Donderdag 28/10/2021

De Trans-Kalimantan-expeditie:

als eerste Belg van Oost naar West

Twee jaar geleden ondernam de zanger van de Red Hot Chili Peppers samen met Amsterdams bekendste tatoeëerder Shiffmacher (Henky Panky voor de ingewijden), een poging om de Kalimantan-jungle te doorkruisen op zoek naar

avontuur en de traditionele tattoos van de Dajaks, de inlanders van dit dichte regenwoud in Borneo. Na twee dagen,

opgevreten door de muggen en de bloedzuigers, werden beide heren vloekend per helikopter ontzet uit wat wel eens het groene hart van de wereld maar door velen ook de groene hel wordt genoemd. 'It's the jungle out there, you better believe it!'

Kleine visjes zwemmen je urinebuis binnen en zetten zich met hun weerhaken vast om nooit meer los te laten, kolkende stromen doen de kano's koortsachtig steigeren, wriemelende hongerige bloedzuigers belagen je vanuit elke hoek...' Het zijn maar enkele van de vreselijke waarheden die ik uit Het hart van Borneo van mijn favoriete reisschrijver Redmond O'Hanlon heb onthouden. O'Hanlon is een wat dikkige, grappige Engelsman die avontuurlijke reizen onderneemt maar niet altijd opgewassen blijkt tegen alle problemen en gevaren op zijn expedities. Mijn O'Hanlon-inlevingsgevoel neemt sterk toe naarmate het vertrek naderbij komt. Ook ik ben dol op avontuur, maar net zomin een held. Bloedzuigers, teken, malariamuggen, spinnen en slangen zijn niet bepaald mijn favoriete vertegenwoordigers van de fauna en ik ben bovendien geen waterrat.

"Misschien is het allemaal minder erg in Kalimantan, het Indonesische gedeelte van Borneo", probeer ik mezelf wijs te maken. We zijn de eersten die in groep die deze moeilijke oostwesttocht van Balikpapan tot Pontianac ondernemen en ik ben tot mijn grote vreugde de allereerste Belg. Mijn medereizigers zijn zeven Nederlanders, niet meteen met een avonturiersprofiel. Per jaar durven maximaal drie à vier personen individueel deze reis aan, die ontdekkingsreiziger Muller in 1825 ondernam en wegens het verlies van zijn hoofd - letterlijk - niet heeft kunnen afmaken. Als postume troost werd de bergkam, die Kalimantan in tweeën deelt, naar hem genoemd.

Om het vertrekpunt van de jungletocht te bereiken moeten we 900 kilometer Mahakam-rivier verteren op een gezellige houseboat en een longtail-kano. Op onze blauwe schuit kan ik me langzaam aanpassen aan de zware evenaarshitte en de onmenselijke vochtigheidsgraad. Badende mensen, vissers, spelende kinderen, watervogels, buffels, en stukken onvervalst oerwoud zorgen voor de nodige afwisseling. Enorme schepen volgeladen met ulinboomstammen (ijzerhout, een zeer gewaardeerde sterke houtsoort), dobberen voorbij en drijvende stammen bemoeilijken het varen. Het kappen van het regenwoud stopt niet, de longen van de wereld worden lelijk toegetakeld. Ook door bosbranden, hoorde ik op het nieuws voor mijn vertrek. "Ze willen Indonesië in een slecht daglicht stellen", zegt de gids, "tijdens het regenseizoen zijn bosbranden onmogelijk."

Bij de Dayak Tunjung worden we uitgenodigd in een longhouse, een gemeenschappelijk huis van 60 meter lang op vier meter hoge poten, waarin wel twintig families samenleven. Vroeger waren er longhouses van een paar honderd meter. Maar die werden door de Indonesische regering om hygiënische redenen verboden.

