Donderdag 08/12/2022

De uitnodiging van de markiezin

Nood aan vakantielectuur? Het is maar een woord! Vandaag leest u de ontknoping van het speciaal voor De Morgen geschreven zomerverhaal van Jamal Ouariachi.

De zon kwam op. Met het einde van de kortste nacht van het jaar kwam er ook een einde aan mijn laatste reserves. Kapot was ik. Ik had gedanst op het bal masqué van markiezin Maria-Therésa Roche de Bonneval de la Fontaine. Ik had me in een zalige roes gedronken en me laten bevredigen door Isabella.

Ieder normaal mens zou zich na zo'n avond doodmoe in bed willen storten, maar ik, ik was vast komen te zitten in de wijnkelder, ik had me met de moed der wanhoop door een ondergronds gangenstelsel gewerkt en toen ik mezelf daar eindelijk uit had weten te bevrijden, was ik op een huiveringwekkend ritueel gestuit, middenin het woud, met tientallen als spook verklede figuranten en in de hoofdrol de markiezin. Ze hadden mij - de indringer, de voyeur - ontdekt, en nu zaten ze achter me aan, die spoken. Of niet, misschien hadden ze de achtervolging opgegeven, geen idee: achteromkijken durfde ik niet.

In de verte, tussen de bomen, verscheen mijn redding: een weg. Er reed geen verkeer over, maar toch: het was een geasfalteerde tweebaansweg. Een uiting van de bewoonde, ja, de beschááfde wereld.

Pas toen ik na een laatste sprintje met mijn voeten op het asfalt belandde, hijgend en zwetend, durfde ik achterom te kijken.

Ik zag niemand. Ze moesten toch behoorlijk opvallen, met hun rare witte gewaden tussen het groen, maar nee: ze hadden me laten gaan. Maar wanneer dan? Misschien had ik wel kilometers lang in mijn eentje door dat bos gerend. Was ik voor niets gevlucht.

Het kon zelfs zo zijn dat ze me helemaal niet kwaad gezind waren geweest, die spoken. Dat ze me misschien wel bij hun ritueel hadden willen betrekken. Ja, waarom niet? Waarom mocht ik, die door Maria-Therésa blijkbaar tot haar meest intieme vrienden werd gerekend, niet bij de ceremonie aanwezig zijn? Goed, het was een beetje apart, dat gedoe met die olifantenslurf tussen haar benen, maar ik had in mijn leven wel vreemdere fratsen gezien.

Nu ik veilig was - een illusie, maar het was net alsof die weg mij beschermde - lukte het me om een beetje te ontspannen. Hevige vermoeidheid maakte mijn bloed zwaar. En nu pas voelde ik dat mijn blaas bijna ontplofte. Ik piste tegen een boom. Aan de trillende, onvaste straal kon ik zien hoe de schrik nog altijd in mijn benen zat.

Terwijl de nacht steeds lichter blauw kleurde en de vogels hun niets-aan-de-hand-liederen aanvingen, begon ik weer te lopen. Zomaar een kant op. Door mijn omzwervingen was ik elk gevoel voor richting kwijtgeraakt. Ik voelde een milde opluchting, al was ik er toch nog niet helemaal gerust op dat het gevaar geweken was. Wat zou mij te wachten staan als ik eindelijk het landgoed van de markiezin zou terugvinden?

Na alles wat ik had meegemaakt, verbaasde het me niet eens meer toen ik al gauw, links van de weg, het welbekende toegangshek zag opdoemen. Het was gesloten. Aanbellen dan maar? Al mijn bezittingen bevonden zich in de torenkamer van het kasteel, en belangrijker nog: Isabella was daar. Alleen al voor háár moest ik naar binnen.

Ik belde aan en zonder dat iemand via de intercom naar mijn identiteit vroeg, zwaaide het hek open. Ik liep het terrein op. Op de parkeerplaats stonden nog maar een paar auto's. Hoe laat was het inmiddels wel niet? Waarschijnlijk waren de meeste gasten al naar huis. Dan hadden zij het ritueel waarschijnlijk afgebroken na mijn ontdekking, en waren hals over kop teruggekeerd en eerder gearriveerd dan ik.

De toortsen langs de muren van het kasteel waren gedoofd. Even was ik bang voor de honden die we bij aankomst hadden gezien, maar ze kwamen niet tevoorschijn. Misschien beperkte hun dienstverband zich tot werkzaamheden bij de jacht.

De toegang tot de ontvangsthal was nog gewoon open. Niemand kwam me verwelkomen.

Ik sloeg linksaf en kwam langs de kamer die ik uren geleden samen met Isabella was binnengedrongen. Ik trok de deur open. Daglicht scheen naar binnen.

Er was niemand. Geen spoor van wat er was voorgevallen. De schemerlamp was uit. Mijn masker kon ik nergens meer vinden. Zelfs het wijnglas was verdwenen. Ik trok de grendel van het toegangsdeurtje tot de wijnkelder omhoog en opende het met het grootste gemak. Ja, het ging zonder enige moeite open. Dat zou niet mogelijk moeten zijn, maar ik was te moe voor verbijstering.

