de emoties (Dominique Moïsi)? Connais pas.

Dit is de nieuwe civiele religie, met als bijbel het neoliberalisme. We redeneren vandaag nog steeds in “stilzwijgend aanvaarde theologische concepten” - geest tegenover lichaam, presteren in het zweet onzes aanschijns met functioneringsgesprekken als nieuwe biecht en steevast een beloning in een verre toekomst. Het lijf moet nog altijd bedwongen worden - lijden verheft de mens, en de nieuwe heiligen zijn fotomodellen die ons schuldig doen voelen omdat hun ideale vormen voor ons onbereikbaar zijn. Wellust en passie zijn nog steeds een bron van schuldgevoelens, vrouwen die naar seks verlangen zijn nog steeds gestoord. In een mainstream film worden sadistisch geweld en zelfs marteling probleemloos getoond, terwijl ‘frontal nude’ nog altijd controverses oproept. Philipp Blom houdt ons een pijnlijke spiegel voor.

Zijn boek is niet zomaar een meeslepende historische studie, het is een krachtig onderbouwd filosofisch manifest, eindigend in een pleidooi voor méér verlichting, uitgaand van een combinatie van passie, rede en empathie - ik kan dit alleen maar toejuichen. Dit is hét geschenk voor de eindejaarsfeesten, dat bovendien aan tafel voldoende gespreksstof kan opleveren, in de beste traditie van de salons uit die tijd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234