In het longhouse zit een voltallige familie rond een stervende man, de andere families hebben zich teruggetrokken. Een pasgeboren baby hangt in een hangmatje naast de ouderling die zijn strijd voert met de dood. Aan een primitief altaar zit een oude medicijnman die al zijn magische krachten gebruikt om de zieke nog zo lang mogelijk onder de levenden te houden, muzikanten tokkelen op een gamelan en trommelaars helpen hem ritmisch over de moeilijkste momenten. De dood maakt hier deel uit van het leven, zodat niemand zich stoort aan onze aanwezigheid.

Tering, een ander dorp waar de Bahao Dajaks wonen, is bekend om de langoorvrouwen. Ze rekken hun oorlellen zo lang mogelijk uit met behulp van zware oorbellen. De oudere Bahao-vrouwen hebben tatoeages op handen en voeten, de grootte ervan bepaalt hun status. We worden onthaald door de dansers van het dorp, de mannen in bananenbladeren gehuld, de vrouwen in blinkende outfits vol kralen.

De meeste Dajaks hebben tv met een gigantische schotelantenne voor de deur, de primitiefste huisjes doen niet onder voor de rest. Ook in dit dorp zitten twee dreumesen naar Neighbours te kijken. Niemand begrijpt Engels, maar ze ontvangen alles behalve de Indonesische zenders.

De Panang Dajaks zijn eigenlijk nomaden, maar de regering heeft ze verplicht om zich te vestigen in dorpen. Je ziet aan de primitievere stijl van de huizen en de verwilderde blik in hun ogen dat ze hier niet thuishoren. Een oude man toont me trots de tatoeages, die als een kralensnoer om zijn hals zijn aangebracht, voor elke onthoofding een. Hij vertelt sterke verhalen over koppensnellerij en bloedige oorlogen tussen de stammen. Niemand weet precies hoe oud hij is, maar hij kan nog 'Lang zal hij leven' in het Nederlands zingen, een overblijfsel uit de Nederlandse koloniale tijd.

De houseboat wordt na de derde dag ingeruild voor een longtailboat, een grote kano, vanaf nu zitten we echt in de jungle, de rivier wordt ook steeds smaller. Een grote maraboevogel kijkt me van de oever geïnteresseerd aan, de zonsondergangen zijn magisch. Vanaf nu slapen we bij Dajak-families op de grond.

Sinds twee dagen baad ik in de rivier en maak aldus zelf deel uit van het idyllische plaatje dat ik zo vaak fotografeerde.

Het allerlaatste dorp voor we de rimboe intrekken, Tiong Ohang, is sinds kort drooggelegd. De overheid kijkt er streng op toe dat de bewoners van de twee rivaliserende dorpen, gescheiden door een hangbrug over de hier nog brede Mahakam, de liters zelfgebrouwen arak (rijstalcohol) achterwege laten, zodat ze elkaar niet langer de kop inslaan.

Vanaf hier moeten we stroomopwaarts de rivier volgen over twaalf stroomversnellingen, de ene al enger dan de andere. Onze longboat heeft zijn drie motoren allemaal nodig. Een motor die uitvalt, betekent zoveel als verzuipen. De Riam Udang-stroomversnelling (of garnalenstroomversnelling, omdat de boot zich als een garnaal in allerlei bochten moet kronkelen) is de gevaarlijkste. Na een eerste, mislukte poging om tegen de wilde stroom op te varen, worden we aangemaand de boot te verlaten: te gevaarlijk. Gisteren zijn hier nog drie Dajaks verdronken.

Het eerste lijfelijke contact met de jungle valt wat tegen: ik sta meteen in een nest vervaarlijk uitziende mieren met gigantisch lange poten, die mijn broekspijpen als een nieuwe uitdaging zien en gezamenlijk de beklimming aanvangen. Twintig centimeter verder loopt een minidinosaurus, het blijkt een uit de kluiten gewassen kever. We kijken met spanning toe of onze jongens op de boot het halen. Het wordt erg spannend, want een motor valt uit. Gelukkig krijgen ze hem onmiddellijk weer op gang. De rivier spartelt tegen, maar onze boot wint het. Na de garnaalversnelling volgen nog zeven uit de kluiten gewassen rapids. Alles went, op de duur gaan we het bijna prettig vinden.