Als Isabella hier niet was, dan had ze zich misschien teruggetrokken in onze torenkamer. Ik liep de gang weer in, helemaal tot het einde. Daar beklom ik kermend van pijn en vermoeidheid de wenteltrap naar onze torenkamer, en inderdaad: daar was ze. En ze lag doodleuk te slapen.

Mij een beetje in een kelder achterlaten en dan gewoon gaan slapen!

Of had ze hulp gehaald en waren ze erachter gekomen dat ik me niet langer in de wijnkelder bevond? Reden te meer tot ongerustheid, zou je zeggen, of was ik nou gek? Je ging toch niet slapen als je geliefde vermist was!

Ik bewoog haar schouder heen en weer. Ze schrok wakker.

"Wat is er?", vroeg ze, nog altijd hees, maar toch met iets van een terugkerend stemgeluid. En toen, een stuk helderder: "Hé, ben je daar eindelijk?"

"Ja", zei ik, "wonderlijk, hè? Als het aan jou had gelegen, lag ik nu nog te creperen in die wijnkelder."

"Wijnkelder? Welke wijnkelder?"

"Kom op! Die kelder bij dat kamertje waar we..."

Nog altijd keek ze me volkomen niet-begrijpend aan, en op dat moment stortten de verschillende implicaties van haar onbegrip als een lawine over me heen.

"Ben jij sinds het avondeten niet meer beneden geweest?", vroeg ik.

"Nee, ik voelde me niet lekker, dat had ik toch gezegd. Was het leuk, het bal?"

Ze wist het niet. Ze wist van niets. Maar als zij het niet wist dan...

"Ja, best wel."

"Hm", kreunde ze slaperig. "Ik vind het wel jammer, hoor, dat ik het heb moeten missen. Ik had zo'n mooie jurk gehuurd."

"Ach", zei ik, "zo bijzonder was het nu ook weer niet... Je weet wat voor saai volk er bij het diner aanwezig was, dus..."

"Hmm."

"Ga nu maar slapen, je bent aan de betere hand."

De kamer stond in het volle daglicht. Ik sloot de gordijnen en kleedde me uit. Bekeek mijn geslacht. Nog een geluk dat het bij pijpen was gebleven, anders had ik nu de geur van een andere vrouw aan mijn lijf gehad.

Bij de wasbak dronk ik eerst een liter water uit de kraan en poetste vervolgens mijn tanden. Daarna kroop ik naast Isabella in bed, waar ik, ondanks de wilde chaos in mijn hoofd, onmiddellijk in slaap viel. Het moest uren later zijn geweest, toen er geklopt werd, waarop Isabella een schor "Binnen!" riep.

Ik opende mijn ogen. Butler Ron en zijn collega betraden onze kamer.

"Uw ontbijt."

Kreunend kwam ik overeind. Isabella zat naast me, rechtop in bed, met in haar schoot een dik boek. Het verzamelde werk van Shakespeare, wist ik.

"Heeft u genoten van het feest?"

"Ja", mompelde ik vaag. "Het was fantastisch."

De markiezin liet zich opnieuw excuseren. Vermoedelijk was een deel van de maaltijd niet goed gevallen, gisteravond. Zij had zich al vroeg teruggetrokken in haar torenkamer.

Ron zei het zonder ook maar het lichtste spoor van leugenachtigheid, van wij-weten-allebei-wat-er-gebeurd-is-maar-vanwege-de-jongedame-doen-we-alsof-er-niks-aan-de-hand-is. Of misschien wist hij ook werkelijk van niets. Hij was immers maar een butler. Wellicht had hij geen enkel benul van wat zich in het woud had afgespeeld.

Ik knikte. "Wat jammer. Dan kunnen we geen afscheid van haar nemen."

Na het ontbijt dompelden Isabella en ik ons voor de laatste maal onder in het majestueuze ligbad, maar ik kon er niet meer van genieten. Ze vroeg of ik wat meer kon vertellen over het bal, en ik hing wat leugens op.

"Beetje gedanst, maar niet veel. Het was allemaal nogal stijfjes. Wel veel te veel gedronken, ik ben kapot."

Geen woord meer over de wijnkelder, ze vroeg er zelf ook niet meer naar. Wat ik er 's nachts over had gezegd, terwijl zij in een halfslaap verkeerde, was ze natuurlijk allang weer vergeten. Opgelost in haar dromenwereld.

We pakten onze koffers in, drukten op het bediendenknopje, en binnen de twee minuten verschenen Ron en zijn collega. Ze tilden onze bagage naar beneden, de lange gang door, naar de ontvangsthal. Daar kwam die andere butler, hoe heette hij, Robin, op ons af, met in elke hand een pakje.

"De markiezin heeft nog een afscheidscadeau voor u beiden", zei hij. Het ene was een vrij grote doos, ingepakt in groene crêpe, voor Isabella. Het andere was een kleiner pakketje, in glanzende, purperen folie. Voor mij. "Met het uitdrukkelijke verzoek van de markiezin om de presentjes pas bij thuiskomst te openen", zei Robin.

We reden door het zonnige West-Vlaamse landschap, deze keer zonder ook maar ergens een verkeerde afslag te nemen. Op de autoradio draaide een nostalgische zender hits van weleer. Moe was ik, maar vrolijk: opgelucht dat we weg waren uit dat akelige oord.

Thuis in Amsterdam maakten we de pakketjes open, heerlijk ontspannen op de bank met elk een kop bittersterke koffie binnen handbereik. In de doos voor Isabella zat een kerststal, of iets wat erop leek. Een kitscherig ding, met een stekkersnoer om de ingebouwde lampjes te voeden. Een macaber detail: alle figuurtjes, zelfs het kindeke Jezus, droegen maskertjes. Minuscule Venetiaanse maskertjes. Wat een kerststal met een midzomerfeest te maken had, ontging me, maar Isabella raakte erdoor vertederd.

"Ach gut." Ze had alweer bijna haar normale stem terug. "Dat heeft die schat natuurlijk van tevoren zo bedacht, ervan uitgaand dat ik het bal mee zou maken. En dat zo'n kerststal met gemaskerde poppetjes dan een mooi aandenken zou zijn. Nu betekent het helemaal niets."

"Hm", zei ik. "Wel schattig, inderdaad."

Mijn eigen pakketje bevatte twee in beschermend papier gewikkelde objecten. Het eerste was een wijnglas. Ik tikte ertegenaan: echt kristal. Er stond een tekst in de kelk gegraveerd: 'Huize Zwaevelsteyn, familie Roche de Bonneval de la Fontaine, Midzomernacht 2009'.

Familie? Sinds wanneer noemden alleenstaanden zichzelf een 'familie'?

Dat was vast weer zo'n adellijk eigenzinnigheidje.

Het tweede object was een medaillon. Ik verwachtte er een portret van Maria-Therésa in aan te treffen, daar was ze ijdel genoeg voor. Eigenlijk waren al die dankbaarheidsbetuigingen van haar ook een vorm van ijdelheid. Ik mocht haar vooral niet vergeten.

Met een klik liet ik het sieraad openspringen.

Geen portret. Alleen een kale, witte achtergrond. Het medaillon was leeg. Ik wrikte aan het portretvenstertje. Ook dat sprong open. In de achterwand van het sieraad lag een wit papiertje dat als achtergrond diende.

Ik pulkte het eruit en draaide het om. Daar stond in een sierlijk maar duidelijk leesbaar handschrift: 'Mattheüs 1:23'.

"Wat schrijft ze?", vroeg Isabella.

Ik liet het haar lezen en stond toen met krakende gewrichten op van de bank. Uit de boekenkast nam ik de oude, in donkerbruin leer gebonden statenbijbel die ik van mijn opa had geërfd. Een heerlijk muffe geur van oud papier steeg van de pagina's op terwijl ik naar het juiste evangelie bladerde. Ik ging weer naast Isabella zitten. Daar had je 'm: Mattheüs 1:23. 'Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.'

"Emmanuël", zei ik hardop. "Emmanuël..."

Een echo uit de voorbije nacht galmde door mijn hoofd. En daarmee het antwoord op de vraag die mij gedurende het hele bezoek aan de markiezin had beziggehouden: waarom had ze ons uitgenodigd? Waarom ons? Waarom mij?

En. Maar. Nu. Wel.

Het wijnglas. Daar had nooit wijn in gezeten. Wel een andere vloeistof.

"Je mag haar dan destijds succesvol behandeld hebben", zei Isabella, "ze heeft ze nog altijd niet allemaal op een rijtje, dat blijkt wel. Hier is toch geen touw aan vast te knopen?"

Ik zweeg. Het enige wat ik kon doen was hopen dat de hele episode zonder consequenties zou blijven. Dat Isabella nooit zou ontdekken wat er werkelijk gebeurd was, daar in het kasteel en in het woud eromheen.

In de vroege lente van het jaar daarop ontvingen we een geboortekaartje. "Van Maria-Therésa", zei Isabella, die de post uit de brievenbus had gehaald. "Dat is toch bizar! Waarom heeft ze ons niet even aan de aanstaande vader voorgesteld toen we daar waren? Ik dacht dat jullie zo'n intieme band hadden..."

"Misschien is het een kindje van de spermabank", zei ik zachtjes, terwijl ik het kaartje van haar aannam. Familie Roche de Bonneval de la Fontaine is zeer verheugd... Familie... Goed gevonden. Ja, zo ontkwam je eraan te laten blijken dat de vader buiten beeld moest blijven.

De naam van het pasgeboren jongetje verbaasde me in het geheel niet.

EINDE

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234