Het is intussen gaan regenen. Met stokken moeten we proberen afstand te houden van de rotsige oevers, die soms gevaarlijk dichtbij komen. Reusachtige draaikolken lijken ons te willen opslokken. Boomstammen, die met de stroming tussen de rotsen voorbij dokkeren, vormen een extra gevaar. Een van de Dajaks, die ziet dat ik af en toe mijn ogen dichtknijp om het gevaar niet te zien, ligt in een deuk. "Mijn God", zegt hij, "jullie zijn echt bang om te sterven. Wij kennen die angst niet."

Uiteindelijk komen we er zonder kleerscheuren vanaf, maar we hebben geen droge draad meer aan het lijf. Ik waak angstvallig over een stel droge kleren dat apart, in plastic ingepakt in mijn rugzak zit, zodat ik 's avonds iets droogs kan aantrekken. Maar ik hoef niet veel illusies te koesteren: "Vanaf nu droogt niets nog", klinkt het onheilspellend.

Twee medereizigers vallen af nog voor we de jungle intrekken. De wilde verhalen van de gidsen doen ook mij huiveren. Een mannelijke reisgezel haalt nog net het eerste kamp. Hij kan nog amper op zijn benen staan en is doodziek. We vrezen dat hij terug moet. De eerste dag te voet is een van de zwaarste, omdat het parcours steil omhoog gaat. De helft van onze bagage blijft achter. Er is een probleem met de dragers. We nemen verplicht een dag rust. De vochtigheidsgraad ligt hier rond 95 procent. Bewegen in de drukkende hitte is moeilijk. De meer dan vijftig meter hoge groene muren die vanaf de rivier ondoordringbaar leken, blijken eigenaardig genoeg toegankelijk, zij het met moeite. De jungle heeft iets verontrustends, maar is tegelijk overdonderend. Bomen en planten zijn verstrengeld als volleerde minnaars, varens ontspruiten uit elke vertakking, planten gebruiken hun grotere broers om het zonlicht te bereiken, lianen, dik als armen vormen een onontwarbaar kluwen, een uit de hand gelopen groene telefooncentrale. De parangs (machetes) die we ons in de dorpjes hebben aangeschaft, komen goed van pas, maar ik laat het kapwerk over aan de specialisten. Ik heb geen zin om als een van de enige vrouwen met een vlijmscherp mes te lopen zwaaien.

Vooral gezien vanaf de riviertjes die we constant doorwaden is de natuur fascinerend. Hier en daar steekt een schriel palmboompje zo'n 20 meter uit boven het dichte bladerdek dat af en toe als een bruidssluier naar beneden hangt, ornamenten van een altijd groene baljurk. Hier en daar ademt het woud kleine witte wolkjes uit, net zoals wij op een vroege kille ochtend.

De rivier is een van onze grootste compagnons op deze reis, de enige plek waar je iets verder kunt kijken dan de volgende boom. We drinken eruit, maken er thee van, wassen ons erin en lunchen en slapen aan de oevers. Toch loert er altijd gevaar: gladde stenen en sterke stroming, een enkele misstap en je bent weg naar de eerstvolgende stroomversnelling . Het bloeddorstigste dier van de jungle maakt zijn opwachting: de bloedzuiger, een vampier van drie centimeter, die omnipresent lijkt: hangend onder takken, klaar om te springen op alles dat warmbloedig is, met het kopje zwaaiend op het dikke bladerdek, of op de grond, hunkerend naar warme voeten en bloed. Ze zuigen net zolang tot ze vol zijn en laten dan hun slachtoffer hevig bloedend achter. Een van mijn medereizigers wordt elke dag letterlijk leeggezogen.

"De jungle vreet aan je", krijgen we te horen. Dat klopt. Dagelijks heb ik minder energie op overschot en vanaf de vijfde dag begin ik hoopvol de uitgang van dit bomendoolhof te zoeken. Maar we zitten nog vier dagen van ons doel. Je stapt niet in deze jungle: je strompelt, klimt, glijdt en valt. Elke steen, elke wortel is glad, de ondergrond bestaat uit slijk of moeras. Bij het doorploeteren van rivieren reikt het water me geregeld tot het middel. In het begin denk ik alleen maar aan de visjes van O'Hanlon, maar na een poos wordt elke rivier een verfrissing in de immense hitte.

Na twee dagen is onze voorraad levende kippen op. De laatste haan is half verdoofd op nota bene mijn rugzak gebonden. Er wordt de derde avond soep van gekookt. Vanaf dag vier in de jungle moeten de jagers aan de slag om voor vlees in de pan te zorgen. Ze komen een paar uur later vloekend zonder buit terug. De volle maan geeft te veel licht. Morgen proberen ze opnieuw. "We hadden Panang Dajaks moeten meenemen", zucht Agus, een van de gidsen, "die hebben in geen tijd een varken of hert te pakken."

Verhongeren doen we niet. Er wordt gevist en we hebben tonnen rijst bij ons. Ontbijt verschilt weinig van lunch en diner: rijst, rijst en nog eens rijst, af en toe een lekker soepje en voor onderweg iets zoets met veel koolhydraten om krachten op te doen.

Mijn drager, Kawee, is 53 en is zijn hele leven zijn dorp nog niet uit geweest. Hij zat nog nooit in een auto, kent behalve een rivier geen stromend water en zijn voeten hebben nog nooit een schoen van dichtbij gezien. Hij loopt blootvoets als een kraanvogel, zijn lange benen traag maar zeker neerpotend op de veiligste plekken in het bos. Hij valt nooit. Ik probeer zijn grote, brede voeten te volgen om ongelukken te vermijden. Tegelijk probeer ik te genieten van alles wat ik zie.

Hoe chaotisch de jungle ook is, soms maken fragiele details het echt de moeite: prachtige paddestoelen die net die ene zonnestraal opvangen, ouderwetse rode kamerplantjes, bekend van vensterbanken in een ouderlingentehuis, staan als een geslaagd contrast in de wilde wirwar van kreupelhout en planten, wortels hebben de gekste vormen en het krioelt van de waanzinnig mooie vlinders die, als we langer dan een uur in de zon blijven, plots in dichte drommen uit het niets opdagen. Ze worden op de voet gevolgd door horden wespen en muggen, waarvoor we telkens op de vlucht moeten.

Na de vijfde dag heb ik het echt wel gezien. "Angsten overwinnen", bezweer ik mezelf. "Daar gaat het om als je langer dan een week onafgebroken in de jungle blijft." Mijn spinnenfobie bestaat niet meer, mijn hoogtevrees neemt dagelijks af, bloedzuigers laten me Siberisch koud, en zelfs de natte kleren wennen. Het enige waaraan ik niet gewoon raak, zijn de lange nachten, waarin je niets kunt doen. Lezen of schrijven is uitgesloten omdat licht horden insecten aantrekt.

Als ik 's ochtends mijn oordopjes verwijder, die het luide gesnurk van enkele reisgezellen en het kletterend geluid van de regen moet dempen, baadt de jungle in een oorverdovend geraas als in een kamer met uitzicht op de autosnelweg. Horzels maken het geluid van een formule-1-bolide, de krekels zorgen voor de bassen, de vogels voor de hogere tonen, in de verte roepen apen.

Tijdens het stappen krijgen we te zien waar de koppensnellers het gif voor hun pijlen vandaan haalden, dodelijk in tien seconden, hoe jagers vallen zetten voor herten, hoe je met vers gemaakt rotantouw en lianen een klauterbrug over de rivier maakt. 's Avonds (tenten hebben we niet) worden er met jonge boomstammen en wortels bedden gesjord, waartussen zeilen of rijstzakken worden gespannen zodat we twintig centimeter boven de grond slapen en slangen en ander ongedierte iets meer moeite hebben ons te bereiken. Ik ben daar niet ongelukkig om.

Ardit is een van de meest bedreven junglemensen. Hij blijft soms drie maanden achter elkaar in het oerwoud op zoek naar goud en vogelnestjes, sandelhout en alles wat veel geld opbrengt. Hij geeft me enkele ginsengwortels cadeau. Dezelfde avond nog propt hij ze in een flesje met water. Elke keer als ik mijn krachten voel afnemen neem ik er een slok van. Het helpt, hij bezorgt me ook een ruwe kristal die me moet beschermen. Hij gelooft er echt in: er kan me nu niets meer overkomen.

Ik krijg het niettemin erg benauwd als ik boven een ravijn hang, me vastgrijpend aan elke wortel op een richeltje dat soms niet eens de breedte heeft van mijn schoen en het (angst)zweet letterlijk uit mijn poriën spuit. Het Mullergebergte overtrekken is geen sinecure. Met een hand vol kleine stekels van een doornstruik probeer ik me vast te grijpen aan een boom die zo rot is dat hij omvalt. Tegelijk knijp ik met mijn andere hand een bloedzuiger van mijn lijf en sta ik met mijn voeten in een nest mieren met een gemiddelde lengte van 3 cm. "Vinden we dit nog leuk?", hoor ik een van mijn medereizigers cynisch vragen.

Als we na negen dagen de bootjongens weerzien, is het alsof ik mijn beste vrienden terugvind. Nog nooit ben ik zo opgelucht geweest om zonder ruggensteun op de grond van een kano te gaan zitten en nog een achttal uren in de blakende zon een oneindig aantal stroomversnellingen te overwinnen. We slapen nog twee dagen bij de Dajaks in primitieve omstandigheden, maar droog liggen is een ongekende luxe, op dit moment lijkt een Dajak-woonst een vijfsterrenhotel. Opnieuw lachende gezichten, de queeste zit erop.

Myriam Thys

Waar?

Kalimantan is het zuidelijke en Indonesische gedeelte van Borneo en maakt deel uit van de Indonesische eilanden.

Papieren?

Visum: kost niets, je kunt het aan de grens krijgen als je minder dan 60 dagen in Indonesië blijft. Luchthavenheffing bij het verlaten van het land kost ± 300 frank.

Uitrusting?

Van de organisator krijg je een uitgebreide lijst van wat noodzakelijk is op deze tocht. Goed materiaal maakt de reis veel minder zwaar

Reisgids?

Er zijn weinig gidsen die enkel over Kalimantan gaan. Een goede is: Periplus Adventure Guides: Kalimantan.

Erheen?

De Nederlandse reisorganisatie Smaragd reizen organiseert tweemaal per jaar deze avontuurlijke trip van drie weken, waarin je Kalimantan van oost naar west doorkruist. De volgende reizen vertrekken op 7 september en 19 oktober 2000.

De Dayaks die de groep van maximaal tien mensen begeleiden, zijn bijzonder vriendelijk, dragen je bagage en helpen je over alle moeilijke momenten, maar een goede conditie en een flinke dosis gevoel voor avontuur is toch wel noodzakelijk.

Er wordt via Singapore gereisd met Singapore Airlines.

De prijs van deze drieweekse reis is: ± 76.500 frank.

Voor info

0031/228 312231,

fax: 0031/228 312321

'De jungle heeft iets verontrustends, maar is tegelijk overdonderend. Bomen en planten zijn verstrengeld als volleerde minnaars, varens ontspruiten uit elke vertakking, lianen, dik als armen vormen een onontwarbaar kluwen, een uit de hand gelopen groene telefooncentrale'

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234